Chapter 12 of 12 · 2951 words · ~15 min read

Part 12

Mylady wees met den vinger op eene groote verlakte kist; dezelfde waaruit zij de papieren had genomen, toen zij ze aan Deuceace het eerst had laten zien, en gaf den fraaijen gouden sleutel er van aan Mylord. Ik ging naar buiten, ontmoette Deuceace en zijne vrouw op de stoep, bragt mijne boodschap over, en geleidde hen, met de meeste hoffelijkheid, naar binnen.

Lord Crabs stond niet op, maar rookte voort (misschien een weinig harder dan anders), Mylady zat regt op haren stoel en zag er jeugdig en bekoorlijk uit. Deuceace trad in de kamer – den linker arm in eene bandage, aan den regter arm zijne vrouw, en zijn hoed in de hand. Hij zag zeer bleek en scheen verstoord te zijn; zijne echtgenoote, arm schepseltje! verborg het gezigt achter den zakdoek, en snikte als of haar hart gebroken was.

Jufvrouw Kicksey, die in de kamer was (van haar had ik niet gesproken; in ons huis telde men haar minder dan niets), ging dadelijk naar mevrouw Deuceace toe en strekte de armen uit – zij had wel een hart die oude Kicksey, en ik heb haar daarom lief. Het arme bogcheltje wierp zich in hare armen, met eene soort van gil, en bleef een tijd lang, weenende en snikkende, als of zij het op de zenuwen kreeg.

Ik begreep, dat er een tooneel plaats zou hebben, en liet daarom de deur van de kamer even open.

„Welkom te St. Cloud, Algernon mijn jongen!” zeide Mylord, met harde, hartelijke stem. „Gij dacht, dat gij ons gefopt hadt, – niet waar, schelm, die gij zijt? Maar wij wisten van alles, beste jongen, wij kenden de geheele zaak – niet waar, vrouwtjelief? En, zoo als gij ziet, wij wisten ons geheim beter te bewaren, dan gij het uwe.”

„Ik moet bekennen,” zeide Deuceace buigende, „dat ik mij het geluk niet voorstelde, dat mij in de gestalte van eene schoonmoeder heeft verrast.”

„Neen, mijn jongen, neen – neen!” zeide Lord Crabs lagchende: „oude vogels kan men niet, zoo als de jonge, met lijm vangen. – En zoo zijn wij dan nu eindelijk allen getrouwd, en gelukkig ook. – Ga zitten, Algernon, laat ons eene sigaar opsteken, en praten over de gevaren en avonturen, die de vorige maand heeft opgeleverd. Kom, liefste,” ging Mylord voort, zich tot zijne echtgenoote wendende, „gij zijt, hoop ik, niet meer boos op den armen Algernon? Geef hem toch de hand!” voegde hij er grinnikende bij.

Lady Crabs evenwel stond op en zeide: „Ik heb reeds aan den heer Deuceace verklaard, dat ik wenschte hem nooit weder te zien of te spreken; ik zie nu geene reden, om van meening te veranderen.”

Met deze woorden zeilde zij deftig uit de kamer, door de deur, welke jufvrouw Kicksey open had gelaten, toen zij de arme mevrouw Deuceace in hare armen naar buiten bragt.

„Nu, nu,” zeide Mylord, toen Lady Crabs de kamer verliet, „ik hoopte, dat zij u vergeven had; maar ik ken nu de geheele geschiedenis, en wáár is het, gij hebt haar wreed behandeld. Twee vogeltjes onder hetzelfde net: dat was uw spel, niet waar, schelm?”

„Meent gij, Mylord, dat gij alles weet, wat tusschen mij en Lady Griffin – ik bedoel Lady Crabs – gebeurd is – voor onze – onze oneenigheid?”

„O ja – alles! Gij hebt haar het hof gemaakt, en zij was bijna op u verliefd – gij hebt haar, om het geld, in den steek gelaten – en uit wraak zocht zij iemand, om u de hand af te schieten. – Dat is gek voor het dobbelspel, Deuceace, geen sauter la coupe nu meer. – Ik begrijp waarachtig niet, hoe gij zonder de dobbelsteenen zult kunnen leven.”

„Dat is wel vriendelijk van u, Mylord,” zeide Deuceace, zeer kwaadaardig en tevens ongerust wordende, „maar ik ben voornemens, om in het geheel niet meer te spelen.”

„O – zóó? De getrouwde Benedict [10] gaat zich bekeeren! Het wordt hoe langer hoe beter – zijt gij voornemens op den duur geestelijke te worden?”

„Mag ik u verzoeken, Mylord, een weinig ernstiger te willen spreken?”

„Ernstiger? A quoi bon? Ernstig ben ik – ja, ernstig in mijne verwondering, dat, toen het in uwe keuze was, de eene of andere van deze vrouwen te nemen, gij de voorkeur kondt geven aan uwe tegenwoordige, afschuwelijk leelijke echtgenoote!”

„Mag ik nu, op mijne beurt, vragen, hoe het komt, dat gij zoo weinig moeijelijk in de keuze van eene echtgenoote zijt geweest, dat gij eene vrouw hebt willen nemen, die pas op uw zoon was verliefd geweest?” vroeg Deuceace, kwaad wordende.

„Hoe kunt gij toch zulke vragen doen? Ik heb schulden, ten bedrage van veertig duizend pond – men heeft beslag op alles gelegd te Sizes-hall – ieder morgen lands, dat ik bezit, is in de handen mijner schuldeischers; daarom heb ik haar getrouwd. Lady Crabs is eene schoone vrouw – gek is ze ook lang niet – zij trouwde met mij, om gravin te worden – ik met haar, om het geld.”

„Nu; dan behoeft gij mij niet te vragen, waarom ik met hare stiefdochter getrouwd ben.”

„Ja, maar dat moet ik toch doen, beste jongen; hoe drommel kunt gij leven? De vijf duizend pond van Dawkins zullen niet eeuwig duren, en wat moet gij naderhand doen?”

„Gij wilt doch niet zeggen, Mylord – gij kunt toch niet – gij bedoelt waarachtig niet – verd....!” brulde hij opspringende: „gij durft toch niet beweren, dat jufvrouw Griffin niet tien duizend pond ’s jaars bezit?”

Mylord was bezig met eene sìgaar op te rollen en tusschen de lippen te bevochtigen – hij keek eventjes op, toen hij ze opgestoken had, en zeide zeer bedaard:

„Mejufvrouw Griffin hàd zekerlijk een vermogen van tien duizend pond ’s jaars –”

„Wel – en hoe zoude zij het nu niet hebben? Heeft zij alles in ééne week doorgebragt?”

„Nu heeft zij geen cent meer: zij trouwde zonder de toestemming van hare stiefmoeder!”

Deuceace viel verpletterd op een stoel – nooit heb ik zulk eene vreesselijke uitdrukking van wanhoop gezien, als op het gezigt van dien ellendigen te lezen was – hij kromp in één op den stoel – hij knarste met de tanden – hij verscheurde zijne kleederen – hij trok stuipachtig met den stomp van den linker arm – tot dat hij, geheel en al uitgeput, zijn bleek gelaat er mede bedekte, en zich op den stoel achterover werpende, vrijen loop liet aan zijne tranen.

Bah! het is iets verschrikkelijks, een man te zien weenen – zijne aandoeningen moeten, als het ware met de wortels, uit de diepte van zijn hart worden gerukt, eer hij zich op deze wijze lucht geeft. – Intusschen rolde Mylord zijne sigaar op, begon te rooken en ging voort te zeggen:

„Mijn waarde jongen, het meisje heeft geen stuiver meer ter wereld. – Ik had gewenscht, u in vrede te laten, met uwe vier duizend pond; daarvan hadt gij fatsoenlijk in Duitschland kunnen bestaan, waar men vijf per cent voor zijn geld krijgt; waar uwe schuldeischers u niet ontdekt zouden hebben, en waar gij en uwe vrouw van twee honderd pond ’s jaars best had kunnen leven. Maar Lady Crabs wilde er niet van hooren. Gij hadt haar beleedigd, en nadat zij getracht had u te dooden en dit haar mislukt was, besloot zij u te gronde te rigten, en daarin is zij geslaagd. Ik moet evenwel bekennen, dat ik uwe gevangenneming bestuurde en haar overhaalde, om uwe wissels op te koopen; zij kreeg ze overigens voor eene kleinigheid, en daar gij alles hebt betaald, heeft zij ruim twee duizend pond aan de zaak verdiend. Het is waar, het was pijnlijk voor een vader, zijnen zoon te doen gevangen nemen, mais que voulez vous? In het openbaar trad ik niet tegen u op. – Zij wilde bepaaldelijk u tot een bedelaar maken, en het was noodzakelijk, dat gij getrouwd moest wezen, om dat doel te bereiken; daarom bepleitte ik uwe zaak bij mejufvrouw Griffin en hielp u tot den gelukkigen mensch maken, die gij op dit oogenblik zijt. – O, gij schelm! gij schelm! gij dacht, dat gij tegen uw ouden vader opgewassen waart – niet waar? Maar dat doet er nù niet toe – het ontbijt zal straks op tafel zijn; intusschen steek eene sigaar op, en drink een glas Sauterne.”

Deuceace, die deze aanspraak met stilzwijgen had aangehoord, sprong razend op:

„Ik geloof het niet!” zeide hij, „het is een leugen, een vervl..... leugen! gesmeed door u, grijze schurk, en door de moordenares en ligtekooi, die gij tot uwe vrouw hebt gemaakt. Ik wil het niet gelooven; laat mij het testament zien! Matilda! Matilda?” brulde hij met heesche stem, de deur open werpende, door welke zij uit de kamer was gegaan.

„Wees bedaard, mijn jongen, wees bedaard; gij zijt ontsteld en ík heb medelijden met u, maar gebruik toch zulke gemeene taal niet – geloof mij, het is geheel en al onnoodig.”

„Matilda!” schreeuwde Deuceace weder, en het arme, kromme schepseltje kwam de kamer in, gevolgd door jufvrouw Kicksey.

„Is dit waar, wijf?” riep hij uit, haar bij den arm grijpende.

„Wat dan, lieve Algernon?” zeide zij.

„Wat?” schreeuwde Deuceace – „wat? Dat gij eene bedelaarster zijt, omdat gij zonder de toestemming van uwe stiefmoeder met mij getrouwd zijt – dat gij mij verraderlijk belogen hebt, om dit huwelijk tot stand te brengen – dat gij eene bedriegster zijt, in verbond met dien ouden duivel daar, en zijne helsche vrouw?”

„Wáár is het,” snikte de arme vrouw, „dat ik geen geld heb, maar –”

„Maar – maar – waarom spreekt gij niet op, onnoozele gekkin?”

„Ik heb niets –! Maar gij, waarde man, hebt twee duizend pond ’s jaars. Is dat niet genoeg voor ons? Gij bemint mij, om mijzelve, niet waar, Algernon? Gij hebt het mij wel duizend maal gezegd – o, zeg het toch weder, lieve man, wees toch niet zoo hard tegen mij!” En met deze woorden zonk zij op de knieën, sloeg den arm om hem heen, en trachtte zijne hand te, vatten en die te kussen.

„Hoe veel zeidet gij?” vroeg Lord Crabs.

„Twee duizend pond ’s jaars – hij heeft het ons honderd maal verteld.”

„Twee duizend, pond! twee dui... ho, ho, ho! ha! ha! ha!” proestte Mylord, „ik verklaar, dat ik in mijn leven niets gehoord heb, dat aardiger bedacht was. – Mijn lief kind, hij heeft geen cent – geen enkele cent, bij alle goden en godinnen!” En deze voortreffelijke edelman begon harder dan te voren te lagchen; men moet bekennen, dat hij een zeer fijngevoelig mensch was.

Er volgde een kort stilzwijgen, en toen begon mevrouw Deuceace, niet te vloeken en te razen tegen haren echtgenoot, zoo als hij tegen haar had gedaan, maar zij zeide tot hem:

„O, Algernon, is dit alles wáár?” Toen hief zij zich op, ging naar een stoel en weende in stilte.

Mylord opende de groote kist: „Indien gij, of uw advokaat, lust mogt hebben, het testament van Sir George na te zien, het staat tot uwe dienst – Gij zult de bepaling er in vinden, van welke ik gesproken heb; volgens deze, is het geheel vermogen nu in het bezit van Lady Griffin, de tegenwoordige Lady Crabs; en nu begrijpt gij, mijn lieve jongen, hoe gevaarlijk het is, onberadene gevolgtrekkingen te maken. Lady Crabs liet u slechts de eerste bladzijde van het testament lezen – zij wilde u natuurlijk op de proef stellen. Gij dacht, dat gij een slimmen zet deedt, toen gij mejufvrouw Griffin ten huwelijk vroegt! Let er niet op, mijne lieve, hij houdt nu van u met de meeste opregtheid – maar gij, Algernon, hadt beter gedaan, om vooraf het overige van het testament te lezen. Gij werdt geheel en al gefopt, mijn jongen, om den tuin geleid, overlist, door uw ouden vader – schurk, die gij zijt. Ik had het u beloofd, dat weet gij wel, toen gij weigerdet, mij een gedeelte van het geld, dat gij van Dawkins hadt gekregen, te leenen. Ik had het u beloofd, en ik heb woord gehouden. Den volgenden dag reeds had ik u in mijne magt. Laat dit eene les voor u wezen, Percy, mijn jongen; beproef uw geluk niet weder tegen menschen van ondervinding; verzin eer gij begint; audi et alteram partem, vriendje, hetgeen zeggen wil, lees het begin en het einde van een testament. Maar ik geloof, dat het ontbijt op tafel staat, en ik zie, dat gij niet rookt – Zullen wij naar binnen gaan?”

„Één oogenblik, Mylord,” zeide Deuceace zeer nederig geworden, „ik zal geen gebruik van uwe gastvrijheid maken – maar – maar – gij kent mijn toestand; ik ben van alle middelen beroofd – gij weet ook, op welke wijze mijne echtgenoote werd opgevoed –”

„Mevrouw Deuceace, mijnheer, zal steeds hier een te huis vinden; even als of er niets gebeurd was, wat de vriendschap tusschen hare lieve moeder en haar kon verstoren.”

„En wat mij aangaat,” zeide Deuceace, met eene zeer flaauwe stem, en zeer langzaam, „ik hoop – ik vertrouw – dat gij mij niet zult vergeten?”

„U vergeten –? O neen – zeker niet!”

„En dat gij mij eenige hulp zult verleenen –?”

„Algernon Deuceace,” zeide Lord Crabs, van de sofa opstaande en hem met eene opgeruimde, lagchende kwaadaardigheid aanziende, wier weerga ik nooit meer heb gezien, „ik verklaar, bij alles, wat heilig is, dat ik u geen cent zal geven!”

Met deze woorden bood hij de hand aan mevrouw Deuceace, en zeide:

„Kom, mijne lieve, willen wij bij uwe moeder gaan? Hier zijt gij, ik heb het reeds gezegd, te huis.”

„Mylord,” antwoordde het arme schepseltje, met eene diepe buiging, „mijn te huis is bij hem!”

Ongeveer drie maanden later, toen het saison begon te Parijs, en de herfstbladeren afvielen, gingen Mylord, Mylady, ik en Mortimer wandelen in het Bois de Boulogne; het rijtuig reed langzaam vooruit; wij waren in eene zeer gelukkige stemming, onder het genot van de schoone gezigten en het gouden avondrood.

Mylord was aan het praten met Mylady, over de verrukkelijke schoonheid van het tooneel, en gaf lucht aan zijne gevoelens in eene menigte heerlijke en stichtelijke uitdrukkingen, die met het oogenblik in volmaakte overeenstemming waren. Het was aandoenlijk, hem te hooren spreken.

„Ach,” zeide hij, „het hart moet ongevoelig zijn als steen, dat niet getroffen wordt door de schoonheid der natuur; dat niet, als het ware, van den hemel, van waar de zon ons hare vriendelijke stralen toezendt, eene zee van zaligheid inzwelgt, niet met elken polsslag de genietingen inademt, die de aarde haren gelukkigen bewoner biedt!”

Lady Crabs gaf geen antwoord, maar zij drukte hem den arm, en rigtte een blik ten hemel.

Mortimer en ik gevoelden ook iets van den indruk van dit tooneel, en leunden zwijgende op den gouden knop van onze rottingen. Het rijtuig bleef op ons wachten, en Lord en Lady Crabs slenterden langzaam er op toe.

Juist op deze plaats was eene bank, en op de bank zat eene armoedig gekleede vrouw; tegen een boom leunde een man, dien ik mij verbeeldde, vroeger gezien te hebben. Hij droeg een kalen blaauwen rok, met witte naden en blinkende knopen, een versleten hoed bedekte zijn hoofd, lang haar en een groote baard gaf hem iets buitengemeen afzigtelijks: daarbij was hij ongeschoren en wit als marmer.

Mylord en Mylady sloegen in het minst geen acht op hem, maar gingen voorbij naar het rijtuig. Ik en Mortimer namen ook onze plaatsen, achter op. Op het oogenblik, dat wij hen naderden, had de man de hand op den schouder van de vrouw gelegd; zij liet het hoofd hangen en weende bitter.

Zoodra Lord en Lady Crabs in het rijtuig zaten, proestten beide het uit van lagchen – met de meeste kieschheid en gevoeligheid – harder en harder gillende en schreeuwende, zoo zelfs, dat de plegtige avondstilte er geheel en al door gestoord werd.

Deuceace keerde zich om – ik kan mij nog zijn gezigt voorstellen – het gezigt van een duivel uit de hel! Eerst zag hij naar het rijtuig, en wees er op met, zijn verminkten arm; toen hief hij den anderen arm op, en sloeg de vrouw aan zijne zijde met den vuist. – Zij gaf een gil en viel op den grond!

Arme vrouw –! Arme vrouw!

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Er zijn nog andere Yellowplush papers, die echter, als van geheel lokalen aard, hoegenaamd niets aantrekkelijke konden hebben voor een Hollandsch publiek.

[2] De Heer Yellowplush bedoelt waarschijnlijk Methusalem. – Wij nemen deze gelegenheid waar om aan te merken, dat, gelijk eenige lezers ontdekken zullen, hij zich herhaaldelijk aan diergelijke vergissingen schuldig maakt, die wij echter niet verder zullen aanwijzen.

[3] Het gebouw waarin het Lagerhuis vergadert.

[4] Toespeling op een verschrikkelijken moord, omtrent veertig jaren geleden in Engeland gepleegd.

[5] Aan Doctor’s Commons, eene regtbank te Londen, is een bureau verbonden, waar afschriften van alle testamenten, eer zij uitgevoerd worden, gedeponeerd en geregistreerd worden: dit noemt men „publishing a will” Tegen betaling van één shilling, kan iedereen inzage, van welk testament hij verkiest, verkrijgen.

[6] De beroemde clown die gedurende vele jaren te Londen de lieveling van het publiek was.

[7] De „Yellowplush papers” verschenen eerst in Fraser’s Magazine.

[8] Billingsgate is de groote vischmarkt te Londen, en de dames dáár zijn even bekend om hare schandelijke taal als de poissardes van Parijs en de vischvrouwen in Holland.

[9] Het is gebruikelijk in Engeland, huwelijken, op in den tekst beschrevene wijze, aan vrienden en bloedverwanten aan te kondigen – de koek wordt bruidskoek genaamd. – Sommige buitengewoon teedervoelende jonge dames leggen het ontvangene stuk koek ’s nachts onder het hoofdkussen, in de hoop dat zij van hun aanstaanden echtgenoot zullen droomen.

[10] Toespeling op het karakter van Benedict in Shakspeare’s „Taming of the Shrew.”