Part 11
Het was een tafeltje vol bonte vaasjes, gekleurde popjes, blauw en rose porceleinen beestjes, waar nu alleen het lichtje staat, een lang goud peertje recht op kleine steel omhoog en bloot in het witte kamerlicht, op het tafeltje wit-gedekt en verder leeg en onder zijn portret. Haar oogen gaan door de kamer dolen.... en sporen de vaasjes, beeldjes, porceleinen beestjes op.... ze zoeken elk en vinden ze een voor een, elk op een vreemde plek. Zullen ze, als het Owel-jaar voorbij is, weer op hun oude woonplaats bij elkander komen?
Het is een stille, bleeke Jomtof hier.... geen warme lekkere etenslucht, geen koek of drank, geen spat, geen kruimel op het witte kleed, niets dan het zwarte magser, waaruit ze las.... misschien is er den heelen dag nog niemand geweest! En toch voel je den Jomtof wel en duidelijk zelfs.... en juffrouw Krant draagt al is ze alleen, haar mooie zijden japon, met de lange kanten over haar witte handen, met het goudbewerkte plooisel om den hals, en onderuit haar glanzende beste bandeau hangen haar prachtige bellen en haar witte zakdoek ligt tusschen haar handen in haar schoot. Ze zit bij de tafel en ze praten—zoo hoort het ook, niet dadelijk presenteeren!—ze heeft eerst naar Moeder gevraagd en toen moesten ze opstaan en zich omkeeren om hun nieuwe goed te laten zien en ze moesten vertellen of ze allebei met Vader vanmorgen sjoel zijn geweest en of ze op joum-kippoer vasten zullen.... en nu zitten ze stil en zeggen eventjes niets.... en nu gaat ze zeker dadelijk naar de kast. Ze zitten een heel eind hooger dan de straat, dat is alleen maar hier.... ze zien de boveneinden van de huizen in het witte licht, ze zien op de schuiten die over het water komen, en alles lijkt anders dan als je beneden bent.... zoo veranderen altijd de dingen naar waar je staat en nooit raak je aan de wereld uitgekeken.
Ruischend komt juffrouw Krant overeind uit haar stoel, maar blijft nog staan. „En wie zijn er alzoo vanmorgen opgeroepen?”
Vader! Vader ook....! En dat is waar, en wat heerlijk is dat om te mogen zeggen: „Vader heeft aan u ook een miesjebeirag gemaakt en....”
Ze zeiden het gelijk en hielden dan gelijk hun stemmen in en slikken allebei en kijken elkander aan.... hij is een jongen, hij moet het verdere maar zeggen! „En Vader heeft ook aan uw man een maskar-nesjomme gemaakt.” Ze tilt den grooten, witten zakdoek naar haar oogen.... ze zit met den rug naar het portret en het tafeltje toe, maar zij precies er tegenover.... en hij kijkt uit den zwarten, ovalen rand, met groote oogen kijkt hij de kamer in, hij kijkt over het lichtje, hij kijkt op het lichtje neer, hij kijkt naar alle kanten tegelijk.... het gouden peertje rilde en stond weer stil.... het leek alsof er iemand tegen ademde.... ze keert maar gauw haar hoofd af naar het raam.
„En wil jullie Vader bedanken?”
Ja, zeker....! Ze gaat naar de muur-kast achter-in de kamer en zij met hun oogen gaan mee, eerst streek ze even door den spiegel heen, de sleutel knapte, de grijze deur sprong uit den grijzen wand, oranje gloeit de kamer in, hun oogen in—, de volle schaal komt op het witte kleed te staan, de bolle vruchten rollen, log van het sap, en trekken vurige strepen over het wit. Nog gaat de kast niet dicht—, ze neemt er koekjes uit en suikers vol likeur.... ze heeft van alles voor den Jomtof in-gekocht, maar dit jaar niets gebakken....
