Part 19
Wat hebben ze een pret gehad op het Joodsche school! Eerst wou het gas niet aan.... en mijnheer Prijs had de luiken al dicht.... en het leek in donker of het spookte, maar met zoovelen ben je natuurlijk niet bang.... omdat de storm zoo loeide en gierde achterom de sjoel en in de snijdingen.... en toen heeft mijnheer Prijs een pak kaarsen laten halen.... en ze hebben ze in de gaten van de inktkokers gestoken.... en o, je had die schaduwen op den muur moeten zien.... van het waschbakje, van de gas-armen.... van mijnheer Prijs zijn hoofd.... en toen mochten ze eerst met hun eigen handen schaduw-figuren maken.... en mijnheer Prijs maakte zelf met zijn handen een kauwend konijn en een happende visch.... en toen heeft hij grappen verteld en verhalen.... die wel meer dan honderd jaar geleden zijn gebeurd, maar toch echt gebeurd.... en eindelijk.... eindelijk heeft hij Elie uitgestuurd om drie ons vijgen en elk heeft er anderhalf op zijn deel gehad.... Onderweg naar huis.... o maar moeder, als we dat zeggen, mogen we nooit meer ’s avonds uit wanneer het waait: er viel zoo maar pardoes voor onze voeten een stuk van een schoorsteen uit de lucht.... en een hoeden dat we vliegen zagen.... en dan was er een paard.... en bij de sluis.... en.... en.... en.... maar o, het is er altijd nog en ze voelt het voortdurend, dat kleine prikje, waar de pijl haar even raakte, die toen weer losliet en viel. Het is weer nacht en rukkend ramt de storm het huis en is het zoo of verbeeldt ze het zich maar dat alles siddert en dat er ergens iets rinkelt.... ze ligt op den rug en houdt haar handen in haar nek gestrengeld en als ze haar oogen sluit, ziet ze den vogel.... Wat zat hij daar toch trouw met zijn kopje omhoog.... en hoe kan een vogeltje over slapende menschen waken, en toch was het alsof hij het deed.
„Zwijgend spreidt de nacht zijn kleed, Over woud en dreven....”
Dat is enkel droom en mijmering, en je zoudt er ook wel van kunnen huilen, maar zonder pijn. Dat andere.... dat andere
Eenmaal zal het zwarte zand Als de nacht ons dekken....
Dan ben je dood.... en je bent weg.... je bent er niet meer.... het zwarte zand dekt je.... als de nacht.... en onder in het zwarte zand is een kist.... de kist zit in de aarde als een pit.... de aarde klemt.... in de kist is het donker.... dat kan niet anders.... in dat donker, in die kist ben je zelf.... er is een deksel vlak boven je gezicht en boven op het deksel is het zwarte zand, als de nacht... En dat gebeurt niet maar misschien.... maar vast.... vast.... vast.... zal dat eenmaal zoo gebeuren.... als er iets heelemaal zeker is, dan dat.... dat je eenmaal zoo liggen zult, in een kist, een deksel vlak boven je gezicht.... in een graf, midden in het zwarte zand.... en je borst zal niet op en neer gaan.... je oogen zullen niet rondom zich zien, en je zult je handen niet voelen strengelen achter in je nek.... Daar is het.... daar treft haar de pijl midden in de roos.... iets dat groot en vaag om haar bewoog als de schemerige schaduwen van reusachtige vlerken.... zet zich dicht en donker vlak op haar hart.... ze zit overeind, leunt op haar eenen arm, staart het donker in.... ze heeft het altijd geweten en nooit voor nu geweten, want nooit voor nu gevoeld, dat ze zeker eenmaal dood zal zijn, dat eens wat ze als „ik” en als „zelf” voelt leven en ademen en denken, uit de wereld verdwenen, en in een graf geborgen zal liggen.... maar nu weet ze het.... nu is haar heele wezen niets dan alleen dat weten.... binnen in zich voelt ze een vreemd, licht dreunen.... omdat haar hart bijna stilstaat en alleen nog maar trilt.... het kruipt langs haar slapen.... een kilte breekt haar voorhoofd uit. Leeft ze nog wel... en zou het zoo zijn.... is het dit.... Ze legt haar hand op haar hart en voelt het als van heel diep bonzen.... dat zal dan niet meer zoo zijn.... ze knijpt, het doet pijn.... maar dan.... kan dat dan, kan dat dan.... dat je eenmaal geen pijn meer voelen zult? Eenmaal.... eenmaal.... „Eenmaal zal het zwarte zand....” Je vindt het in je boek.... en je leest het.... en je hoort het anderen lezen.... en het doet wel even iets in je bewegen.... maar niet diep en niet bang en niet echt.... want je begrijpt het niet.... O, iedereen spreekt erover, en iedereen denkt dat hij het weet.... en niemand weet het.... en ook zij-zelf heeft het nooit voor in dit oogenblik geweten. „Eenmaal zal het zwarte zand.” „Eenmaal zal het zwarte zand....” het is al niet meer hetzelfde.... het is er nu al niet meer.... de pijl viel uit de roos.... en het zware dat op haar hart zat, dicht en stil.... wiekt enkel nog maar op schemerige, grijze vlerken om haar heen....
