Chapter 1 of 12 · 3995 words · ~20 min read

Part 1

GEDENKSCHRIFTEN VAN DEN HEER YELLOWPLUSH, VOORHEEN BEDIENDE IN VELE AANZIENLIJKE HUIZEN.

UIT HET ENGELSCH VAN W. M. THACKERAY, (MICHAEL ANGELO TITMARSH.)

TE ARNHEM, BIJ IS. AN. NIJHOFF. 1848.

VOORBERIGT.

De twee volgende verhalen – het eerst uitgegeven in Engeland, zonder naam van den schrijver, in Frasers Magazine – werden later in Baudry’s uitgave van de Werken van Charles Dickens opgenomen. Dit gaf natuurlijk aanleiding, dat zij beschouwd werden als voortbrengselen van dien beroemden schrijver.

De inhoud en de vorm der verhalen veroorzaakte, dat het niet gemakkelijk was, de vergissing (?) van den Franschen uitgever te ontdekken, en daar de stijl geene vergelijking toeliet met de overige schriften van Dickens – beide verhalen, namelijk, zijn in het plat Engelsch geschreven – viel het des te moeijelijker, juiste uitspraak te doen. Om die reden werd door mij de beslissing van den heer Dickens zelven ingeroepen en deze luidde, „dat de twee verhalen inderdaad niet van hem waren, maar het werk van zijn vriend, den met roem bekenden schrijver Thackeray.” Ik heb dan ook niet geaarzeld, ze uit het Engelsch te vertalen – de stukken zelve komen mij, als proeven van echten humor, niet onbelangrijk voor, vooral het laatste en langere verhaal, waartoe het eerste als noodige inleiding moet beschouwd worden [1]. De naam van den schrijver zal ook zeker eene groote aanbeveling zijn: Thackeray is toch een der hoofdmedewerkers van Punch, de geestige schrijver van het Book of Snobs, het Irish Sketchbook, Vanity Fair, enz. – Ik geloof alzoo mij niet te vergissen, indien ik beweer een werkje vertaald te hebben, dat aan menigen Lezer zeer welkom zal zijn,

M. P. Lindo.

Arnhem, Julij 1848.

DE MAN VAN JUFVROUW SHUM.

EERSTE HOOFDSTUK.

Ik werd in het jaar 1 van de tegenwoordige eeuw der christelijke jaartelling geboren. Mijne mama noemde mij Karel Eduard Harrington Fitzroy Yellowplush, uit beleefdheid jegens vele adellijke familiën en jegens een beroemden koetsier wien zij kende, die eene gele liverei droeg en in dienst was van den Lord Mayor van Londen. Het is moeijelijk te zeggen, waarom zij mij den naam gaf van dezen heer, of liever den naam van een gedeelte zijner kleeding – hoe het zij, hij is mij mijn geheel leven door bijgebleven, en ik werd knecht, als het ware reeds door mijne geboorte.

Misschien was hij mijn vader, – maar ik kan het niet met zekerheid zeggen, want mama hield mijne afkomst steeds geheim. – Misschien ben ik een onechte zoon, misschien heeft mijne min mij verruild, maar ik heb altijd iets fatsoenlijks in mij gevoeld en zonder twijfel ben ik ook van fatsoenlijke afkomst. Hoe minder ik van mijne moeder zeg, hoe beter; want hoewel de lieve vrouw voor mij zeer goed was, vrees ik, dat zij jegens anderen niet veel goeds aan den dag legde. Ik weet niet waarom, maar ik ging altijd door voor haren neef. Wij leidden een raar leven: nu eens was mama in satijn gedost en had blanketsel op de wangen, dan weder was zij in lompen gehuld en met vuil bedekt; ik werd beurtelings gekust en geschopt; den eenen dag kreeg ik jenever, den anderen champagne. – ’t Was gek! – Zij vloekte tegen mij en liefkoosde mij, – wij hadden twist met elkander en werden weder verzoend. Wij waren dronken of nuchter, wij leden honger of vierden feest, beurtelings – naarmate mama geld verdiende en het weder uitgaf.

Maar ik zal een sluijer voor het tooneel laten vallen – voor den lezer is het genoeg te vernemen, dat mijne moeder mejufvrouw De Montmorency werd genoemd, en dat wij in de Newcut woonden.

Op zekeren morgen stierf mijne moeder – de Hemel zegene haar! – en ik bleef alleen over in deze booze wereld, zonder geld genoeg op zak, om een stuivers broodje voor mijn ontbijt te koopen.