Wat ze doen komen? Wat hun boodschap is? Ze komen niets doen, ze hebben geen boodschap, het is toch Jomtof. Van het lage breede tuinpad tusschen schaduwgroen kijken ze naar de hoogte waar het meisje staat, recht en dun, in wit en zwart, de glimmende schoentjes naast elkander op den bovensten blauwen rand; precies midden in het vierkant staat ze en rond en boven haar de deftigheid van het huis en achter haar het lange breede open van de gang, tot aan de groene schijnselen uit den tuin. Ze zijn beteuterd, willen eigenlijk maar weer weg, want dit is ze nog nooit overkomen. Dat ergens op Jomtof gevraagd wordt, wat je doen komt en wat je boodschap is.... Overal waar je komt.... de deur gaat open en je bent al in huis.... je bent al in de kamer en je wenscht nog veel jaren en je ruikt den jomtof, je voelt den jomtof.... en niemand die je vraagt wat je komt doen en wat je boodschap is, want de Christen-dienstmeisjes die bij Joden wonen, weten het immers net zoo goed....
Ze draaien dralend voor den hoogen stoep, op het tuinpad, tusschen het schaduw-groen.... ze komen een visite maken.... Vader heeft het gezegd.... maar ze durven dat niet het meisje overbrengen. Aan weerszij van de deur zijn ramen, boven ook, een heele rij, voor allemaal dezelfde gordijnen, en allemaal dicht en allemaal stil.... geen bewijs van leven, geen bewijs van Jomtof wordt je gewaar.... maar plotseling kijkt een groot en streng gezicht vlakbij ze aan, dat sprong ineens uit den muur, dat steekt uit het huis, in een gouden lijst achter helder glas, naast het linksche raam steekt het uit.... en ze staan nog stijf in hun schrik, dan is het al weg, het water-heldere glas weer leeg in de ronde, gouden lijst, het is een spionnetje....
Het meisje praatte achter zich terug de groendoorschijnselde leegte in, ze moeten binnenkomen. Ze zien hetzelfde groote, strenge gezicht, het staat nu boven op een blauw-satijnen japon en wacht in een open kamerdeur, het is een vreemde dame, het is mevrouw Israëls niet.... ze laat ze langs zich in de kamer gaan, ze perst de rollen van haar onderkinnen op haar kraag, om op ze neer te zien.... maar juffrouw Krant heeft juist gezegd dat ze zoo netjes zijn! Ze kennen mevrouw Israëls bijna niet en vinden haar niet lief, maar nu ze haar achter in de kamer zitten zien aan het verste raam, ontloopen ze vlug de blauw-satijnen dame en gaan naar haar toe en geven haar een hand, en willen ook nog-veel-jaren wenschen, maar er kwam geen geluid uit hun monden vandaan. Meer menschen zitten in de kamer, ze keeren zich naar een hoek waar ze ritselen hoorden, ze gaan op de groote witte kranten af en blijven staan en wachten tot de gezichten erboven komen en geven dan den heer en de dame een hand—, het „nog-veel-jaren” denken ze erbij, want ze durven geen geluid meer geven, want niemand spreekt een woord, alleen de blauw-satijnen dame met mevrouw, maar wat ze zeggen kun je niet verstaan. Een heer ligt op de canapé, ze willen naar hem toe gaan, maar hij slaapt.... er vloog een sst.... zoo scherp en boos, als hadden ze kwaad in het zin, ze schrikken ervan en schamen zich en voelen hun ooren gloeien. Ze zitten, op twee mooie blauwfluweelen stoelen naast elkaar, ze zitten een heel eind van de ronde, witte tafel af,—je ziet geen pooten, zoo laag hangt het kleed—ze zitten een heel eind boven den grond en moeten de beenen bengelen laten. Haar eene schoen sloeg even tegen de sport, die is in glanzende figuren prachtig uitgesneden, die lijkt op het duurst taai-taai.... de blauw-satijnen dame hoorde het en kuchte en keek haar aan, nu houdt ze de beenen stijf bijeen en voor zich uit en durft zich niet bewegen. De kamer breidt zich groot en schemerig om ze uit en het lijkt hier veel later dan buiten. Een spiegelkast glimt als uit de diepten op maar is dichtbij, de schilderijen blikkeren, verder weg. Ze zouden graag eens rond-zien, maar het geeft geen pas. Ze voelen stijf en zwaar de stoelen onder zich—dat zal wat zijn om die aan kant te zetten, zooals toch moet—ze voelen geen leuning en ze voelen geen grond, ze zouden net zoo goed hoog boven de aarde in een leege ruimte getild kunnen zitten, maar niet eraan denken of je zou duizelig worden, ze zitten stijf en ze kijken stijf voor zich uit en ze voelen hun gezichten gloeien en hun voeten koud. Kijk.... midden op tafel.... midden in het wit.... een stukje van een regenboog, rood en purper, oranje en groen.... en kijk..... daar nog een.... en daar nog een.... en een heeleboel! Waar komen die vandaan.... wie strooide over de tafel stukjes regenboog? Ze ziet het al.... ze vallen uit de kroon.... die aan de lage zoldering boven tafel hangt.... de zware kroon van groote, wonderprachtige kristallen, ze hoeft zich bijna niet te roeren, alleen onmerkbaar maar haar hoofd, en vat hem heel-en-al in het oog.... één zware vracht... één massa glans en blikkering van zilver, zwart en kleuren-fonkeling.... van snoeren door elkaar en pijlen, schijven, punten, pegels allerhelderst ijs. Het is de Licht-Kroon.... als je die nu ’s avonds eens mocht zien.... Wat zijn ze rijk.... wat moeten er kisten vol met geld staan, hier in huis!