„Eenmaal zal het zwarte zand, als de nacht ons dekken....” Ze denkt het.... en nog eens en weer opnieuw, ze sluit de oogen en laat het haar lippen langzaam prevelen.... want dat vervaarlijk-gruwelijke, maar ook zoo geweldig-wonderbaarlijke zou ze nog eenmaal willen voelen.... maar het komt niet terug. Het komt niet, als je roept... het komt.... zou het ooit in haar weer komen? Zal ooit de pijl die roos van haarzelf weer raken, zal ooit dat dichte, zwarte haar hart weer omvatten.... zal ze ooit weer wezenlijk weten, dat ze eenmaal in een graf geborgen liggen zal? Misschien in jaren niet meer, misschien haar leven lang niet meer.... en is dit niet het wonderlijkst van al dat wonderlijk is: je moest het eigenlijk geen oogenblik van je af kunnen zetten, omdat het zoo nijpend-gruwelijk is, omdat het zoo zeker eenmaal gebeurt.... het moest je eigenlijk aanhoudend kwellen.... je moest het nooit vergeten.... en in plaats daarvan.... je begrijpt het niet eens.... en je hebt de grootste moeite eraan te denken en het ook maar één oogenblik wezenlijk te weten!
OP SCHAATSEN
Moeder heeft permissie gegeven, Vader mag op het ijs. Als je dat nu aan vreemden vertelt, die denken zeker: Moeder is over Vader de baas. Maar natuurlijk niet. Of ze denken, dat Vader wel graag wil, maar niet kan schaatsenrijden. Evenmin, want Vader reed immers in zijn jonge jaren de grootste tochten mee! De waarheid is deze: Moeder is bang. Voor ijs, voor water, voor lucifers, voor alles is Moeder bang. Ook voor kinderdieven en voor moordenaars. Alleen voor onweer niet. En vóór hun trouwen heeft Vader moeten beloven, in zijn leven nooit meer te zullen schaatsenrijden. Al die jaren hield Vader woord, dat spreekt vanzelf.... maar nu is er een wonder over de wereld gekomen, waar alle kranten vol van staan, waar alle menschen over spreken.... het vriest al meer dan zes weken aan één stuk door. En iedereen wist wel dat zulke winters bestonden—er is zelfs een leeslesje dat heet „Een ouderwetsche winter” en dat eindigt „Men at Paasch-eieren op het ijs”—maar niemand geloofde dat ze ooit nog zouden komen. Het leek zoo iets als bijvoorbeeld de plagen van Egypte. Het vriest wel eens een week.... de dooi valt in, duurt ook een week.... het vriest weer op, het dooit opnieuw.... zoo ga je dan den winter door. Maar ditmaal! De menschen snuffelen in oude kranten, ze lezen er oude boeken op na en wat vinden ze....? deze winter is de hardste, de langste, de koudste van allemaal. Moeder zegt: als jullie het later je kinderen vertelt ze zullen het nooit willen gelooven: er is een kermis op het ijs.... een draaimolen, een poffertjes-kraam en een met koek. Paard-en-wagen draven dwars er over, ze hebben gewoon de bruggen niet meer noodig, ze rijden van West naar Oost tusschen de bruggen door en de bruggen liggen voor mal, de menschen glijden onder ze door en ze leunen tegen de pijlers aan, om uit te rusten of hun neus te snuiten, precies waar anders het water zoo woelig en zoo griezelig onder de groote zwarte schaduwen ligt! Je moet maar niet meer vragen hoe dik of het ijs is, liever hoeveel water er nog staat; als een put en zoo donker ook, was het gat, waaruit de visscherlui de spieringen naar de hoogte haalden, bij tienen, bij honderden—wat raken ze ook niet benauwd in dat dunne laagje water onder dien