Evenwel waren er onder onze buurvrouwen (en ik moet verklaren, dat er meer liefdadigheid onder deze arme verachte schepselen gevonden wordt, dan onder een half dozijn baronnen en jonkheeren), die medelijden hadden met het kind van het arme Saartje, (want zij proestten het uit van lagchen als ik haar mejufvrouw De Montmorency noemde,) en bij deze vond ik kost en huisvesting. Ik vrees, niettegenstaande hare vriendelijkheid, dat mijne zeden niet zouden verbeterd zijn, zoo ik lang bij haar gebleven ware. Maar een weldadig heer ontmoette mij op zekeren dag en zond mij plotseling naar school. – De akademie, die ik bezocht, werd de armenschool van St. Bartholomeus genoemd. De jonge heeren droegen groene baaijen rokken, gele lederen broeken, eene blikken plaat op den linker arm, en een pet, omstreeks zoo groot als een beschuitsbol. Ik bleef er zes jaren, van mijn zesde tot mijn twaalfde jaar; gedurende drie jaren van dezen tijd onderscheidde ik mij als toonkunstenaar, want ik was orgeltrapper in de kerk, en wij speelden kostelijke stukken.

Het is echter de moeite niet waard, mijne jeugdige streken te verhalen. (Wat hebben wij de appelvrouw geplaagd! en wat hebben wij dikwijls snuif in den bijbel van den koster gedaan – mijn Hemel!) Maar op zekeren dag trad een heer in het schoolvertrek – het was juist op den dag dat ik aan het aftrekken begon – en vroeg den schoolmeester om een jongen, die tot knecht geschikt was.

Zij zochten mij daarvoor uit – blijde genoeg om zij kwijt te worden – en den volgenden dag sliep ik in het waschhuis onder den gootsteen, op het buitenverblijf van den heer Bago te Pentonville.

Bago had een kruidenierswinkel met razend veel klandizie, op de Smithfield-markt. Ik heb hem hooren zeggen, dat hij niet minder dan vijftig pond ’s jaars verdiende door zijne voorkamer te verhuren als er gehangen werd – zijne vensters waren vlak tegenover Newgate, en menigen knappen vent heeft hij daar zien opknoopen.

Wetten waren nog wetten in het jaar tien, en men werd voor eene kleinigheid met eenen naauwsluitenden das beloond. Maar mijne bezigheden werden op zijn buiten verrigt, waar ik mijne eerste intrede in de fatsoenlijke wereld deed. Ik moest de messen slijpen en was tegelijk huis- en stalknecht in dien tijd – ik schaam mij niet, dit te bekennen; want mijne eigene verdiensten hebben mij tot mijn tegenwoordig hoog standpunt verheven – elk jaar twee nieuwe livereijen, veertig pond ’s jaars, bier, bewassching, zijden kousen en waskaarsen, behalve fooijen, die in ons huis van belang zijn, dat kan ik verzekeren.

Ik bleef niet lang in dit huis; er gebeurde iets, waardoor ik eene geheele andere soort van dienst kreeg.

Een knap jong mensch, die een eigen cabriolet hield en een rijpaard huurde, had een jongen noodig. – Ik deed oogenblikkelijk moeite om de dienst, en daar ik een vlugge, nette jongen was, kreeg ik die ook.

Bago gaf gunstige getuigenis van mij, en mijn nieuwe meester gaf mij mijne eerste liverei: men kan zich verbeelden, hoe trotsch ik er op was.

Mijn nieuwe meester had iets in de City te doen, want hij ging er elken morgen heen om tien uur; hij steeg uit zijn cabriolet op den City-road en ik moest hem om zes uur daar afwachten. Des zomers reed hij van daar naar het Park – zijn rijtuig was een der schoonste die er te zien waren. Ik gevoelde mij ook niet weinig trotsch op mijn grijzen rok, met goudomzoomden hoed en rood vest, als ik naast hem zat, terwijl hij reed.

Reeds toen begon ik verliefde blikken te werpen op de dames in de rijtuigen, en die zucht te gevoelen naar eene fatsoenlijke leefwijze, welke mij sedert dien tijd steeds heeft bezield. Terwijl hij in de opera zat, ging ik kegelen, of naar de White-Conduit’s-tuinen, en de jongen van mijnheer Altamont had daar heel wat te beteekenen, dat is zeker; want daar de bevolking te Pentonville meestal uit werkmeiden bestond, waren daar weinige heerenknechts, en om die reden, hoewel slechts veertien jaren oud, was ik er evenzeer man, als of ik de hooge jaren van Jeruzalem [2] had bereikt.