Wat vroeg mevrouw? Hoe laat of Moeder ze thuis verwacht.... hoe laat ze eten moeten? Ze hoeven niet meer te eten, het is al na-den-eten, en het hindert niet precies hoe laat ze komen, als ze maar voor zessen binnen zijn. Dan is toch het nog volop licht.... Ze kijken elkaar aan. Er was toch niet iets geks in wat ze zeiden? Wel neen, de heer en dame met de kranten zullen om wat anders zachtjes lachen! Hun gezichten worden toch nog warmer, hun ooren tintelen.... je kunt het niet zeker weten! Het is weer stil.... het is in de kamer tenminste stil.... maar niet in het heele huis. Daareven, toen ze spraken met mevrouw, hoorden ze boven zware stappen dompen, de lichtkroon rilde en tinkte zacht.... nu hangt de lichtkroon stil.... en zijn de stappen stil.... maar dof en donker mompelen vangt aan en breidt zich uit en vult het huis.... en krimpt weer in en keert als tot zichzelf terug.... Daar boven zit iemand.... en die „oort”.... of die zegt tillem.... of leest zijn magser of den Talmoed overluid.... en wat een buitengewoon vroom mensch moet hij zijn, die dat thuis doet op Jomtof, die dat doet buiten de drie keeren Sjoel.... En die buitengewoon-vrome man, dat is mijnheer Israëls, want ze kennen zijn stem! Er zijn wel vrome menschen in de kille, maar zoo geen een.... op jomtof, en alleen!
Waar kwam die luide gaap vandaan? Het kraakte.... er wentelde iets zwaars.... de heer op de canapé wordt wakker.... hij komt overeind.... hij zit overeind.... voorover en zijn handen hangen tusschen zijn knieën af.... hij smakt of hij dorst heeft en kijkt naar hen. Ze hebben hem niet „nog-veel-jaren” gewenscht.... moeten ze eigenlijk niet opstaan? Hij is al zelf overeind.... hij komt naar hen.... maar neen, hij gaat naar het raam.... en neemt de blauw satijnen dame mee.... ze staan bij de spiegelkast... en zijn stem bromt als een bij.... en hij haalt de schouders op. Het is weer stil.... je hoort alleen mijnheer Israëls „ooren”.... het zwelt weer aan en vult het huis en krimpt weer in.... er blijft toch wat van in de kamer hangen. De dame is bij de spiegelkast gebleven, de heer ging naar mevrouw Israëls en wijst haar iets door het raam.... er flitste een bliksem, dat was de spiegeldeur, een diepte opent zich vol wit en zilver, glas en porcelein, ze kiest eruit en tilt het weg en zet het over het donker tusschen kast en tafel op het witte kleed.... de blauw satijnen arm tast in de kast en keert.... een blaadje, glazen, karaffen, zilveren trommels.... Ze kijken toe, hun hoofden gloeien boven de stijften van hun beenen en hun lijf, zij durft de sporten van haar stoel niet met de hakken raken, ze voelt zich zitten op het stroef fluweel, als zat ze eraan geplakt, als kon ze niet meer los—dat maakt haar heelemaal ineens benauwd.