geweldigen ijsvloer opgesloten en snakken naar adem en kwamen allemaal op die ééne opening af—diep als een put was het gat en de uitgehakte blokken stonden er omheen, als de Hunnen-bedden op de plaat in school, schier zoo hoog als je-zelf! Want ze stonden er bij en ze keken ernaar en ze zagen de zilveren spieringen spartelen aan de lange lijn, die kwam uit de diepe put en met hen stonden er heel veel anderen om heen. Anders in den winter hoor je vragen of je vraagt het zelf, ’s morgens en ’s avonds „vriest het nog?” of „dooit het al?” al naar wat je het liefste zoudt willen, niemand neemt nu meer die woorden in den mond, je weet al niet beter of het hoort zoo. Eenmaal zal het natuurlijk wel weer gaan dooien, over maanden.... je bent benieuwd, wanneer! Vader mag nu ook op het ijs, maar Moeders permissie was daarvoor niet voldoende, want een gelofte is ook iets van je-zelf en daarom heeft Vader twee centen aan een arm mensch gegeven en nu is het in orde en kan Vader gaan. Hun was nooit iets verboden, maar ze hadden geen schaatsen en begeerden ze ook niet. Schaatsenrijden is een van die dingen, waarnaar je niet kunt verlangen, voor dat je ze hebt, omdat je niet kunt weten hoe het is, voor je het hebt gedaan.
Bij Bot heeft Vader de schaatsen gekocht en het zijn beste, en Vader heeft er verstand van. Echte rijders rijden óók liefst op oude, echte rijders gebruiken óók gewone touwtjes, Vader zal het toch zeker wel weten! En al had je de stijfst gesnoerde riemen, wie pas begint, verliest toch elken keer een schaats—, bij echte rijders bungelen de schaatsen zoo los, dat zij ze uitschoppen kunnen—, nu, je mag vader gerust gelooven.
Verleden week Woensdag-middag zette Vader ze op de sloot en nu weten ze al hoe heerlijk het is, hoe los en luchtig je je-zelf op schaatsen voelt en hoe je ooren en wangen gaan gloeien, zoodat de wind, dien je rijdende vangt—een scherpe wind zeggen de kniezers—een heerlijke verkoeling geeft. En je staat rechtop, je borst vooruit, je voeten naast elkaar en je glijdt en je glist en je zwenkt tusschen anderen door en soms val je ook wel, maar je moet zoo weinig mogelijk glijden, zegt vader, echte rijders breken den slag niet af, glijden is kinderwerk, en je staat in de sloot zoo grappig laag, als was je weggezakt in de diepte tusschen de huisjes en groentetuintjes eerst, midden in het witte land daarna.... de molens steken er stram boven uit alsof ze zelf bevroren waren. Maar zit niet te lang op den kant, hoe prettig je rust, hoe prettig je zoo uitrustend samen kunt praten over de dingen dichtbij en over de kraaien, de sneeuw, de dorpen verder-op.... zit niet te lang, want de warmte waait van je af en je wordt zoo stijf als iets. Van Vrijdag-middag af was het over Sjabbos heen gedaan; je begrijpt wel niet goed waarom, want je noemt het rijden, maar je kan het ook loopen noemen.... afgeloopen.... het is nu eenmaal „megalle Sjabbos” en dan helpt er geen praten aan. Zouden in Duitschland de menschen op Sjabbos mogen schaatsenrijden, omdat het daar „loopen” heet? Nu is het Zondag en ze hebben vrij van het Joodsche School en rijden al van vanmorgen op een van de verste slootjes, wel ver van huis maar het ijs is er zoo mooi en heerlijk dat het gaat—zou wel iemand raden die ze zoo zweven ziet dat ze het nog geen week geleden leerden?