Maar het wonderlijkste was, dat mijnheer, die zulk een fatsoenlijk man was, in zulk een gat wilde wonen. Hij had niets meer dan eene benedenste verdieping in de John’s-straat, bestaande uit eene spreekkamer en een slaapvertrek.

Ik sliep in een huis aan den overkant, en trok elken morgen met zijne laarzen en zijn ontbijt over de straat.

Het huis, in hetwelk hij woonde, behoorde aan mijnheer en mevrouw Shum, een arm maar vruchtbaar paar, die het huis voor een zeker aantal jaren hadden gehuurd. Zij en hunne familie hadden er niet te veel ruimte in: dat is buiten kijf.

Shum vertelde, dat hij officier was geweest, en dat was ook waar. Hij was een plaats-vervangend-hulp-vice-commissaris of zoo iets geweest, gelijk ik naderhand gehoord heb, en hij had zijn ontslag moeten nemen om reden van zijne zenuwachtigheid. De waarheid is, dat hij zulk een lafaard was, dat men hem als gevaarlijk beschouwde voor het leger, en hem daarom weder naar huis zond. Hij was met eene weduwe Buckmaster getrouwd, eene geboren Slamcoe. Zij was van Bristol, en daar haar vader, een kaarsenmaker, bankroet ging, erfde zij natuurlijk een heel aardig sommetje van hem. Zij kreeg duizend pond en had niet hoogmoediger en trotscher kunnen zijn, zoo het een millioen geweest was.

Buckmaster stierf en liet zijne vrouw niets anders na dan vier leelijke dochters en veertig pond ’s jaars. ’t Was een eenigzins bekrompen inkomen voor iemand met haren eetlust en hare aanspraken. Ter kwader ure voor Shum, ontmoette zij hem. Hij was weduwenaar met een dochtertje dat drie jaren oud was; hij had ook een huisje te Pentonville, en een klein inkomen, omstreeks zoo groot als dat van mevrouw Buckmaster. Ik geloof, dat zij hem zóó onder de plak kreeg, dat hij niet durfde weigeren haar te trouwen; en zij kwamen overeen, dat zij de benedenste verdieping van zijn huis in de John’s-straat zouden verhuren, om daarmede hun inkomen eenigzins te vergrooten.

Zij trouwden, en de weduwe Buckmaster bleef baas, zonder eenigen twijfel.

Zij praatte en blufte altijd over hare familie, over de beroemdheid van de Buckmasters en de oudheid van het geslacht der Slamcoes. Zij bezaten een huis met zes kamers (behalve keuken- en waschhuis), en op den tijd, waarvan ik spreek, bezaten zij daarenboven twaalf dochters, te weten: vier jonge jufvrouwen Buckmaster, mejufvr. Betsy, mejufvr. Doortje, mejufvr. Biddy en mejufvr. Winny – een jongejufvrouw Shum, met name Mary – de dochter van Shum, en zeven andere, die ik niet zal opnoemen. Mevrouw Shum was eene dikke vrouw met rood haar, ten minste een voet langer dan Shum, die niet meer dan anderhalf el lang was, met een bleek gelaat, een rooden neus, kromme beenen en een kale kruin, – de top van zijn neus en zijn hemd waren altijd bruin van het snuiven.

Voor het huis was een kleine tuin, waar het linnengoed van de familie altijd te droogen hing. Het huisgezin was zoo talrijk, dat dit steeds om beurten geschiedde. Er waren zes palen aan het hek, en op elken paal hing een kous, en er waren vier kleine kruisbessen struikjes, waarop altijd het een of ander kleedingstuk ten toon gespreid was.

De gang was altijd vol water; natte vaagdoeken waaiden de menschen in het gezigt; ingezeepte, dampende flanellen lappen hingen gereed om de voorbijgangers te bedwelmen; als men omhoog keek om het gevaar te ontgaan van zich te verhangen aan de droog-touwen, die dwars over den gang en in de lengte gespannen waren, dan stootte men zich de beenen tegen den rand van een’ emmer, dat men razend werd van de pijn.

De groote, slordige, luije meisjes waren altijd op den trap met akelige bloempotten aan het morsen, of bezig met iets te koken, of zij lagen in de vensterbanken met smerige papillotten in het haar, en smerige boeken in de handen. Eene akelige piano rammelde van den morgen tot den avond; de twee oudste jufvrouwen Buckmaster speelden „the Battle of Prague”, en de zes jongste jufvrouwen Shum speelden „In my cottage”, tot dat ik elke noot van het eene stuk van buiten kende, en den dag vervloekte, dat het andere gecomponeerd werd.

De jongste meisjes liepen en draafden den geheelen dag door het huis, met gescheurde voorspelders en half versletene grammaires en groote sneden brood met stroop daarop. Ik heb van mijn leven zoo’n huishouden niet meer gezien.

En nu vraag ik, wat ter wereld kon den heer Frederik Altamont genoopt hebben, in zulk eene plaats te gaan wonen? De reden is duidelijk: hij aanbad de oudste jufvrouw Shum.

En daarin toonde hij geen slechten smaak, want hoewel de andere dochters even leelijk als hare afschuwelijke mama waren, was Mary Shum een mooi, lief, bedeesd klein ding, met glanzig zwart haar en zachte blaauwe oogen en een hals zoo wit als krijt. Zij droeg gewoonlijk eene oude, versletene, zwarte japon, die te kort en te naauw voor haar was geworden; maar dit diende slechts om hare fijne enkeltjes en slanke leest te meer te doen uitkomen. Mijn meester had, dat is waar, niet zeer hoog gezien toen hij eene beminde zocht, maar hij was voorzeker aan het goede kantoor gekomen. Nooit is er een aardiger en mooijer meisje geweest. Ik gaf haar altijd het geroosterde brood, dat van ons ontbijt overbleef, en een kopje thee of chocolaad, naarmate Altamont het een of ander gebruikte, en het arme kind was er zeer dankbaar voor, want boven werden de kinderen kort gehouden, en zij kreeg het minst van allen.

Het scheen waarachtig, als of de geheele familie Shum haar best deed om het lieve kind te plagen. De vier meisjes van Buckmaster liepen haar altijd achter na. Het was:

„Mary, haal eens wat steenkolen”, of „Mary, ga eens gaauw wat bier halen”, of „Mary, ik ga uwe schoone kousen aantrekken op de wandeling”, of „ik zal eventjes uwen nieuwen hoed opzetten om naar de kerk te gaan.” Haar vader alleen, de oude suffert, hield van baar, doch zijne liefde hielp haar niet veel. Mary verdroeg al het knorren gelijk een engel, want dat was zij, en had zij eene gouden trompet en een paar vleugelen gehad, zij was er niet engelachtiger om geweest.

Ik zal nooit één tooneel vergeten, dat er plaats vond. Het gebeurde toen mijnheer in de City was, en daar ik niets ter wereld te doen had, stond ik op den trap te luisteren.

Het gewone knorren, was aan den gang en ook de oude dreun van de „Battle of Prague.” De oude Shum zeide iets, en de oudste jufvrouw Buckmaster riep uit: „Och, pa, wat is dat dom van je!”

Al de meisjes begonnen te lagchen en mevrouw Shum ook, allen, behalve Mary, die rood als vuur werd, en, op mejufvrouw Betsy Buckmaster toegaande, haar twee zulke flinke oorvijgen gaf, dat hare groote roode ooren er van tintelden.

De oude mevrouw Shum gilde het uit, en viel haar aan als eene tijgerin. Hare dikke armen vlogen in het rond als molenwieken, en zij sloeg en ranselde de arme Mary, omdat zij haren sukkel van een vader had willen verdedigen. Mary Shum, die anders altijd huilde, stortte nu geen enkelen traan. „Ik zou het nog eens doen,” zeide zij „als Betsy papa beleedigde,” waarop weêr stompen en gillen volgden als te voren, en de oude heks ging voort met het arme meisje te slaan, tot dat zij niet meer kon en blazende als een walvisch op de sofa nederzeeg.

Nu begon de oude Shum: „Schaam je wat, Mary,” zeide hij, „schaam je wat, jou ondeugende meid, dat gij je mama zoo weinig ontziet en je lieve zuster zoo slaat.”

„Ik deed het alleen, omdat zij zeide dat gij zoo d...”

„En als het haar beliefde, dat te zeggen,” zeide Shum met eene deftige houding, „gij onbeschaamde meid, ik had haar daarvoor kunnen straffen en gij niet.”

„Gij mij straffen?” zeide mejufvrouw Betsy, den neus zoo hoog mogelijk ophalende: „ik zou wel eens willen zien dat gij mij bestraftet, leelijkert!” En zij begonnen allen weder hard op te lagchen.

Intusschen was mevrouw Shum weder uitgerust van hare hevige ligchaamsbeweging, en zij begon nu vuur te geven. In de eerste plaats schold zij Mary uit, en daarna Shum.

„O, waarom,” huilde zij, „waarom heb ik ooit mijne deftige familie verlaten, bij wie ik in gemak en weelde leefde, om zulk een schepsel, als dit is, te trouwen? Hij is niet waard, dat men hem man noemt, hij is niet waard dat hij eene fatsoenlijke vrouw heeft getrouwd. En wat die heks daar aangaat: ik verloochen haar. Den hemel zij dank, zij is geene Slamcoe, zij is maar eene Shum.”

„Dat is waar, mama,” antwoordden al de meisjes, want mevrouw Shum had haar deze beleefdheid geleerd, en zij verachtten haren vader van ganscher harte. Inderdaad, ik heb altijd opgemerkt, dat in families, waar de vrouw onophoudelijk praat van de verdiensten van hare familie, de man maar een sukkel is.

Nu dan – toen mevrouw Shum op nieuw uitgeput was, wierp zij zich weder op de sofa; en hare dagelijksche kunstjes begonnen: zij gilde en kreeg het op de zenuwen, en wilde niet bedaren eer Shum haar een maatje van haar gewone geneesmiddel uit den „Blaauwen Leeuw” over de deur had gehaald. Zij kwam langzaam bij, toen zij den jenever binnen had, maar Mary werd uit de kamer gezonden, en kreeg bevel om den geheelen dag niet weder binnen te komen.

„Jufvrouw Mary!” zei ik, want ik had diep medelijden met het arme meisje, toen zij snikkende en ellendig naar beneden kwam. „Jufvrouw Mary,” zei ik, „indien ik zoo vrij mag wezen, de kamer van mijnheer is ledig, en ik weet, waar het koude vleesch en het zuur staat.”

„O Karel,” antwoordde zij, bedroefd het hoofd schuddende, „ik ben veel te ongelukkig om eetlust te hebben.” En zij wierp zich op een stoel, en begon te huilen als of haar het hart zou breken.

Juist op dit oogenblik kwam mijnheer de kamer binnen. Ik weet niet, hoe het gebeurd was, maar ik had mejufvrouw Mary bij de hand genomen, en ik geloof waarachtig dat ik op het punt was om die te kussen, toen, gelijk gezegd is, mijnheer de kamer binnentrad.

„Wat heeft dit te beteekenen?” riep hij uit, mij zoo zwart als een donderbui aanziende, met den donkeren blik van mijnheer Philips, wanneer hij den rol van Hecate speelt in de nieuwe tragedie van Macbeth.

„’t Is maar jufvrouw Mary,” antwoordde ik.

„Scheer je weg, vlegel,” brulde hij woedend, en ìk gevoelde iets (ik geloof haast, dat het de punt van zijn toon was), dat mij van achteren aanraakte, en een oogenblik later lag ik, zoo lang als ik was, uitgestrekt onder de natte flanellen lappen en de emmers en andere zaken in den gang. De menschen van boven kwamen zien wat er gebeurd was, terwijl ik lei te brullen en te vloeken.

„’t Is Karel maar, ma!” schreeuwde jufvrouw Betsy.

„Waar is Mary gebleven?” vroeg mevrouw Shum van de sofa.

„Zij is in de kamer van mijnheer, jufvrouw,” antwoordde ik.

„Zij is in de kamer van mijnheer, ma,” schreeuwde jufvrouw Betsy, als of zij mijne echo ware.

„Best, laat zij daar maar blijven, tot dat hij weder naar huis komt.” En mejufvrouw Betsy vloog de trappen op, zonder te vermoeden dat Altamont reeds te huis was.

Ik had al lang gemerkt, dat mijn meester Mary Shum beminde, en, gelijk ik verteld heb, was het alleen om haar, dat hij kamers te Pentonville gehuurd had.

Ware het niet uit liefde geweest, die niet op een stuivertje ziet, dan waren veertien shillings in de week een klein beetje te veel geweest voor de twee ellendige hokken die hij bewoonde. Ik geloof waarachtig, dat de geheele familie niets had om van te leven, dan mijnheer. Zij ontbeten met zijn theepot, zij hakten geheele ponden van het vleesch weg (hij at altijd te huis), en zijne bakkersrekening was hoog genoeg voor zes menschen. Maar dat ging mij niet aan. Ik zag hem wel eens grijnzen als ik ’s morgens het koud vleesch op tafel zette en hij dan ontdekte hoe weinig van de rib van den vorigen dag was overgebleven, maar hij zeide er nooit een woord van, want de ware liefde bekommert zich niet om een pond of wat vleesch meer of minder.

In den beginne was hij zeer vriendelijk en oplettend jegens al de meisjes. Jufvrouw Betsy vooral had zeer veel met hem op; zij zaten geheele avonden bij elkaâr te smousjassen; hij rookte zijne pijp en dronk tusschen beiden een slokje; zij kreeg een kopje thee en een krentenbol; daar het echter niet betaamde, dat zij alleen bij hem kwam, bragt zij altijd eene van hare zusters mede, gewoonlijk Mary – want haar noodigde hij bepaaldelijk mede – en op zekeren avond, toen eene van de andere zusters in hare plaats kwam, zeide hij zeer bedaard, dat hij die niet gevraagd had, en jufvrouw Betsy hield te veel van krentenbollen, om zulke kunstjes weder te vertoonen. Bovendien was zij jaloersch op hare drie volwassene zusters, en beschouwde Mary slechts als een kind. Hemel! wat wierp zij hem teedere blikken toe; wat declameerde zij vele gedichten en wat speelde zij de bekende romance „Ontmoet mij bij het licht der maan” op een oude guitarre! Zij wierp zich hem als het ware in den arm, maar hij gaf er niets om, dewijl hij zijn oog reeds elders en beter had gevestigd.

Op zekeren avond kwam hij te huis en bragt op de fatsoenlijkste wijze loodjes mede voor den Astley’s schouwburg, en sloeg voor, om de twee jonge dames – jufvrouw Betsy en jufvrouw Mary natuurlijk – mede te nemen. Ik herinner mij, dat hij denzelfden namiddag mij ter zijde had geroepen, met eene indrukwekkende en geheimzinnige houding, en dat hij mij in het oor fluisterde: „Karel, kun je oppassen?”

„Mijnheer,” antwoordde ik, „het is de algemeene meening, dat ik zoo tamelijk bij de hand ben.”

„Wel,” hernam hij, „ik zal je een goud vijfje geven, als je nu met mij ééne lijn trekt; ik heb opzettelijk een regenachtigen avond afgewacht. Als de komedie uit is, moet gij mij aan de deur met twee parapluies afwachten. Eene daarvan geeft gij mij, de andere houdt gij over mejufvrouw Buckmaster, en, pas nu goed op, als wij weg gaan, dan slaat gij regts den hoek om, en zegt aan jufrouw Buckmaster, dat het rijtuig ons een eindje verder op wacht, om uit het gewoel te wezen.”

Wij gingen er naar toe in eene vigilante, door den heer Altamont besteld, en ik zal het spelen dáár niet ligt vergeten. Men prate mij niet van Kemble! men vertel mij niet van Macready. – Ik ga oneindig liever naar Astley’s theater. Maar dit is eene afwijking van mijn verhaal. Toen het stuk uit was, stond ik aan de deur met de parapluies. Het regende dat het goot!

Mijnheer Altamont kwam naar buiten; hij had jufvrouw Mary aan den arm en mejufvrouw Betsy volgde, eenigzins uit haar humeur.

„Deze weg, mijnheer,” riep ik, naar hem toeschietende, en ik wierp een’ grooten mantel over Jufvrouw Betsy, als of ik haar smooren wilde. Mijnheer en jufvrouw Mary gingen verder, en toen jufvrouw Betsy den mantel in orde had, waren beiden niet meer te zien.

„Zij zijn al naar het rijtuig gegaan, jufvrouw, een eindje de straat op, om uit het gewoel te zijn,” en wij gingen regts den hoek om, natuurlijk.

Nadat wij een eindje door slijk en modder geplast hadden, riep ik uit, met het onschuldigste gezigt van de wereld:

„Heeft niemand de vigilante van Cox gezien?”

„De vigilante van Cox?” schreeuwde iemand. – „Gij meent een vrachtkar misschien?” zeide een tweede.

„Ik ben een vuilniskar te gemoet gekomen,” riep een derde heer, en ik heb van mijn leven zooveel complimenten niet gehoord als men ons toen maakte. Ik zal ze evenwel niet herhalen, omdat er enkele onder waren, die niet al te fatsoenlijk klonken.

„Hemel, jufvrouw,” zeide ik, „wat zal ik nu beginnen? mijnheer zal het mij nooit vergeven, dat is zeker; en ik heb geen stuiver bìj mij om een koets te betalen.”