De blauw-satijnen dame grijpt de karaffen om hun hals en vraagt aan ieder wat hij wil, maar niet aan hen, dat moet ook niet, het is ook wijn en drank, de jongere dame prensenteert en zet voor hen op schoteltjes voor elk twee schuimpjes neer. Ze kijken ernaar, maar ze zitten te ver van tafel af, ze zouden moeten opstaan om erbij te komen, ze zouden ze ook niet durven eten.... met schuimpjes kruimel je zoo licht. Ze zijn allemaal dichter om de tafel gekomen.... en de tafel staat vol.... is het nu Jomtof.... voel je nu Jomtof? Neen.... het is evenmin Jomtof als toen de tafel leeg was, de eene heer sliep, de anderen kranten lazen. Het is zeker familie, die over Jomtof kwam.... lijken ze op elkaar.... wel neen, maar ja, toch wel.... Van de blauwe dame zie je aldoor haar hoofd apart.... dat komt omdat je het zoo zag apart in het spion. De vierkante zilveren trommel werd op een stukje regenboog gezet.... waar is dat nu....? Hoe grappig.... hoe vreemd.... het zit nu boven op de trommel.... een beetje verbogen.... een beetje vervloeid.... en toch hetzelfde stukje regenboog.... En de andere.... waar zijn de andere? Die vind je op de gekste plekken van het zilver en het glas!
Zou mijnheer Israëls-zelf niet komen, gaat niemand hem roepen? Neen, iedereen zit en het „ooren” gaat door.... het zwelt en vult het huis, het daalt en komt weer tot zichzelf terug, maar gaat toch door het praten heen en boven het praten uit....
Gelukkig.... ze kwamen zonder tuimelen van hun stoel en op hun beenen. „We moeten nu naar huis....” Ze kijken naar de schuimpjes op de schoteltjes, door gaatjes in het gaaf zie je het brokkelig-zachte binnenin. Als iemand zei dat het mocht, konden ze ze best meenemen en buiten opeten. Maar niemand schijnt te zien dat ze er nog staan....
DE RIJKDOM VAN MIJNHEER ISRAËLS
Vandaag is juffrouw Content er weer. Ze zijn opzettelijk een anderen weg naar het Joodsche school gegaan om haar van de boot te zien komen en daarna de prettige zekerheid mee te dragen dat ze haar om twaalf uur thuis zullen zien zitten, aan de tafel vol knipsels met haar borst vol spelden gestoken.... Andere Zondagochtenden mijden ze dien weg, hij loopt tusschen de twee groote kerken in en is op dat uur vol menschen. Die zien eruit als waren ze zoo uit doozen gepakt en daarna in hun geheel nog eens afgestoft.... ook de helderste zon toont hun gezichten en kleeren en hoeden en schoenen zonder smet en hun boek glanst onder hun stijven arm en de meeste menschen hebben als ze zoo naar de kerk gaan, onpleizierige gezichten. Hun eigen daagsche goed voelen ze in die Zondagsche zon en onder die scherpe oogen schooierig—, Moeder zou ze ’s Zondags ook wel wat netter laten gaan, maar Vader wil het niet hebben en daarom gebeurt het natuurlijk ook niet, Vader zegt: kleeden zij zich voor onzen Sjabbos beter? Vader heeft gelijk, maar prettig is het niet en ze loopen maar liever naar het Joodsche school achterom, daar is het dan nog zoo stil, als woonden er geen menschen....
Ze hebben juffrouw Content van de boot zien komen, ze wuifde uit de schaduw van achter de sluis, daar stond ze, omdat ze moest wachten, daar stond ze een beetje in de hoogte, klein en smal en oud met haar kleine, lachende, oude gezicht en onder haar arm klemde ze een dik, bruin pak tegen zich aan. Ze konden niet op haar wachten.... er gleden nog zooveel hooge bruine zeilen in een rij achter de eerste aan, het ging maar langzaam voort, je zag ze nauwelijks vorderen en eer ze allemaal door zijn, gaat de sluis niet dicht.... Het hinderde ook niet.... ze wisten dat ze er was, en zijn toen gauw naar ’t Joodsche school gegaan, maar nog was ze de tijd ontloopen en ze hebben gehold dat ze er heelemaal bezweet van zijn....
