Part 5
Best – wij kwamen dan te Dover aan en gingen naar het Ship-hôtel – eene kalfscarbonnade: een half guinéa – een glas ale: een shilling – een glas wijn en water: twee shillings en zes stuivers – voor een dubbeltje waskaarsen: vier shillings enz. Maar mijnheer betaalde zonder te morren – zoo lang het voor zich zelven was, bekommerde hij zich om de onkosten niet – en den volgenden dag scheepten wij ons in naar Boulogne-sur-Mer, hetgeen op zijn Fransch zeggen wil, de stad Boulogne gelegen op zee. Ik, die reeds veel van buitenlandsche wonderen had gehoord, verwachtte, dat dit een der grootste van allen zoude zijn; men verbeelde zich dan mijne teleurstelling, toen wij daar aankwamen, en toen ik ontdekte, dat Boulogne niet op zee, maar aan wal gelegen was. Maar ach! het daarheen komen; dat was het moeijelijke! Wat verlangde ik weder naar Pump-court, terwijl wij in het kanaal geslingerd werden! Lieve lezer, zijt gij ooit op den oceaan geweest: „de zee, de zee, de ruime zee”? gelijk Barry Cornwall zingt. Zoodra wij aan boord van ons kleine schip waren, en ik mijnheer’s bagage en de mijne (die in een zeer kleinen zakdoek gerold was) had geborgen; zoodra, zeg ik, als wij aan boord waren, en ik de golven zag, donker en schuimend, als pas afgetapt bier, tegen de ribben van ons dapper vaartuig aanbruisende; de kiel, als een hakmes de baren klievende; toen ik de zeilen zag heen en weêr fladderen in den wind, den standaard van Engeland boven in den mast wapperen, den hofmeester de kommen en zoo voort gereed maken; toen ik den kapitein zag, fier op het verdek op en neder stappende en zijne bevelen aan de zeelieden gevende; toen ik de witte rotsen van Albion en de bad-koetsen in de verte zag verdwijnen – toen – toen gevoelde ik voor het eerst – de verhevenheid – de onbekrompenheid van het menschelijke leven.
„Yellowplush, mijn jongen,” zeide ik in gesprek met mij zelven – „uw leven is nu op het punt van te beginnen – uwe loopbaan als man dagteekent van het oogenblik, dat gij den voet aan boord van dit schip hebt gezet. Zijt wijs – zijt moedig en voorzigtig – vergeet de dwaasheden uwer jeugd. Gij zijt niet meer een loopjongen – gij zijt nu reeds een bediende – werp ter zijde uwe tollen – uwe knikkers – uwe kinderspelen – trek uwe kinderschoenen uit, tegelijk met het bemorste buis, dat gij als schoolknaap hebt gedragen – werp – –”
Hier herinner ik mij, dat ik genoodzaakt werd, uit te scheiden. Een gevoel, dat, in de eerste plaats, buitengewoon was, in de tweede plaats pijnlijk en eindelijk ten derde geheel en al overweldigend, had mij overvallen, terwijl ik deze redevoering uitsprak, en ik bevond mij nu in een toestand, dien de welvoegelijkheid mij verbiedt, te beschrijven. Genoeg zij het, te verzekeren, dat ik nu ontdekte, waartoe men kommen kon gebruiken – dat ik, gedurende vele uren, in eene pijnlijke uitputting daarneder lag – als het ware overleden en dood, terwijl de regen kletterde op mijn aangezigt en de matrozen stampten op mijn ligchaam, dat van binnen door de martelingen van het vagevuur werd gepijnigd.
Toen wij omstreeks vier uren in dezen toestand geweest waren (mij schenen zij vier jaren te duren), kwam de hofmeester naar dat gedeelte van het verdek, waar wij dienstboden allen bij elkander lagen.
„Karel!” riep hij.
„Ja!” antwoordde ik, met eene stervende stem, „ja, wat is er te doen?”
„Men heeft u noodig.”
„Waar?”
„Uw heer is zeer ziek,” zeide hij grinnikende.
„Mijnheer kan naar de maan gaan, voor mijn part!” was mijn antwoord, en ik keerde mij om, nog ellendiger dan te voren. Ik was op dat oogenblik voor twintig duizend mijnheers niet opgestaan; neen, niet eens voor den keizer van Rusland of den paus van Rome.
Nu dan, om van dit treurig onderwerp af te komen; ik heb sedert dien tijd vele reizen gedaan, op hetgeen Shakspeare „het ruime sop” noemt; maar nooit heb ik zooveel uitgestaan als op de reis van Dover naar Boulogne in het jaar 1848. Stoombooten waren in die dagen niet menigvuldig, en wij deden den overtogt in een zeilschip. Eindelijk, toen ik zoo uitgeput en wanhopend was, dat ik mij begon te verbeelden aan den rand van het graf te zijn, bereikten wij het doel van onze reis. Des avonds laat begroetten wij de gallische kusten en wierpen het anker in de haven van Boulogne-sur-Mer. Het was de ingang van het Paradijs voor mij en voor mijnheer, en toen wij in het stille water kwamen en de heldere lichten zagen schitteren in de huizen op het strand, en gevoelden dat de beweging van het schip hoe langer hoe minder werd, toen kende onze blijdschap geene palen.
Wij bereikten den wal, onze reize was ten einde; maar van mijn leven heb ik zulk een gewoel en geschreeuw, babbelen en gillen, vloeken en verwenschen niet gehoord, als dat, waarmede wij begroet werden, toen wij landden. In de eerste plaats kwamen er aan boord tolbeambten met steken op, die onze bagage bemagtigden, en naar onze paspoorten vroegen; daarop volgde eene menigte oppassers uit de verschillende logementen, de een vóór, de ander na, over het dek vliegende. – „Dezen kant uit, mijnheer!” riep er één. „Hôtel Meurice!” schreeuwde een tweede. „Hôtel des Bains!” gilde de derde. De toren van Babel was niets, in vergelijking daarmede.
Het eerste, dat mij trof, toen ik aan wal stapte, was een groote kerel met oorringen, die mij bijna omver stootte, terwijl hij mij den reiszak van mijnheer, dien ik naar het hôtel droeg, uit de hand rukte. Maar eindelijk kwamen wij er veilig aan, en voor de eerste maal van mijn leven, sliep ik in een vreemd land.
Ik zal de stad Boulogne niet beschrijven, wijl zij, sedert ik daar voor de eerste maal was, nu twintig jaren geleden (om er een slag in te slaan), door niet minder dan twee millioen Engelschen werd bezocht, en daarom reeds voldoende bekend is. Het is, volgens mijn gevoel, eene treurige, sombere plaats; het eenige, dat zich in de straten beweegt, is de goot, die er door heen stroomt. Klompen heb ik daar weinig gezien, en wat kikvorschen aangaat; ik zag nooit, dat een Franschman er een opat, hoewel men mij heeft doen gelooven, dat zulks hunne geregelde, maar zeer verachtelijke gewoonte is,
De stad is, gelijk iedereen weet, verdeeld in de Haute-ville (op een berg gelegen, door een hoogen muur of boulevard omgeven) en in de Basse-ville op den rand van den oceaan gebouwd. Het was in de Basse-ville dat Deuceace ging wonen, in het hôtel des Bains, in eene zeer kromme straat, de Rue de l’Écu genoemd; en voorwaar, indien hij de hertog van Canterbury of de aartsbisschop van Devonshire ware geweest, had hij zich niet hoogmoediger kunnen gedragen.
Niets was ons nu te goed; wij huurden eene suite kamers, op de eerste verdieping, welke anders altijd door den eersten minister van Frankrijk werden bewoond (ten minste de waard zeide, dat zij au premier waren), en de hoog welgeboren heer Algernon Percy Deuceace, die zijde waschvrouw niet betaald had en met de diligence naar Dover was gereisd, scheen zich nu te verbeelden, dat goud te gemeen voor hem was, en dat eene koets met zes paarden naauwelijks een man van zijn gewigt kon dragen. De Champagne-kurken vlogen als of het maar gember-bier was, behalve Bordeaux-, Bourgogne- en andere wijnen, en al de lekkernijen van de tafels van Boulogne. Wij bleven veertien dagen in deze treurige plaats, en deden niets anders, van den vroegen morgen tot den laten avond, dan op het strand wandelen, om door middel van instrumenten, die men verrekijkers noemt, de schepen de haven te zien uit- en inloopen. Onze vermaken, gedurende deze veertien dagen, waren talrijk en bekoorlijk tevens, inderdaad niets kon meer piquant zijn, gelijk men zegt.
Des morgens, vóór het ontbijt, wandelden wij, met ons beiden, rondom de haven; mijnheer droeg een blaauw zeemans-buis en ik mijne nieuwe liverei; wij waren beiden met de pas gemelde werktuigen – de verrekijkers (deze is de kunstnaam) – gewapend. Door dezelve beschouwden wij zeer aandachtig, ten eerste, den oceaan, dan het zeegras, dan de rotsen, dan de doode katten en de vischwijven, en dan de golven, die gelijk kleine kinderen over elkander rolden, en haar best deden, het eerst aan wal te komen. Mij dacht, dat zij zich moeite gaven, om daar heen te komen, juist als of ze zeeziek waren en naar de gezegende en vreedzame terrafirma verlangden.
Na het ontbijt gingen wij weder naar het strand – ieder op zijn eigen houtje – (want mijne dienst in deze buitenlandsche stad was zoo goed als eene sine-cure), en onze oogen weder in aanraking brengende met onze verrekijkers, beschouwden wij, op nieuw, beurtelings den oceaan en de rotsen, de doode katten en het overige; dit duurde tot etenstijd, en het eten duurde tot het tijd was om naar bed te gaan, en het slapen duurde tot den volgenden dag; dan kwam het ontbijt, en het eten, en de verrekijkers, gelijk den dag te voren. Op deze wijze brengt de geheele bevolking van deze stad het leven door; er zijn daaronder, gelijk ik vernomen heb, tien duizend gelukkige Engelschen, die deze aangename bezigheden volhouden, van het begin tot het einde van het jaar.
Behalve dit heeft men het billard en het spel voor de heeren, eenige weinige danspartijen voor de meisjes, en het kwaadspreken voor de oude dames. Wij namen deel aan geen van deze vermaken. Wij achtten ons iets te goed, om kaart te spelen voor rijksdaalders, en nooit betaald te worden als wij wonnen; veel minder gevoelden wij ons geroepen, de armoedige meisjes na te loopen, of ons den tijd te verkorten met jonge dames om stuivers te spelen, en thee te drinken met de oude wijven. Neen, neen! – mijnheer was nu een voornaam man, en gedroeg zich dien overeenkomstig. Indien hij zich ooit vernederde, om in het salon van het hôtel des Bains, door de Franschen de salle à manger genoemd, te treden, vloekte hij meer en harder dan iemand der aanwezigen; hij schold op de knechten, het eten en den wijn. Met zijn lorgnet in het oog geknepen, staarde hij iedereen in het gezigt. Hij nam altijd de plaats in voor het vuur. Hij sprak over „mijn rijtuig” – „mijn koerier” – „mijn lijfknecht”, en hij had gelijk. Ik heb altijd gezien, dat indien men zich door Engelschen wil doen eerbiedigen, men onbeschoft jegens hen moet wezen, vooral indien men een adellijke spruit is. Wij houden er van, om door edellieden te worden mishandeld; het bewijst, dat ze zeer vertrouwelijk met ons omgaan. Geloof mij, ik heb vele mannen van de wereld gekend, die liever zouden hebben, dat een edelman hun een schop gaf, dan dat hij toonen zoude hen niet te kennen. Zij hebben zelfs mij een zekeren graad van eerbied bewezen, alleen omdat ik de knecht van een edelman was. Terwijl mijnheer den baas speelde in het salon te Boulogne, kan men er op aan, dat ik het in de keuken niet minder deed; het gevolg er van was, dat wij beter bediend en meer bemind werden, dan vele menschen, die tweemaal zooveel verdiensten bezaten.
Deuceace had zonder twijfel eenige bijzondere plannen, welke hem zoolang te Boulogne ophielden, en klaarblijkelijk was het zijn wensch, om een tijdlang dáár den vermogenden man te spelen, eer hij die rol te Parijs op zich nam. Hij kocht een rijtuig, hij huurde een koerier, hij gaf mij een splinternieuwe liverei met galons bedekt. Voor duizend pond van het geld, dat hij van den armen Dawkins gewonnen had, liet hij zich een credietbrief geven op een huis in Parijs; ter zelfder tijd liet hij aan den bankier te Boulogne zien, dat bij nog een groote som in zijn portefeuille bezat. Daardoor bereikte hij een dubbel doel: de bankiersklerken verspreidden het nieuws door de geheele stad, en den dag, nadat mijnheer zijn geld had laten zien, had elke oude vrouw in Boulogne den stamboom der Crab’s in het Peerage opgezocht, en was naauwkeurig bekend geworden met den naam en de bezittingen der Deuceace’s. Indien Satan zelf een pair van het rijk ware, dan geloof ik opregt, dat vele deugdzame Engelsche moeders hem gaarne tot schoonzoon zouden hebben.
Hoewel mijnheer goedgevonden had, Londen te verlaten, zonder aan zijnen vader zijn voornemen mede te deelen, dat hij eene buitenlandsche reis wilde doen, schreef hij, zoodra hij zich te Boulogne bevond, een brief aan lord Crabs, waarvan ik toevallig een afschrift bezit. Het luidt aldus:
„Boulogne, 15 Januarij.
„Waarde vader!
„Sedert langen tijd heb ik, in den loop mijner juridische studiën, de noodzakelijkheid gevoeld, om de Fransche taal grondig te kennen, daar de vroegere geschiedenis van alles wat mijn vak betreft, in die taal is geschreven; tevens heb ik besloten een weinig uitspanning te nemen, daar mijn altijd zittend leven een hoogst nadeeligen invloed op mijne gezondheid heeft gehad. Indien mijne geringe middelen eene afwezigheid van twee maanden toelaten, en voldoende zijn voor een verblijf in Parijs, ben ik voornemens, gedurende dien tijd dáár te blijven.
„Wilt gij de goedheid hebben mij een aanbevelingsbrief te zenden aan onzen ambassadeur, lord Bobtail? Mijn naam alleen, en zijne oude vriendschap voor u, ik weet het, zouden mij, ook zonder iets meer, eene goede ontvangst bij hem verzekeren; maar een dringende brief, regtstreeks van u, zoude tevens beleefder zijn, en met meer kracht voor mij werken.
„Mag ik u ook verzoeken om het laatste kwartaal van mijne jaarwedde? Ik geef niet veel geld uit, waarde vader, zoo als gij weet; maar ik ben geen kameleon, en vijftig pond, gevoegd bij de kleinigheden, die ik in mijn vak heb verdiend, zouden de agrémens van mijn buitenlandsch reisje zeer vergrooten.
„Hartelijke groeten aan al mijne broeders en zusters. Ach! hoe vurig wenschte ik, dat het harde lot van een jongeren zoon mij niet had getroffen, en dat ik leven kon, zonder in de noodzakelijkheid te zijn, den kost te verdienen, gelukkig, in de landelijke tooneelen mijner jeugd, en in uw en mijner lieve zusters gezelschap! De Hemel schenke u zijn besten zegen, waarde vader, en aan allen, die nog het lieve, oude huis te Sizes bewonen.
„Steeds uw liefhebbende zoon
„Algernon.
„Den hoog geboren heer, grave van Crabs, enz, enz.
„Sizes-court, Buckinghamshire.”
Op dezen beminnelijken brief antwoordde zijne heerlijkheid, met omgaanden post, gelijk volgt:
„Waarde Algernon!
„Uwen brief heb ik ontvangen, en ingesloten vindt gij den verlangden aan lord Bobtail. Hij is een best mensch, en heeft een der uitstekendste koks in Europa.
„Wij waren allen zeer getroffen door de hartelijke gevoelens, waarmede gij jegens ons bezield blijft, vooral daar wij u in zeven jaren niet gezien hebben. Zeer aandoenlijk is de teedere liefde, waarmede, in weêrwil van tijd en afwezigheid, gij nog zoo sterk aan het vaderlijke huis gehecht zijt. De wereld is slecht en vol zelfzucht, en zeer weinigen, die er in zijn, kunnen die jeugdige gevoelens bewaren, die u, mijn dierbare zoon, bezielen.
„Ik ben zeer bedroefd – van harte bedroefd – dat mijne balans bij den bankier Coutts voor het oogenblik zoo gering is, dat ik niet in staat ben, om uwe jaarwedde uit te keeren.
„In mijn boek zie ik, dat ik u nu negen kwartalen – vier honderd en vijftig pond in het geheel – schuldig ben. Reken daarop, waarde zoon, dat zij u stiptelijk zullen uitbetaald worden, bij de eerste gelegenheid,
„Apropos – ik heb eenige uittreksels uit de couranten ingesloten, waarin gij misschien belang zult stellen.
„Ik heb ook een wonderlijken brief ontvangen van een heer Blewitt, eene speelschuld betreffende, waarop ik veronderstel, dat in de dagbladen gedoeld wordt. Hij zegt, dat gij vier duizend zeven honderd pond hebt gewonnen van een zekeren Dawkins; dat deze mensch ze u ook betaald heeft; dat hij, Blewitt, zoo als hij het noemt, „gelijk op” met u, de winsten had zullen deelen, maar dat gij later weigerdet, hem zijn deel van den buit te geven. Hoe kunt gij toch, waarde zoon, u vernederen door twisten met zulk gemeen volk, of u bloot geven, op welke wijze het ook zij, aan hunne aanvallen? Ik heb in mijn tijd ook veel gespeeld, maar er leeft niemand, die mij van iets dubbelzinnigs kan beschuldigen. Gij hadt dezen Blewitt, òf moeten doodschieten, òf hem betalen. Zoo als de zaken nu gesteld zijn, is het te laat, om het eerste te doen, en wat het laatste betreft, dat zou misschien overtollig zijn. Herinner u steeds, mijn dierbare jongen, dat gij het nooit wagen moet, omtrent een schurk oneerlijk te zijn. Maar het is zeker, twee duizend vier honderd pond waren een groote coup.
„Daar uw beurs nu goed voorzien is, zult gij, beste Algernon, mij wel vijf honderd pond kunnen leenen – op mijn woord van eer, zoo waar ik leef – ik zal ze u terug betalen. Uwe broeders en zusters zenden u hun hartelijken groet. Behoef ik er nog bij te voegen dat gij den zegen hebt van
„Uwen liefhebbenden vader
„Crabs.
„P.S. Leen mij vijfhonderd en vijftig pond en ik zal u eene acceptatie voor duizend pond zenden.”
Het is natuurlijk, dat het niet geheel en al overeenkomstig de oogmerken van den heer Deuceace was, zijn vader vijfhonderd pond te leenen! Hij zoude hem even gaarn een pak slaag gegeven hebben! In de eerste plaats, hij had den ouden Crabs in zeven jaren niet gezien, gelijk die oude edelman in zijn brief had opgemerkt; in de tweede plaats haatte hij hem, en in de derde plaats, al had mijnheer hem nog zoo zeer bemind, bestond er toch iemand, dien hij nog meer beminde, namelijk den zoon van zijn vader; eerder dan dien uitstekenden jongen man van één enkelen stuiver te berooven, zoude hij alle vaders ter wereld liever te Newgate zien hangen, en „zijne beminde zusters”, gelijk hij de freules Deuceace noemde, als veroordeelden naar Botany-Bay zien zenden.
De uittreksels uit de dagbladen bewezen, dat, hoezeer wij ook wenschen mogten, al hetgeen omtrent het spelen was gebeurd, geheim te houden, het publiek er volmaakt mede bekend was. Ik heb later ontdekt, dat Blewitt de schrijver was van de volgende lasteringen, welke overal verspreid werden:
„het spel in de groote wereld. Alweêr de hoog welgeboren heer De–e–ce! – Deze beroemde whist-speler heeft weder zijne bekwaamheden tot zijn voordeel aangewend. Op Vrijdag den 16 Januarij won hij vijfduizend pond van een zeer jongen heer, Th–m–s Sm–th D–wk–ns genoemd, terwijl hij tweeduizend vijfhonderd pond verloor aan den heer R. Bl–w–tt, van het T–mple. De heer D. betaalde, met de meeste naauwgezetheid, de som door hem verloren aan den hoog welgeboren whist-speler, maar wij hebben niet vernomen, dat de heer De–ce–ce, vóór zijne onverwachte afreis naar Parijs, hetgeen hij verloren had, aan den heer Bl–w–tt afbetaald heeft.”
Daarop volgde een „Berigt aan onze correspondenten.”
„Eerlijk duurt het langst vraagt, of wij bekend zijn met de heldendaden van den beruchten speler Deuceace? – Wij antwoorden hem, dat wij van alles onderrigt zijn, en dat wij voornemens zijn, in het volgende nommer het een en ander dienaangaande aan het publiek bekend te maken.”
Dit gebeurde echter niet; integendeel, hetzelfde dagblad, dat Deuceace uitgescholden had, verhief nu luid de stem, om hem te roemen; men zeide daarin:
„Er werd verleden week, door een misverstand, een berigt in onze courant opgenomen, dat, op eene hoogst onregtvaardige wijze, het karakter aanrandde van eenen heer van hooge geboorte en uitstekende verdiensten, den zoon van den algemeen geachten gr–f van Cr–bs. Wij verklaren, met de meeste verontwaardiging, geen deel te hebben aan de lafhartige leugens van den kwaadaardigen lasteraar, die den heer De–ce–ce heeft gesmaad, en wij nemen deze gelegenheid waar, om aan dien heer de eenige vergoeding, die wij in onze magt hebben, aan te bieden, voor het misbruik dat wij van zijn onbesmetten naam hebben gemaakt. Wij verloochenen in alle opzigten den schurk, die ons het bewuste verhaal heeft opgedischt, en het doet ons hartelijk leed, dat zulk een schrijver (!) ooit aan de lezers van deze courant is voorgesteld geweest.”
Dit was zonder twijfel voldoende; en wij waren uiterst tevreden over de verontschuldigingen van den naauwgezetten uitgever. – Inderdaad, wij waren zoo zeer met hem ingenomen, dat mijnheer een bankbillet van tien pond, met zijne complimenten, in een couvert sloot, en aan hem toezond. Hij had hem reeds dezelfde som gezonden vóór dat die paragraaf werd opgenomen; waarom begrijp ik niet; want ik kan mij bij geene mogelijkheid voorstellen, dat men een uitgever zoude kunnen omkoopen.
Nadat deze zaak afgedaan was, huurde mijnheer een koerier; het rijtuig werd opgeknapt; ik had, gelijk gezegd is, eene nieuwe liverei gekregen, en wij vertrokken van Boulogne, met de grootste pracht die men zich denken kan. Het was eene heerlijke vertooning! Vooral waren de postillons sierlijk uitgedost: een steek op het hoofd, een buis uit een oud koe-vel vervaardigd (het weder was koud), een staartje, bijna drie voet lang, en rijlaarzen! O, zulke laarzen! Een bisschop had uit één daarvan kunnen prediken, en eene niet al te groote familie in den anderen wonen. Ik en mijnheer Schwigschnaps, de koerier, zaten deftig achter het rijtuig; mijnheer geheel alleen binnen in, zoo trotsch als een Turk, in zijn schoonen mantel van bont gehuld. Na de menigte bevallig te hebben gegroet, reden wij weg; de belletjes aan het tuig klonken, de groote witte paarden hinnikten, sloegen achteruit en steigerden; de postillon klapte met de zweep, even hard als of hij hare majesteit de koningin wegbragt.
Ik zal onze reis niet beschrijven. Wij trokken door verscheidene steden, dorpen en hoofdsteden, en sliepen den eersten nacht te Amiëns. Den volgenden dag zetteden wij onze reis voort, en ik moet gul uit bekennen, dat hoe langer ik reisde, hoe meer ik van de wereld zag, ik des te meer mijn eigen vaderland heb leeren beminnen en hoogschatten, terwijl ik met verachting nederzie op de vooroordeelen en de erbarmelijke onwetendheid van het overige Europa.
Mijne opmerkingen omtrent Parijs zal ik dadelijk laten volgen – ik en mijnheer hebben daar eene belangrijke rol gespeeld; daaraan zal toch wel niemand twijfelen.
DE HEER DEUCEACE TE PARIJS.
DERDE HOOFDSTUK.
DE MOEIJELIJKE KEUS.
De luitenant-generaal Sir George Griffin, ridder van de orde van het Bath, was omstreeks vijf en zeventig jaren oud toen hij dit leven verliet en tegelijk het leger van de Oostindische Compagnie, waarvan hij een groot sieraad was.
Sir George trad het eerst in Indië op, in de rol van kajuitsjongen, aan boord van een koopvaardijschip; daarna werd hij klerk van de scheeps-eigenaren te Calcutta, daarna – op eens – kapitein in dienst van de Compagnie; en zoo klom hij, al hooger en hooger, tot hij luitenant-generaal werd, toen hij ophield te klimmen en te leven – stervende, en alzoo het gemeenschappelijke lot deelende van tamboers, generaals, bedelaars en keizers.
Sir George liet geene mannelijke erfgenamen na, om den naam van Griffin voort te planten. Eene weduwe, omstreeks zeven en twintig jaren oud, en eene dochter, die nagenoeg haar drie en twintigste jaar had bereikt, bleven over, om zijn verlies te beweenen en zijn vermogen te deelen. Na den dood van den ouden Sir George, keerden zijne beminnelijke weduwe en zijn kind, die beiden met hem in Indië waren geweest, naar Engeland terug. – Gedurende eenige maanden leefden ze in Londen; daar de stad haar echter niet beviel, besloten zij een uitstapje naar Parijs te doen, waar zeer geringe Londensche menschen terstond bijzonder gezien zijn, als zij maar geld hebben, gelijk het geval was met deze Griffin’s.
De verstandige lezer zal wel begrijpen, dat mejufvrouw Griffin niet de dochter van Lady Griffin was; want hoewel in Indië de huwelijken tamelijk jong worden aangegaan, zijn de menschen toch zoo vroeg nog niet volwassen. Het ware van de zaak is, dat Lady Griffin de tweede vrouw van Sir George was. Ik voeg hierbij, dat mejufvrouw Matilda Griffin het kind was uit zijn eerste huwelijk.