Jammer alleen dat er in het later worden algedurig meer groote Zondagsche jongens komen. Een bluf! Een schreeuwen.... een bereddering.... een ruwe drukte.... en een vaart dat ze hebben, en schrille geluiden dat ze met de ijzers maken en een ruimte noodig, liefst zeker de heele sloot.... Zeg maar niemendal, of ze gaan nog schelden en treiteren je weg, wijk maar tijdig uit, want ze rijden je van de schaats, ze vegen je gewoon uit den weg, pas op, of je ligt meteen tegen den kant. Komen ze je achter op.... zóó zijn ze nog aan het andere eind, zóó hoor je het grille krassen en joelend oe-oe-en vlak achter je, en je voelt het met je heele rug, als stompen in je lenden en je bent ineens heelemaal beverig en bangelijk en wiebelig en wankelig.... het ijs lijkt veel gladder en je kunt er niets meer van. Hoor nu.... hoor ze nu brullen, de branieschoppers, die achterste met zijn bruine broek is de grootste pestkop van allemaal, die slaat opzettelijk beenen en armen om zich heen in de gekste bochten om je bang te maken.... ai.... daar glijden zijn beenen onder hem vandaan, schieten naar voren.... en daar smakt hij tegen het ijs en daar ligt hij, hoog in de lucht vliegen zijn schaatsen op, je ziet de ijzers blinken, nu vallen ze terug, en alles dreunt. Lekker.... lekker.... lekker.... was hij meteen maar doodgevallen.... Zijn kameraden reden eerst door, schreeuwden alleen achterom, maar nu hij liggen blijft, komen ze terug, staan om hem heen.... o God, hij is toch niet werkelijk dood? Komt dan zijn bloed op hun hoofd, omdat zij het een oogenblik wenschten? Wel neen, vooruit, hij leeft alweer!
Hè.... kan nog iemand anders zoo als Vader in de handen klappen? Net zoo doordringend en precies op dezelfde manier.... langzaam, klap voor klap, vol duidelijke bedoeling, als een roepende stem, maar luider dan een stem en verder reikend? Zoo klapt Vader ’s avonds als ze binnen moeten komen en ze hooren het de heele buurt over waar ze ook spelen en wachten geen oogenblik en zetten het op een loopen naar huis. En kan nu een ander ook al zoo klappen.... en wie wordt er geroepen, wie bedoeld.... niemand geeft antwoord, niemand bindt af of rijdt naar den kant.... ze kijken om.... maar het is ook heelemaal niet een ander, het is Vader zelf, daar staat Vader op den kant! Zou Vader er al lang staan en ze hebben zien rijden en hoe goed ze het al doen?
„Hebt u ons zien rijden? En moeten we nu al naar huis? Is het al etenstijd?”
Thuis, in de kamer, één ding alleen dat ze dadelijk zien, en waarop hun oogen gevestigd blijven, als was de kamer overigens leeg: tegen het kastje geleund, een hooge, dikke stok, met een paar geweldig groote schaatsen er aan, schaatsen met riemen en gespen. Van wie hooren die? Waarom kijkt moeder zoo raar.... is het Jantje-lacht of is het Jantje-huilt? Wat Vader? Wat Moeder....? Zeg het ons gauw. De kamer staat plotseling vol met iets.... een plan.... de klok tikt verwachting.
„Denken jullie dat je wel op schaatsen naar mijnheer Krant zou kunnen komen?”
„Naar mijnheer Krant? En mijnheer Krant olewesjolem is dood. En als hij leefde.... wat zou er dan aan zijn? Een eindje van niemendal....
„Mijnheer Krant olewesjolem heeft Joël geheeten—, maar Vader bedoelt Emanuel Krant, zijn oudste broer.” Die vroeger ook hier heeft gewoond? Die gedroogde pruimen en fruit en olijven en zoute visch verkoopt? Die zijn heele pakhuis vol amandelen en zijn heelen zolder vol appels heeft? Maar die woont hier nu toch al lang niet meer. Die woont toch veel te ver.... daar kom je met de boot of met het spoor. Daarheen op schaatsen? Zij met hun beidjes? Vader meent het niet! Ligt zelfs wel tot zoover het water dicht? O ja, het water ligt overal dicht, door het heele land. Meren, rivieren, plassen, ringvaarten, de zee.... er is nergens een druppel water meer te bekennen.... en overal is het ijs even sterk. Neen, aan het ijs ligt het niet—, als zij maar kunnen en maar durven.
Het is om je aan de tafel vast te houden. Hoe vinden ze den weg....? O.... o, gaat vader mee, gaat vader met hen? Aan den stok....? Wanneer? Vandaag? Nu? Dadelijk? Na het eten? Na het brood-eten. O, eten we niet warm? Zeker voor moeder gemakkelijker, en niets erg, aan warm eten verlies je op Zondag niet veel, valt toch na het Sjabbos-eten altijd af. Dus... dus vandaag nog komen we in het dorp en in het huis van Emanuel Krant.... Maar vanavond in donker.... want er is geen maan? We gaan met den trein terug.... en van dien kant af heb jullie nog nooit in den trein gezeten. Neen, want als we gingen, was het met de boot. Maar er varen al zes weken geen booten meer....
Glijden is kinderwerk.... maar daar dadelijk onder de brug door, dan mag het, dan kan het niet anders en voorbij de brug is de ijskermis uit en zijn er ineens geen witte tentjes met vlaggetjes meer en geen banken in stroo om aan te binden en geen dwarsbaantjes, waarover de kinderen uit de glooiende sneeuwen tuinen komen naar de groote baan, naar het ruw gereden plein tusschen de kraampjes in. De brug voorbij loopt één breede, wit-grijze streep over het zwart-grijze ijs, dat naar weerszijden zich tot de kale, onbewoonde oevers breidt, die streep wordt naar de verte scherper en smaller en gaat eindelijk de bocht om verloren. Glijden is kinderwerk.... maar wat zullen ze aanstonds hun knieën voelen. Groot en donker en gebogen gaat Vader voor ze uit en zij-zelf met hun-beitjes achteraan.... ruimte aan den stok was er nog wel voor zes, ze zullen niet licht in elkanders schaatsen slaan, toch altijd voorzichtig zijn. Vader voelt het dadelijk als ze haspelen en den slag verliezen, dan telt Vader een-twee, een-twee, tot het krassen weer gelijkmatig gaat. Dat voel je, maar wil je het hooren, dan moet je je spitsen, zooveel geluiden.... een echte kermis, je vergeet den winter, je vergeet het ijs. Orgels, oliebollen, papieren rozen, schietgeweertjes en kijk.... kijk, daar verderop de hunnebedden van ijsblokken, met de visscherlui er omheen gebogen en mannen en jongens die mee in de gaten kijken, om elken put een donkere zwerm die glijdende wriemelt en telkens maakt zich een los en rijdt weg.... dat is dan ineens precies of je een kikker ziet zwemmen.... is het niet vader, dat een kikker eigenlijk net doet met zijn achterpooten of hij schaatsen rijdt?
Wat een overgang, vóór de brug en er achter. Hier is de ijskermis uit, hier wijken de huizen van den oever af, en weldra zijn er geen huizen meer, breiden zich links en rechts de sneeuwen landen. Ver, voor ze uit, achter wolken als over de breedte toegevouwen dunne dekens hangt de zon in den hemel paarsig te kleumen.
Neen, nu hoeven ze zich niet meer te spitsen, om hun schaatsen te hooren krauwen, maar zoo eenzaam als het leek na de glijdende kermisvolte achter ze rijden ze op de grijzig-witte baan toch niet. Menschen komen ze krassend achterop, hoor, hoe ze zich reppen, halen ze in, suizen ze voorbij, menschen komen ze door de bocht tegemoet.... en nu ligt de gasfabriek alweer achter ze.... naakt, grauw, vol droefgeestige schaduw het groote zwarte plein dat tusschen de zwarte gebouwen naar het water glooit.... en daar komen de pakhuizen aan. Ze staan aan den rand van den bevroren stroom, en hun groene luiken zijn dicht en hun zwart brandt in de witte sneeuw, die achter ze breidt en waaruit de lichtere molens steken, molens en pakhuizen in winterslaap.... En daar heb je het afgelegen, eenzame heerenhuis, zwaar ommuurd, in een boomenkrans, en uit een der bovenramen gloort een roodgouden lamp—, het is als een huis uit een verhaal, maar wat kom je op schaatsen toch gauw uit den weg!
Boem.... als Vaders rug niet zoo stevig was.... als vader minder vast op de beenen stond, dan lagen ze nu alle drie plat op het ijs. Is er iets met je schaats of lag er iets op het ijs? Vader heeft het al gezien, zijn hakkebandje knapte midden-door, en ineens stond zijn schaats dwars onder zijn voet. Neem hem dan nu maar af en houd je been in de hoogte en daar bij dat schip is de wal nogal plat en dan maken we je schaats weer in orde. Maar hoe kan dat, vader, hoe komen we over dat hobbelige, knobbelige zwarte, over dat vreeselijk breede naar dat schip? Houdt het ons daar wel, vader, is het daar wel sterk genoeg? Vader heeft gelijk. Het is precies hetzelfde ijs, maar toch, die witgereden baan vol blinkende krassen en waar menschen rijden, heen en terug, lijkt een veilige weg.... op dit hobbelige, diep-donkere voel je plotseling dat je boven op water staat, dat koud en duister onder je is en waarin je verloren gaat, als het ijs onder je voeten het begeeft. Want vader is vlakbij en zou je toch niet kunnen redden, je schiet eronder weg.... Ja, maar het breekt niet, kijk, want wat zitten die witte dubbeltjes en kwartjes niet diep en daaronder is nog weer ijs en denk eens aan de „hunnebedden.” Hier zouden ze toch ook wel spiering kunnen vangen, hier toch ook zou een bijt lijken op een diepen put. Vader heeft gelijk.... maar je buik wil niet mee.... die houdt je krimpend en krampend terug en in je leden zit geen lenigheid meer, stokstijf als staken steken armen en beenen en je voeten stokken en het ijs is glad en stroef tegelijk en elken keer schiet je bovenlijf naar voren, je beenen geven niet mee, en het scheelt maar een haar.... o bah, wat is dat akelig! En vader rijdt er maar over heen, en vaders schaatsen ribbelen, of het niets is.
Het bruine schip ligt stijf ingevroren tusschen het grauwe, doode, kortgesneden riet, nooit in je leven kan je zoo dicht bij een schip, de bruine buik steekt vooruit in het sneeuwig oever-ijs, de bruine zijden loopen naar onder te zamen, een schuin dak, schaduwend over een vloertje van donker, hard, glad-spiegelend ijs, je zou eronder kunnen kruipen. Maar liever niet, ze staat er liever naast en houdt haar hand om den rand. Wat ligt het stil, en als dood, het bruine schip, en heel en al verlaten en vader denkt, ook zeker leeggehaald, alles dat niet nagelvast aan dek zat tot zelfs de mast werd weggenomen. Het schippersgezin is nu ergens aan wal onder dak, bij familie, in een warm huis.... en het schip lieten ze eenzaam achter in ijs en sneeuw en hier ligt het nu, verlaten, o arm schip.... Ze knijpt haar hand om den rand en moet gauw even met haar mouw langs haar oogen vegen. Klaar.... en knelt hij nu niet.... zit hij nog wel zoo goed als daareven?
Nu kijk je maar niet links en niet rechts, en gaat je neus achterna tot de witte baan terug.... ziezoo.... ja, nu moeten de beenen weer eventjes wennen, weer los-gereden worden. Ze rijden al weer los.... het loopt wel los.... hoe grappig.... bedoelen de menschen dat? Ver weg al achter ze het schip.... het eenzame schip, dag schip!