Want het is overdag nog warm en de warmte lijkt zoo laat in den herfst haast zwaarder dan ’s zomers te wegen, Vader zegt: het komt van alle vocht. De dauw die je ’s morgens met vloeiende tintjes van een bijna-uitgewischten regenboog omhoog ziet dampen, blijft maar laag aan de aarde, die maakt de lucht zoo zwaar. Het schoollokaal is domp en vochtig, hoe buiten het weer ook mag zijn, het is aan den schaduwkant tegen de sjoel gebouwd en ruikt het heele jaar door naar turf en oude boeken.
Het speeluur rekt zich lang en loom, omdat mijnheer Prijs vandaag weer hoofdpijn heeft, ze liggen met hun drieën languit in het gras, zij-zelf, haar broertje en Elie Prijs, ze liggen in den hoek die de hooge, grijze muur van het fijne school tegen het lage afdak van den houtstapel maakt, ze liggen op hun buiken en hun armen, de hoofden naar elkaar toe, de voeten in de hoogte en als er een neerploft klinkt het dof, omdat de grond zoo vet en vochtig is: het afdak heeft een rand en als de regen voorbij is druppelt het lang nog na in dien hoek.... daardoor komt het, dat het gras er het hoogst is, het krachtigst ruikt en dat er zooveel bloemen tusschen staan. De jongens praten, ze rukken grasjes dat het knapt, ze praten over de les van het laatste uur, ze vinden Simson een grooten gammer zij zouden er zoo dom niet ingevlogen zijn.... Zij praat niet mee, ze plukt van elke soort een bloem en voegt ze tusschen duim en vinger tot een klein bouquet. Hoe elke bloem de kleur van de andere anders maakt, de kleur van het bouquet....! Het blauw van eereprijs, het rood van klaver, purperen wik.... ze neemt ze een voor een eruit.... bekijkt wat overblijft.... en voegt weer in.... en kijkt.... en ziet het telkens anders worden....
Het raadsel van Simson.... hoe het was? Ze spraken dus vlak naast haar door.... en even luid als straks.... en ze verstond geen woord.... als was ze weggegaan zóó heelemaal niemendal.... wat is dat vreemd... en ze zou haar verwondering wel willen houden.... maar de vraag. Was het niet iets van bijen en een leeuw, van kracht en zoetigheid? Ze lachen allebei.... ja, zóóveel wisten ze ook.... maar hoe precies.... hoe vroeg hij het precies? Ja.... hoe precies....? Maar ze praten weer samen en laten haar los.... Nu weet ze wat, nu zal ze iets moois gaan maken.... een bloemtuil zooals je ze in de tuinen ziet, in groote steenen of kurken manden, waar midden-uit de groene, gladde sprieten over de bloemen heen in hooge bogen hangen.... Ze plukt het allereerst laag aan den grond satijnig breede grasjes uit, ze voegt ze tot een bundeltje aaneen.... en hoe dat dadelijk lijkt.... naar alle zijden vallen ze in boogjes uit.... Die mooie roode klaver komt nu eerst, dat is een roos, en zelfs de blaadjes zijn als rozenloof.... de blauwe eereprijs verbeeldt de zoetig-riekende, waarvan ze den naam niet weet, de madelieven groeien tot margrieten.... een zilverigste graspluim.... is spirea.... de wik lijkt nergens op.... maar moet erbij, hij maakt de kleur zoo vol, zoo rijk, zoo echt.... hij is de eerste en eenige die ze ooit in het speelveld vonden.... met doovenetel vang je niet veel aan, de grove bladeren houden de bloemen schuil.... maar stil.... je knijpt ze voorzichtig, met je nagel, bij de stengel af.... de bloemen staan alleen en bloot en zijn heel anders en zelfs heel mooi en lijken op gekweekte leeuwenbekken.... Je kunt dat ook met hondsdraf doen. Het wordt toch mooi... het lijkt toch echt.... een palmblad van grasjes... bogend over mooie, groote bloemen heen.... als in een tuin.... De jongens zien het nu ook en vinden het mooi en willen het even in hun handen houden.... maar neen.... de grasjes zouden verschuiven en iedereen merken dat het geen palmspriet is....!
