Part 10
Evenwel, behalve het kleine voordeel, dat ik trok door het verkoopen van de robe-de-chambre, welke ik gedragen had – en in een van welker zakken ik een banknootje van vijf pond had gevonden – behalve dit, zeg ik, was het voordeel, dat daaruit ontsproot, voor mijnheer zeer gering.
Het is waar, dat hij ontsnapt was – en dat was goed – maar Frankrijk is niet Groot-Brittanje, en een man in liverei met éénen arm is gemakkelijk te ontdekken en aan te houden.
Dit was ook het geval met mijnheer. Hij kon Parijs niet verlaten, zelfs indien hij het gewenscht had. Zoo hij dat deed, wat moest er gebeuren met zijne bruid – zijne gebogchelde godin? Hij kende het tempérament, gelijk de Parijzenaars zeggen, van de jonge dame al te goed, om haar lang uit zijn gezigt te verliezen. Zij had negen duizend pond ’s jaars. Zij was reeds vroeger verliefd geweest, en kon het gemakkelijk weder worden. De hoog welgeboren Algernon Deuceace was te verstandig, om zich te verlaten op de getrouwheid van zulk een licht ontvlambaar schepseltje. Het was voorwaar een mirakel, dat ze niet al vroeger aan den man was gekomen! Ik geloof waarachtig (te oordeelen na verscheidene tooneelen, die tusschen ons waren voorgevallen), dat ze zelfs met mij zou getrouwd zijn, ware zij niet verleid geweest door den hoogeren stand en de grootere sluwheid van den heer, bij wien ik diende.
Maar verder, om mij van eene gemeene uitdrukking te bedienen: de dienders waren hem op de hielen. Wat moest hij doen? Hij kòn zijne schulder niet ontloopen, en hij wilde het beminnelijke voorwerp zijner liefde niet verlaten. Hij was alzoo genoodzaakt, op zijn Fransch gezegd, zich perdu te houden – ’s avonds uitgaande, gelijk een uil uit zijn nest, en over dag zich daarin schuil houdende. Want er bestaat eene wet in Frankrijk (en ik wenschte, dat die ook in Engeland wierd gevolgd), dat na zonneondergang niemand om zijne schulden mag vervolgd worden, en in alle koninklijke tuinen, bij voorbeeld de Tuileries, in het Palais Royal, of het Luxembourg, mag iedereen van den morgen tot den avond rondloopen, zonder lastig gevallen te worden door zijne schuldeischers: want deze worden in zulke plaatsen van openbare vermakelijkheden niet toegelaten, even min als honden, welke de schildwachten het bevel hebben dood te schieten.
Mijnheer was alzoo in een zeer onaangenamen toestand: ’s avonds er uit loopende, om zijne beminde eventjes te zien, en dan genoodzaakt, hare vragen over de redenen zijner verkleeding te ontwijken en over zijne twee duizend pond ’s jaars te spreken, juist als of hij geen cent, aan wie het ook ware, in de geheele wereld te betalen had.
Natuurlijk werd hij zeer verlangend naar het huwelijk.
Hij schreef nu even vele brieven, als de jufvrouw vroeger had gedaan; hij voer hevig uit tegen uitstel en formaliteiten; hij praatte over de genoegens van het huwelijk en over het ongeluk, dat het vuur van twee beminnende harten te vergeefs zou branden, en over de dwaasheid om op de toestemming van Lady Griffin te wachten. Zij was maar eene stiefmoeder, zeide hij, en daarbij niet vriendelijk jegens hem gezind. De jufvrouw was (voegde hij er bij) meerderjarig en kon trouwen met wien zij verkoos, en voorzeker had zij den vereischten eerbied aan Lady Griffin bewezen, door hare toestemming te vragen.
Op deze wijze gingen zij voort. Het wonderbare van de zaak was, dat, wanneer aan mijnheer gevraagd werd, waarom hij alleen ’s nachts uitging, hij zich geheimzinnig uitliet, terwijl jufvrouw Griffin, wanneer hij haar vroeg, waarom zij niet dadelijk trouwen wilde, eene diergelijke geheimzinnigheid aan den dag legde – of liever, zij legde niets hoegenaamd aan den dag.
Was dat niet hard? De beker scheen beiden vóór de lippen te staan, en toch gelukte het hun niet, op de eene of andere wijze één droppel te krijgen.
Op zekeren morgen echter, in antwoord op een zeer wanhopend schrijven, door mijnheer den vorigen avond opgesteld, ontving Deuceace van de beminde van zijn hart het volgende antwoord:
„Jufvrouw Griffin aan den hoog welgeboren heer
A. P. Deuceace.”
„Mijn beminde! Gij zegt, dat gij met mij een hutje van klei zoudt willen bewonen; dat is gelukkig niet noodig! Gij spreekt over uwe neêrslagtigheid, dat ons huwelijk uitgesteld wordt – gelooft gij, aangebedene, dat mijn hart door onze scheiding opgeruimder wordt? Gij smeekt mij, de weigering van Lady Griffin te verachten, en gij zegt, dat ik door niets meer aan haar ben gebonden.
„Aangebedene Algernon! Ik kan niet langer uwe wenschen wederstaan. Ik verlangde echter geen gelegenheid te laten voorbij gaan, om mij met eene ontaarde stiefmoeder te verzoenen. Eerbied voor de nagedachtenis van mijn vader zaliger eischte, dat ik alles deed, wat in mijne magt was, om hare toestemming tot onze vereeniging te verkrijgen: ja, ik zal het u bekennen, de voorzigtigheid schreef deze handelwijze voor; want aan wien zou zij het geld nalaten, haar door het testament van mijn vader bestemd, dan aan het eenig kind van mijn vader?
„Er zijn echter palen, binnen welke de grootste verdraagzaamheid moet beperkt worden, en, de Hemel zij gedankt! wij behoeven niet op het verachtelijke geld van Lady Griffin te wachten; ook buiten haar zijn wij ruim daarvan voorzien – niet waar, dierbaarste Algernon?
„Het zij daarom, gelijk gij begeert, dierbaarste, edelste en beste der menschen. Uwe arme Matilda heeft u reeds lang haar hart geschonken, waarom zou zij nu haren naam willen behouden? Bestem gij nu het uur, en ik zal geen verder uitstel zoeken, maar in uwe armen toevlugt zoeken, tegen de verachting en de beledigingen, waarmede ik hier dagelijks wordt overladen.
„Matilda.
„P.S. O, Algernon! wist gij maar, welk een edelen rol uw waarde vader op zich heeft genomen: hij doet zijn best om onze plannen te bevorderen en Lady Griffin te verzoenen! Zijne schuld is het niet, dat zij onverbiddelijk blijft. Ik zend u hierbij een briefje, door haar aan Lord Crabs geschreven; wij zullen er weldra over spotten – n’est-ce pas?”
„Lady Griffin aan den Graaf van Crabs.
„Mylord!
„In antwoord op uw aanzoek om de hand van jufvrouw Griffin, ter gunste van uwen zoon, den heer Algernon Deuceace, kan ik slechts herhalen hetgeen ik reeds vroeger mij genoodzaakt zag, aan u te verklaren – namelijk, dat ik niet gelooven kan, dat eene vereeniging met iemand van het karakter van den heer Deuceace bijdragen kan tot het geluk van mijne stiefdochter, en daarom moet ik mijne toestemming weigeren.
„Ik moet u tevens verzoeken, den inhoud van dezen brief aan den heer Deuceace mede te deelen, en u tevens smeeken, niet weder een onderwerp aan te roeren, dat, gelijk gij overtuigd moet zijn, voor mij zeer pijnlijk is.
„Ik heb de eer te zijn, Mylord,
uwe zeer onderdanige dienaresse
L. E. Griffin.”
„De drommel haal Lady Griffin!” riep mijnheer uit, „wat gaat zij mij aan?”
Wat den ouden lord betreft, die zoo gedienstig met zijne vriendelijkheid en zijn goeden raad was geweest, mijnheer schreef zulks daaraan toe, dat hij wist, hoe zijn zoon eene vrouw met tien duizend pond ’s jaars ging trouwen, en dat hij zijn deel er van hoopte te krijgen. Om die reden schreef hij, benevens een vurigen brief aan de jufvrouw, het volgende aan zijn vader:
„Heb dank, waarde vader, voor de vriendelijkheid, mij in deze hagchelijke zaak betoond. Gij weet, in welken onaangenamen toestand ik mij, voor het oogenblik, bevind, en gij kunt wel gissen, welke de oorzaken zijn van mijne onrust. Een huwelijk met mijne beminde Matilda zou mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken. Het lieve meisje stemt daarin toe, en lagcht over de dwaze aanspraken van hare stiefmoeder. Om u de waarheid te zeggen, ik heb mij daarover verwonderd, dat zij reeds zoo lang daaraan heeft toegegeven. Voer uwe vriendelijkheid tot den hoogsten top, en verschaf ons, bid ik u, de noodige papieren en een predikant, om ons te vereenigen. Wij zijn beiden meerderjarig, zoo als gij weet, en daarom wordt de toestemming van ouders of voogden niet vereischt.
„Uw genegen zoon
Algernon Deuceace.”
„P. S. Wat spijt het mij, dat er eenigen tijd geleden een verschil van meening tusschen ons ontstond! De omstandigheden zijn nu reeds veranderd, en zullen, na het huwelijk, nog meer veranderen.”
Hetgeen mijnheer bedoelde was zeer duidelijk – hij wilde den ouden lord het geld geven, nadat hij getrouwd was, en daar het waarschijnlijk was, dat de jufvrouw den brief zou zien, rigtte hij dien zoodanig in, dat ze niet al te veel van zijn tegenwoordigen, treurigen toestand zou leeren kennen.
Ik bezorgde dezen brief, tegelijk met het teedere schrijven aan de jufvrouw, en het spreekt, dat ik beiden op weg doorsnuffelde. De jufvrouw, toen zij haren brief ontving, bezag hem met eene onbeschrijflijke uitdrukking in de oogen; kuste het papier, en drukte het aan haar hart. Lord Crabs las den zijnen met veel bedaardheid, en toen raakten ze aan het praten en bevalen mij op antwoord te wachten. Na langdurige beraadslaging, haalde lord Crabs een kaartje te voorschijn en schreef er achter op:
Morgen om twaalf uur aan de ambassade.
„Karel, geef dat aan mijnheer,” zeide hij, „zeg hem, dat hij vooral het uur niet verzuimen mag.”
Ik bragt het kaartje en de boodschap zoo spoedig mogelijk over. Mijnheer scheen met beiden tevreden, maar toch waarlijk niet overgelukkig te zijn: dat is ook geen mensch den dag vóór zijn huwelijk, veel minder den dag vóór zijn huwelijk met een bogcheltje – hoe rijk het ook zij.
Daar hij nu op het punt stond, van den ongehuwden staat afscheid te nemen, deed hij hetgeen iedereen, die in zijne omstandigheden verkeert, behoorde te doen: dat wil zeggen, hij beschikte over zijn eigendom, en schreef brieven aan zijne schuldeischers, hun zijn gelukkige vooruitzigten berigtende, en belovende, dat hij hun na zijn huwelijk tot op een stuiver toe zou afbetalen. Vóór dien tijd kenden zij zijne armoede al te goed, om zoo iets te kunnen verwachten.
Om hem regt te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij nu genegen scheen, alles behoorlijk af te betalen, nu hem dat niet de minste opoffering van zijn kant meer behoefde te kosten.
„Karel,” zeide hij, mij een bankbriefje ten bedrage van tien pond ín de hand gevende, „daar hebt gij uw loon, en ik dank u wel, dat gij mij uit den nood hebt geholpen met den deurwaarder; als ik getrouwd ben, zult gij mijn valet-de-chambre zijn, zonder liverei, en ik zal uw loon driedubbel verhoogen.”
Zijn valet! – misschien zelfs zijn keldermeester! Ja – dacht ik: bij mijzelven – dat is het ware geluk! Valet de chambre aan tien duizend pond ’s jaars! niets anders te doen, dan hem te scheren, mijn bakkebaard te laten staan, van top tot teen in het pik zwart gekleed te gaan; elken dag een schoon overhemd, beschuitsbollen elken avond bij de thee met de huishoudster; de keuze eener beminde uit de jonge dames onder de dienstboden; een jongen om mijne laarzen te poetsen, en geregeld ééns in de week mijnheers plaats in de opera. Ik wist wel, wat het beteekent, valet-de-chambre te zijn! – en ik verklaar het – een valet is gewoonlijk een gelukkiger, luijer, beter gezien en fatsoenlijker man, dan zijn meester. Hij heeft meer geld te verkwisten, want de heeren hebben altijd de gewoonte, los zilvergeld in de vestzakken te laten; hij maakt meer opgang bij de dames, eet even lekker, en drinkt even goeden wijn als zijn meester – dat wil zeggen, in geval hij goede vrienden blijft met den keldermeester, iets dat hun wèl begrepen eigenbelang van wederzijde mede brengt.
Deze waren echter slechts luchtkasteelen, op zijn Fransch chateaux en Espagne: in het boek des noodlots stond niet geschreven, dat ik valet-de-chambre zou wezen van den heer Deuceace.
De langste dag heeft ook een einde – zelfs de dag vóór het huwelijk, de langste dag, dien een mensch beleeft, behalve misschien den dag vóór zijn hangen – en eindelijk brak het morgenrood aan van den gelukkigen dag, die den hoogwelgeboren heer Algernon Percy Deuceace en jufvrouw Matilda Griffin door den huwelijksband zou vereenigd zien.
De garde-robe van mijnheer was wel niet zoo rijk als vroeger, want hij had al zijne kleinigheden, onnoodige cassettes en robes-de-chambre, zijn bewonderingswaardig museum van verlakte laarzen, zijne hoogst merkwaardige verzameling van rokken van Stulz en Staub, achter gelaten, toen hij genoodzaakt werd onze geliefde woning in het hôtel Mirabeau zoo plotseling te verlaten, en daar hij nu incognito bij een vriend logeerde, had hij zich moeten tevreden stellen, met eenige nieuwe kleedingstukken te bestellen bij een gewoon kleêrmaker, tegelijk met eene toereikende hoeveelheid linnengoed.
Hij trok alzoo zijn besten blaauwen rok aan, en ik voelde mij gedrongen, hem te vragen, of hij zijn jas weder noodig zou hebben; hij antwoordde, met de meeste vriendelijkheid:
„Neem gij hem maar, voor den drommel!”
Om half twaalf uur werd ik uitgezonden, om te zien, of er verdachte menschen op straat waren (ik heb een goeden neus om een deurwaarder uit de verte te rieken, en een oog, dat scherp genoeg is, er een van om den hoek te zien); eenige minuten later kwam eene zeer bescheiden huurkoets vóór, en mijnheer stapte er in. Natuurlijk vertoonde ik mij niet op den bok, omdat, daar ik zoo bekend was geworden, mijne verschijning de aandacht tot mijnheer zou kunnen trekken. Maar ik liep de steegjes door, zoo, hard ik kon, naar de Rue du Faubourg St. Honoré, waar Zijne Excellentie de Engelsche ambassadeur woont en waar huwelijken tusschen Engelschen te Parijs altijd gesloten worden.
Bijna naast de deur van het hôtel van den ambassadeur, is een ander hôtel, van dien gemeenen aard, welke door de Franschen cabaret genaamd wordt, eene soort van kroeg – en juist toen de huurkoets van mijnheer vóór kwam bij de ambassade, reed eene andere koets van de deur weg, waaruit ik twee mij zeer bekende dames zag komen: de eene had een bogchel – de Lezer zal begrijpen, wat zij er kwam doen – de andere was de arme jufvrouw Kicksey, die mede gekomen was, om jufvrouw Matilda te zien trouwen.
De koets van mijnheer hield stil, toen ik op eenige ellen afstands van de deur was – de koetsier klom van den bok af, om het portier open te doen, en ik naderde, om den heer Deuceace er uit te helpen, toen vier menschen uit de cabaret te voorschijn kwamen en zich plaatsten tusschen de koets en het huis van den ambassadeur; twee andere kerels vatten post aan den anderen kant van het rijtuig, en het portier openende, riep de een:
„Rendez-vous, Monsieur Deuceace! Je vous arrête au nom de la loi,” hetgeen zeggen wil: „Kom maar over, mijnheer Deuceace, wij hebben u gesnapt, en deze keer komt gij niet weg!”
Mijnheer werd doods bleek, en sprong naar den anderen kant van het rijtuig, als of hij door eene slang was gebeten; hij hoopte aan die zijde te kunnen ontvlugten; maar hij ontdekte de vier menschen, welke tusschen hem en zijne vrijheid zich geplaatst hadden. Toen riep hij door het venster van de koets, zoo hard hij kon, met eene wanhopende stem:
„Fouettez cocher! Rij maar voort koetsier!” maar de koetsier deed het niet – hij was ook reeds van den bok geklommen.
In één woord, op het oogenblik, dat ik naderde, sprongen twee deurwaarders in de koets! Ik had alles gezien, ik kende mijn pligt en zeer bedroefd klom ik achter op het rijtuig.
„Tiens!” zeide een der menschen, die op straat stond, „c’est ce drôle, qui nous a floué l’autre jour.” Ik herkende hen ook, maar ik was te bedroefd, om te glimlagchen.
„Où irons-nous donc?” vroeg de voerman aan een der heeren, die in het rijtuig zaten.
Eene diepe stem bulderde uit de koets dit antwoord aan den voerman:
„A St. Pélagie!”
En nu moest ik u misschien de bijzonderheden beschrijven van de gevangenis van St. Pélagie, die in Frankrijk aan hetzelfde doel beantwoordt, als de Fleet Prison, of de Queen’s Bench, de gevangenissen voor schuldenaars in Engeland; maar dit onderwerp zoude ik liefst vermijden, gedeeltelijk, omdat de zeer uitstekende Boz, in de geschiedenis van den heer Pickwick, eene gevangenis heeft geschilderd, op eene wijze, die mijne beschrijvingen geheel en al overschaduwen zou, en gedeeltelijk, dewijl, om de waarheid te zeggen, ik er niet zeer lang bleef, daar ik volstrekt niet gezind was, om de jaren mijner jeugd in zulk eene treurige plaats te verspillen.
Mijne eerste boodschap was nu, gelijk men zich voorstellen kan, een brief te brengen van mijnheer aan zijne aanstaande echtgenoote. Het arme kind ging verschrikkelijk aan, dat is waar, toen zij zag, na twee uren aan de ambassade te zijn gebleven, dat haar bruidegom niet verscheen.
Nadat zij gewacht en weder gewacht had, zonder, dat haar echtgenoot aankwam, was zij genoodzaakt ongetroost naar huis terug te keeren, waar ik met den brief van mijnheer reeds aangekomen was.
Het hielp nu niet, te ontveinzen, dat hij gearresteerd was, en daarom bekende hij het dadelijk, een lang verhaal opdisschende van het verraad van een vriend, van schandelijke, valsche handteekeningen, en de Hemel weet, wat nog meer. Dat deed er echter niets toe; als hij haar verteld had, dat de man in de maan haar verraden had, zij zou het geloofd hebben.
Lady Griffin was nu nooit meer te zien, als ik een bezoek in het huis aflegde. Zij hield de ééne spreekkamer voor zich alleen, en de jufvrouw at en leefde geheel afgezonderd in de andere kamer; zij hadden zoo veel met elkander getwist, dat het misschien zeer goed was, dat zij gescheiden leefden; Lord Crabs echter kwam bij beide dames, de eene zoo wel als de andere, op zijne eigenaardige, innemende, onschuldige wijze troostende.
Hij trad in de kamer, terwijl de jufvrouw, in tranen badende, naar mijn verhaal luisterde van de gevangenneming van mijnheer. – Zij drukte de hoop uit, dat de gevangenis geen akelig hol was, met een donker, vreesselijk cachot, door een verschrikkelijken cipier bewaakt, en waar men niets dan brood en water te eten kreeg. Zij had zich daarvan een denkbeeld gevormd uit de romans, die zij gelezen had!
„O Mylord, Mylord!” riep zij uit, „hebt gij het noodlottige berigt vernomen?”
„Wat is er gebeurd? – lieve Matilda, wat? Om ’s Hemels wil – spreek – ik ontstel! – Wat – ja – neen – het kan niet zijn! Spreek toch!” brulde Lord Crabs, mij bij den kraag pakkende „wat is er met mijn zoon gebeurd?”
„Met uw verlof, Mylord,” gaf ik tot antwoord, „op dit oogenblik zit hij in de gevangenis – omstreeks twee uren geleden werd hij gevat.”
„Gevangen! Algernon gevangen! onmogelijk – voor welke som? Zeg het mij maar, en ik zal den laatsten stuiver geven, dien ik bezit, om hem te verlossen!”
„Dat is zeer vriendelijk van u, Mylord,” zeide ik, aan het tooneel denkende, dat eenige dagen geleden tusschen hem en mijnheer was voorgevallen, toen hij hem om duizend pond wilde afzetten, „het zal u veel genoegen doen, te hooren, dat hij slechte om eene kleinigheid gevat werd – zoo wat vijf duizend pond, naar ik meen.”
„Vijf duizend pond! – O ellende?” riep Lord Crabs uit, de handen ineen slaande en een blik naar boven werpende, „ach – ik heb voor het oogenblik geen vijf honderd pond! Beste Matilda, hoe zullen wij hem toch helpen?”
„Helaas, Mylord, ik heb maar drie guiné’s in mijne beurs – en gij weet, hoe Lady Griffin de –”
„Ja wel, lief kind, ik begrijp wel, wat gij zeggen wilt; maar houd: moed – Algernon, zoo als gij weet, heeft zelf ruime middelen.”
Denkende, dat Mylord de vijf duizend pond van Dawkins bedoelde, van welke nog het grootste gedeelte overbleef, zweeg ik, maar ik was des niet te min zeer verbaasd over het buitengewone medelijden, dat Lord Crabs voor zijn zoon gevoelde, en ook, dat de jufvrouw, die tien duizend pond ’s jaars bezat, niet meer dan drie guiné’s op zak had.
Ik nam mede naar huis (o, wat een te huis was dat!) een zeer langen en zeer aandoenlijken brief van de jufvrouw, waarin zij hare droefenis te kennen gaf over de teleurstelling en zwoer, dat zij hem des te meer om zijn ongeluk beminde, hetwelk zij overigens voor zeer onbeduidend hield, daar men, om de geringe som van vijf duizend pond, den moed niet moest opgeven, vooral dewijl hij de zekerheid had van een ruim vermogen te bezitten; zij deed ook eene gelofte, dat niets – niets haar zou dwingen van hem af te zien, enz. enz.
Ik beschreef aan mijnheer, wat er tusschen mij en Lord Crabs was gebeurd, zijne milde aanbiedingen en bedroefdheid over de gevangenneming van zijn zoon; en bovendien verhaalde ik, hoe vreemd ik het vond, dat de jufvrouw, die zulk een groot vermogen bezat, slechts drie guiné’s op zak had; want ik onderstelde, dat zij altijd minstens honderd duizend pond in de beurs zou hebben!
Daarop zeide mijnheer slechts „Bah!”, maar het overige van mijn verhaal over zijn vader scheen hem zeer te verontrusten, en ik moest het van den beginne aan vertellen.
Hij wandelde ondertusschen zeer onrustig in de kamer heen en weder; het was, als of een lichtstraal voor hem op ging.
„Karel,” vroeg hij, „hebt gij er op gelet – scheen jufvrouw – scheen mijn vader zeer vertrouwelijk om te gaan met jufvrouw Griffin?”
„Hoe dat, mijnheer?” vroeg ik.
„Scheen Lord Crabs zeer veel van jufvrouw Griffin te houden?”
„Hij was zeker bijzonder vriendelijk jegens haar.”
„Kom, spreek maar op; scheen jufvrouw Griffin zeer ingenomen met hem te zijn?”
„Wel – om de waarheid te zeggen, mijnheer, ik moet bekennen, dat zij buitengewoon veel met hem op scheen te hebben.”
„Hoe noemde hij haar?”
„Hij noemde haar: lief kind.”
„Nam hij haar bij de hand?”
„Ja wel – en hij –”
„En hij – wat dan?”
„En hij kuste haar, en zeide, dat zij niet moest bedroefd wezen – over het ongeluk dat u wedervaren was.”
„Nu begrijp ik het!” riep mijnheer uit, den vuist ballende en verbleekende, „nu begrijp ik het! de vervl.... oude, grijze schelm! de booze, ontaarde schurk! Hij zoude haar mij willen ontvrijen!” en hij eindigde met eene menigte vloeken, die ik niet zal herhalen.
Ik had het al lang gedacht – toen Lord Crabs zijne bezoeken bij Lady Griffin zoo dikwerf herhaalde, en daar zoo bekend werd, wachtte ik den een of anderen streek van dien aard. Ik had ook van de dienstboden der dames vernomen, dat Lord Crabs bijzonder teeder in zijne oplettendheid jegens haar was geworden:
Intusschen was er iets, dat nu niet langer aan iemand, met de uitstekende verstandsvermogen van mijn meester begaafd, kon verborgen blijven: hij moest het meisje dadelijk tot zijne vrouw maken, of hij had zeer geringen kans, haar ooit de zijne te zullen noemen. Hij moest dadelijk uit de gevangenis zien los te komen, of zijn geëerbiedigde vader zou zijn plaats bij haar kunnen innemen.
O! nu begreep hij het alles duidelijk – de eerste poging om hem te arresteren, het huwelijk om twaalf uur vastgesteld, en de deurwaarders, geroepen, om het huwelijk te komen verhinderen – het duel tusschen hem en de l’Orge misschien – maar neen! eene vrouw had daarbij hand in het spel – een man kan zulke verraderlijke streken niet bedenken – vooral niet een vader jegens een zoon; eene vrouw doet wel eens zoo iets, arm schepseltje! zij heeft gene andere middelen in hare magt, om zich te wreken, en is haar geheele leven lang genoodzaakt, met verborgene wapens te strijden.
Hoe dit zij, Deuceace begreep nu duidelijk, dat hij in zijn eigen spel door zijn vader was overtroffen: er was een eerste strik voor hem gelegd geweest, aan welken hij ontgaan was, dank zij mijner tegenwoordigheid van geest – er was een tweede strik voor hem gelegd, – en zijn vader was er in geslaagd, om hem te vangen.