Wat is dat gek.... wat lijken nu plotseling de boomen reusachtig.... dat komt omdat ze gras als palmblad, klaver als roos, het kleine bouquetje als een rijke tuinversiering heeft gedacht! Wat lijken die boomen groot... en de muur gaat als een rechte hooge berg vlak voor je oogen op. Hoe laat het wel al wezen mag? Ze kijken naar het smalle, duistere raam in het donker-grauwe achter van het schoollokaal.... zou mijnheer Prijs in slaap gevallen zijn.... zou je vader slapen, Eli? Hij zal eens even gaan kijken. Boven het afdak heffen zich de kronen van de kastanjeboomen, die staan in rijen naast elkaar, ze zijn al geel, ze worden kaal, er vielen groote gaten in, daar schijnen de overhuizen en blauwe plekken hemel door.... voorbij het afdak zie je stam-en-al, het steegje uit, de straat vol zon. Een windje ritst weer bladeren af..... ze zinken zachtjes neer.... je hoort ze niet, nu liggen ze op de hoop, die al gevallen was. Je hoort gezang, zwaar door muziek omvat, het is nu duidelijk, dan weer flauw, de kerk is nog een tamelijk eind....
De les van Simson wordt niet overhoord, omdat mijnheer Prijs zoo’n hoofdpijn heeft, ze moeten er een opstel over maken. Heeft niet Simsons vader Manoach geheeten? Ze denkt er over na en laat haar griffel langs haar tanden ribbelen en denkt aan thuis en aan juffrouw Content, die nu bij de tafel zit te naaien. Het geeft een prettige volheid binnen-in, dat ze er is, want ze is aardig, maar verder ook, ze brengt iets met zich van het leven in de groote stad.... ze kent de liedjes van de groote stad en zingt ze met haar hooge stemmetje dat een beetje beeft.... En behalve dat is ze zelfs nog een heel klein beetje in de familie.... heel, heel ver, maar wat familie is, voelt toch een beetje eigen.... Vader wist het nog beter dan zij-zelf en toch komt ze alle jaren naaien bij Moeders twee oude tantes, tante Pinnie en tante Roos, die samen-wonen sinds Oom Lijzer en Oom Aaron gestorven zijn. Ze wonen in een onderhuis, en het is er altijd half donker, ze zitten tegenover elkaar en breien en spelen kien.... zoo zitten ze al jaren, in halfdonker, in een onderhuis, midden in de groote stad. Ze zijn deftig en lang niet arm, ze hebben allerlei dingen van porcelein en ze maken aanmerking als je krom zit....
Ze moet nu toch weer iets van Simson schrijven.... Delila knipt zijn haar en hij wordt weerloos aan de Filistijnen uitgeleverd.... gemeen, valsch mensch.... Dan hokt haar griffel weer.... ineens ziet ze het groote bruine pak.... straks, als ze thuis komt, is het papier eraf, er zou wel iets voor haar in kunnen wezen....
Dadelijk na het eten is het mansvolk weggegaan en ze zijn met hun drietjes in de kamer gebleven. Moeder heeft voor de gezelligheid maar dadelijk thee gezet, het klontjestrommeltje staat erbij.... Moeder stopt kousen, juffrouw Content naait en zij-zelf moet breien, zeven naadjes boven het groene wollen teekentje, dat moeder met de stopnaald in de kous heeft geduwd. Zoo glad en gelijk als moeder breien kan ze niet, probeert ze ook niet, maar lukt het eens vanzelf, dan is ze toch wel blij. Straks zal ze moeten passen, want wat uit het pak kwam was voor haar, een groene japon van tante Roos, die draagt nog wel eens kleur, maar tante Pinnie al jaren niets dan zwart. De gitten zijn eraf getornd, je ziet de slingerpaadjes donker over het verschoten goed, daar hebben ze gezeten en liggen nu zeker in een doos, ginds in het donkere onderhuis. Ze kan niet laten met den vinger eventjes zoo’n slingerpad te volgen.... Die leelijke moeten komen in de nieuwe jurk niet te zien, daar hoeft ze niet bang voor te zijn, zegt juffrouw Content, ze zal er mooie, zwarte tresjes over naaien! Ze was niet bang, ze dacht er niet aan, ze dacht aan de gitten en aan tante Roos en aan de doos in het onderhuis.
Juffrouw Content weet weer nieuwe liedjes ook! Eén heeft ze op een avondje gehoord, het is heel lang, maar ze onthield alleen het eerste couplet: