Part 4
„Dit is een allerongelukkigst geval, waarachtig, Karel,” zeide mijnheer, na een kort stilzwijgen, gedurende hetwelk hij een briefje had geschreven, in een couvert gedaan en met zijn groot zegel, met het wapen daarop, toegelakt. „Maar zie eens, – daar komt mij iets in de gedachten – breng dit briefje bij den heer Dawkins, met de paté, die gij gisteren gehaald hebt, en hoor eens, vriendje, als gij vertelt, waar het van daan komt, dan sla ik u alle botten stuk!”
Daar ik wist, dat deze soort van belofte onder de weinige behoorde, waaraan hij gewoonlijk voldeed, en daar ik grooten prijs op mijne botten stelde, bragt ik het briefje weg en verklapte niets. Na eenige oogenblikken in de kamers van den heer Dawkins te hebben gewacht, keerde ik, met zijn antwoord, naar mijn heer terug.
Het zal misschien niet ongepast zijn, om deze beide stukken mede te deelen, daar ik van beiden afschriften gemaakt heb.
I.
„De hoog welgeboren heer A. P. Deuceace aan den heer T. S. Dawkins.
„Het Temple, Dingsdag.
„De heer Deuceace zendt vriendelijke groeten aan den heer Dawkins, en neemt de vrijheid om zijn leedwezen te betuigen, en zijne excuses te maken, over het ongeluk, dat zoo even gebeurd is.
„De heer Deuceace, gebruik makende van de voorregten van een buurman, neemt ook de gelegenheid waar, om, zoo goed mogelijk, het kwaad, dat hij veroorzaakte, te herstellen. Indien de heer Dawkins hem de eer wil bewijzen, den inhoud aan te nemen van het bijgevoegde kistje (direkt uit Straatsburg, en de gift van een vriend, op wiens smaak als gourmand de heer Dawkins vertrouwen kan), zal hij misschien ondervinden, dat het eenigzins waardig is, de plat te vervangen, van welke de onhandigheid van den heer Deuceace den heer Dawkins heeft beroofd.
„Tevens zal het, zonder twijfel, den oorspronkelijken zender van de paté hoogst aangenaam zijn, te vernemen, dat het in de handen is gekomen van een zoo bekenden bon vivant, als de heer Dawkins.
„Aan den wel edelgeboren heer T. S. Dawkins, enz.”
II.
„Van den heer T. S. Dawkins, aan den hoog welgeboren heer A. P. Deuceace.
„De heer Thomas Smith Dawkins is hoogst gevoelig voor het kostbare geschenk van den heer Deuceace, en hij verzekert aan zijn hoog welgeboren, dat hij het, met de meeste dankbaarheid, heeft aangenomen.
„Het zoude een der gelukkigste dagen zijn uit het leven van den heer Dawkins, indien de heer Deuceace het van zijne edelmoedigheid kon verkrijgen, om met zijne tegenwoordigheid den maaltijd te vereeren, dien de heer Dawkins aan zijner hoog welgeboren mildheid heeft te danken.
„Het Temple, Dingsdag.”
Menigmaal heb ik over deze twee brieven gelagchen, welke ik van de oorspronkelijken, door den klerk van den heer Bruffy, heb doen afschrijven. De list van Deuceace, betreffende Prins Talleyrand werd met den besten uitslag bekroond. Ik zag den jongen Dawkins van vreugde bloozen, toen hij het briefje doorlas. Hij verscheurde vier of vijf vellen postpapier, eer hij het antwoord gereed had, dat ik boven heb medegedeeld, en dat met eene van vreugde bevende hand geschreven werd. Men had maar den zegevierenden blik in de booze, zwarte oogen van Deuceace moeten lezen, toen hij dezen brief ontving! Ik heb nooit een echten duivel gezien, maar ik kan er mij best een verbeelden, hoe hij eene ongelukkige, gepijnigde ziel tusschen zijne klaauwen houdt, en glimlacht even als de heer Deuceace. Deze trok echter zijne beste kleederen aan en ging den gang over, naar den heer Dawkins, bij wien hij mij vooraf had gezonden, om te zeggen, dat hij zijne beleefde uitnoodiging zeer gaarne aannam.
De pastei werd aangesneden, en er begon een zeer, vriendelijk gesprek tusschen de beide heeren. Deuceace was betooverend. Hij sprak tegen den heer Dawkins op de meest eerbiedige en vleijende wijze – hij stemde alles toe, wat deze zeide – hij roemde zijn smaak, zijne meubels, zijn rok, zijne klassieke geleerdheid en zijn fluitspelen; als men hem gehoord had, zoude men zich verbeeld hebben, dat zulk een voorbeeld van voortreffelijkheid, als de heer Dawkins was, niet meer op deze aarde bestond, en dat zulk een bescheiden, opregt, eerlijk man als Deuceace, nergens dan in Pump-court te vinden was. De arme Dawkins was geheel en al ingepakt. Mijnheer beloofde hem bekend te maken met den hertog van Doncaster, en de Hemel weet hoe veel dergelijke groote heeren meer, zoodat Dawkins buiten zich zelven van vreugde was. Ik weet zeker (en deze daadzaak verschaft eenen diepen blik in het karakter van den jongen heer), dat hij op denzelfden dag twee nieuwe rokken bestelde, ten einde gekleed te zijn, als hij kennis met de hooge personaadjen ging maken.
Maar het beste volgde nog. – Zingende, schreeuwende en vloekende komt de heer Richard Blewitt op eens den trap op. – Hij stiet de deur bij den heer Dawkins open, hem toeroepende: „Dawkins, mijn jongen, hoe gaat het?” toen hij plotseling den heer Deuceace ontwaarde. Zijn gezigt werd lang; hij werd wit als krijt, en dan weder vuur rood; hij zag er uit, alsof men hem met eene veêr zoude kunnen omverstooten.
„Waarde heer,” zeide Deuceace, hem met een glimlach de hand gevende, „wat doet het mij pleizier, u te zien. Mijnheer Dawkins en ik waren juist aan het praten over uw hit – ga maar zitten, als het u belieft.”
Dat deed ook de heer Blewitt, en nu was de vraag, wie bet langst zou blijven zitten. Maar mijn Hemel! Blewitt kon mijn meester niet aan. Gedurende den geheelen tijd was hij onrustig, en stil, en knorrig: mijnheer integendeel was allerliefst. Ik heb nooit iemand zoo spraakzaam, of zoo geestig gezien. Eindelijk, geheel en al uit het veld geslagen, stond de heer Blewitt op, om afscheid te nemen; mijn heer volgde hem oogenblikkelijk, en, den heer Richard bij den arm vattende, bragt hij hem naar onze kamers, en begon met hem op de vriendelijkste, liefste wijze te praten, die mogelijk was.
Maar Richard was te knorrig om te luisteren, en eindelijk, terwijl mijnheer bezig was, hem een of ander lang verhaal op te disschen aangaande den hertog van Doncaster, barstte Blewitt uit, met:
„De drommel haal den hertog van Doncaster! kom, kom, mijnheer Deuceace, blijf maar t’ huis met uwe gekheden; ik ben geen man om gefopt te worden door langdradige vertelseltjes van hertogen en hertoginnen. Gij gelooft, dat ik u niet ken – maar iedereen kent u en uwe manier van leven. Ja wel! – gij loopt dien jongen Dawkins na, en denkt hem te plukken; maar dat zal niet gebeuren – zoo waar ik leef, daarvan zal niets komen!”
(De lezer herinnere zich, dat ik de vloeken, waarmede de heer Blewitt aan zijne woorden klem bijzette, weggelaten heb.) Nadat hij er dan eene menigte had geuit, antwoordde hem de heer Deuceace, met de meest mogelijke koelbloedigheid:
„Hoor eens, Blewitt, ik weet, dat gij een der vervloektste gaauwdieven en schurken zijt, die nog niet gehangen zijn. Indien gij het waagt, mij bang te willen maken, zal ik mijn stok op uwe schouders stuk slaan; als dat niet voldoende is, zal ik u door den kop schieten; als gij durft te treden tusschen mij en Dawkins, doe ik beiden. Uw geheel leven is mij bekend, ellendige bedrieger en lafaard! Ik weet, dat gij reeds twee honderd pond van dezen jongen hebt gewonnen, en dat gij gaarne alles zoudt hebben. Ik voor mij wil de helft hebben, of gij voor u zult er nooit éénen cent van zien,”
Wáár is het, dat mijnheer al deze dingen wist; maar hoe? Daar zat de knoop.
Ik kon het gezigt van den heer Blewitt gedurende dit gesprek niet zien, omdat ik aan den verkeerden kant van de deur stond; maar er volgde een langdurig stilzwijgen na deze wederzijdsche complimenten tusschen de twee heeren – de een wandelde snel op en neder door de kamer, terwijl de ander, knorrig en verlegen, stil bleef zitten, en van tijd tot tijd met den voet stampte.
„Nu luister eens verder, mijnheer Blewitt,” zeide eindelijk mijn heer, „zoo gij bedaard zijt, zult gij de helft hebben van het geld van dezen mensch; maar als gij het waagt, om éénen cent van hem te winnen als ik er niet bij ben, of zonder mijne toestemming, dan moet gij zelf voor de gevolgen instaan.”
„Ja, maar, mijnheer Deuceace,” riep Richard uit, „ik moet zeggen, dat het zeer hard voor mij, en niet mooi van u is; het wild heb ik opgejaagd, en gij hebt geen regt, u met mijn vriend te bemoeijen.”
„Mijnheer Blewitt, gij zijt niet bij uw verstand! gisteren verklaardet gij, dat gij dezen mensch niet kendet, en ik was genoodzaakt, hem zelf op te sporen. Ik zoude nu wel eens willen weten, door welke wet van eer ik verpligt ben, hem aan u over te leveren?”
Het was alleraardigst, die twee schurken over de eer te hooren spreken. Ik verklaar, dat ik het over mij had kunnen verkrijgen, om den jongen Dawkins te waarschuwen voor de mooije plannen, welke deze menschen omtrent hem hadden gesmeed. Maar hoewel zij geen eergevoel hadden, ik bezat het zelf, en nooit heb ik iets van mijne heeren verklapt, zoolang ik in hunne dienst was – nadat ik hen verlaten had, bestond de verpligting natuurlijk niet meer.
Den volgenden dag was er een groot diné op onze kamers. Witte soep, tarbot en kreeftensaus, Schotsch lamsvleesch en macaroni, wijn in overvloed; Champagne, Rijnwijn, Madera, eene flesch port, en de Hemel weet, hoe vele flesschen Bordeaux. Het gezelschap bestond uit drie personen, namelijk: de hoog welgeboren heer Deuceace, en de heeren Blewitt en Dawkins. Wat hadden wij heeren in de keuken er genot van! De knecht van den heer Blewitt at zoo veel wild (nadat het van binnen was gehaald), dat ik waarachtig voor zijne gezondheid bezorgd werd; de jongen van den heer Dawkins, die slechts dertien jaren oud was, werd zoo misselijk van de macaroni en den plum-pudding, dat hij genoodzaakt werd verscheidene van de pillen van den heer Dawkins in te nemen, die hem half dood maakten. Maar dit is eene afwijking; ik spreek nu niet van de knechten, maar van hunne meesters.
Zoude men het willen gelooven? Na het eten (en na misschien acht flesschen wijn onder hen drieën gedronken te hebben) zetten zich de heeren neder, om écarté te spelen. Het is een spel, dat slechts door twee menschen kan gespeeld worden; natuurlijk dus, dat, als er drie bij elkaâr zijn, één altijd moet toekijken.
In den beginne speelden zij maar vijf shillings de partij, met weddingschappen tusschen beiden van één pond. Bij dit spel was het geluk buitengewoon regtvaardig; en tegen het avondeten (toen gebraden ham, nog meer Champagne, devilled biscuits en meer van dien aard op tafel werd gezet) stond de rekening aldus: de heer Dawkins had twee pond gewonnen; de heer Blewitt een pond tien shillings; terwijl de heer Deuceace drie pond tien shillings verloren had. Na het souper en den Champagne, speelde men een weinig hooger – de partij om één pond, weddingschappen vijf pond. Ik dacht zeker, na de complimenten, die des morgens tusschen Blewitt en mijn heer gewisseld waren, dat het uur van den armen Dawkins geslagen had.
Maar dit was het geval niet. Dawkins won maar altijd door; de heer Blewitt wedde op zijn spel en gaf hem steeds den besten raad. Tegen het einde van den avond (omstreeks vijf uur ’s morgens) scheidden zij. Mijnheer telde de rekening na, op eene kaart.
„Blewitt,” zeide hij, „ik hen ongelukkig geweest. Gij moet van mij hebben – laat ik eens zien – ja – vijf en veertig pond?”
„Vijf en veertig,” antwoordde Blewitt – „juist!”
„Ik zal het oogenblikkelijk afdoen,” zeide mijn zeer eerlijke meester.
„O!! spreek er niet van, waarde heer!”
Maar mijn heer nam een groot vel papier en gaf hem dadelijk een wissel op zigt, op de heeren Pump, Aldgate en Comp, die niet bestonden en zijne bankiers waren.
„Nu,” zeide mijn heer, „moet ik met u afrekenen, waarde heer Dawkins. Indien gij iets meer had gewaagd, dan was ik u eene aardige som schuldig geweest. Voyons: dertien partijen, elk om één pond – dat is gemakkelijk te berekenen;” en zijne beurs trekkende, liet hij dertien goudstukken op tafel blinken; zij schitterden zóó, dat mij de oogen er van zeer deden.
De arme Dawkins ontstelde ook, toen hij zijne bevende hand uitstrekte, om ze op te steken.
„Vergun mij, u te verzekeren,” zeide mijnheer, „vergun mij, u te verzekeren, en ik heb een weinig ondervinding gehad, dat gij de beste écarté speler zijt, tegen wien ik ooit mijn geluk heb beproefd.”
De oogen van Dawkins glinsterden, terwijl hij het geld in den zak deed, en hij zeide:
„Kom, Deuceace, gij vleit mij!”
Vleijen! Ja wel – dat was juist mijnheers bedoeling; die ging nu voort:
„Maar let er op, Dawkins, ik moet revanche hebben; want waarachtig gij hebt mij arm gemaakt – totaal arm – door uw geluk.”
„Nu, nu,” zeide de heer Thomas Smith Dawkins, even tevreden alsof hij een millioen had gewonnen – „wilt gij het morgen hebben? Blewitt, hoe denkt gij er over?”
Den heer Blewitt was dit natuurlijk zeer aangenaam. Na zich een weinig bedacht te hebben, stemde mijn heer ook toe.
„Wij zullen op uwe kamers bij elkander komen,” zeide hij, „maar niet te veel wijn, denk er aan; ik kan er nooit goed tegen, en vooral niet als ik met u écarté moet spelen.”
De arme Dawkins verliet onze kamers zoo gelukkig als een vorst.
„Daar Karel!” riep hij, mij een goud tientje toe werpende. Arme jongen! arme jongen! Ik wist maar al te goed, wat volgen zoude.
Maar het beste van de grap was, dat die dertien pond, welke Dawkins gewonnen had, door mijnheer van den heer Blewitt geleend waren! Ik had ze, tegelijk met zeven pond er bij, denzelfden morgen van hem afgehaald; want sedert zijne ontmoeting met mijnheer durfde Blewitt hem niets ter wereld weigeren.
Zal ik nu mijn verhaal voortzetten? Indien de heer Dawkins de minste wijsheid ter wereld had bezeten, dan zoude hij zes maanden noodig gehad hebben, om al zijn geld te verliezen; hij was echter zoo allerbespottelijkst onverstandig, dat maar zeer korte tijd vereischt werd, om dat doel te bereiken.
Den volgenden dag (het was een donderdag, en de kennismaking met den heer Deuceace dagteekende van dingsdag), gaf de heer Dawkins zijne partij, – een diné om zeven uur. Tegenwoordig waren de heer Blewitt en de beide heeren D., gelijk te voren. Het spel begon om elf uur. Nu begreep ik, dat de zaak ernstig was gemeend; want om twee uur werden wij heeren knechten naar bed gezonden. Op vrijdag ging ik naar onze kamers – mijnheer was niet te huis – tegen twaalf uur kwam hij, voor een minuut of vijf, eventjes binnenloopen, bestelde meer eten en soda-water, en ging weder terug naar den heer Dawkins.
Dáár dineerden zij ook weder om zeven uur, maar niemand gebruikte iets; want al het eten kwam naar beneden, bij ons; zij dronken echter meer wijn, op zijn minst twee dozijn flesschen in zes en dertig uren.
Om tien uur evenwel, ’s vrijdags avonds, kwam mijnheer naar zijne kamers terug. Ik zag hem toen, zoo als ik hem nooit te voren had gezien – geheel en al dronken. Hij rolde over de kamer – danste – had den hik – vloekte – wierp mij een handvol zilvergeld toe, en eindelijk viel hij, geheel en al uitgeput, op zijn bed neder. Ik trok hem de laarzen en kleederen uit, en maakte hem alles gemakkelijk.
Toen ik zijne kleederen had weggenomen, deed ik hetgeen de pligt is van elken bediende. Ik ledigde al zijne zakken, en keek zijne portefeuille en brieven door: vele ongelukken werden op deze wijze voorgekomen. Ik vond eene menigte zaken bij elkander, en daaronder het volgende mooije stuk:
Goed voor 4700 p. st.
Op zigt betaal ik vier duizend zeven honderd pond sterling aan den heer A. P. Deuceace of order.
16 Jan. 18–.
Thomas Smith Dawkins.
Er was nog één stuk papier van denzelfden aard, voor eene som van vier honderd pond, geteekend „Richard Blewitt”; maar dit was natuurlijk van geene beteekenis.
Den volgenden morgen om negen uur was mijnheer al op; hij had zijn roes geheel uitgeslapen. Hij kleedde zich, en ging weder naar den heer Dawkins. Om tien uur bestelde hij eene vigilante, en de twee heeren stegen met elkander in het rijtuig.
„Waar naar toe, mijnheer?” zeide ik.
„O! – ja – zeg den voerman maar, dat hij naar de Bank moet rijden.”
Die arme Dawkins! zijne oogen waren rood van berouw en slapelooze dronkenschap – hij gaf een snik, en eene huivering overviel hem als hij zich in het rijtuig achterover wierp toen zij weg reden.
Op dien dag moest hij alles verkoopen wat hij bezat, op vijf honderd pond na.
Tegen twaalf uur keerde mijnheer naar huis terug, en de heer Richard Blewitt kwam den trap op met eene plegtige en indrukwekkende deftigheid.
„Is mijnheer te huis?” zeide hij.
„Ja wel, mijnheer!” zeide ik, en hij trad binnen. Ik hield mijn oor natuurlijk zoo digt mogelijk bij het sleutelgat, en luisterde zoo goed, als ik maar eenigzins kon.
„Wel,” zeide Blewitt, „wij hebben nog al een goeden avond gehad, mijnheer Deuceace. Gij hebt al afgerekend met Dawkins, niet waar?”
„Afgerekend?” zeide mijn heer – „o! ja wel – ja – ik heb met hem afgerekend.”
„Vier duizend zeven honderd pond, niet waar?”
„Omtrent dat – ja.”
„Dat maakt voor mijn aandeel – laat ik zien – twee duizend drie honderd en vijftig pond; die gij de vriendelijkheid zult hebben, mij dadelijk te overhandigen.”
„Op mijn woord – mijnheer Blewitt!” riep mijn heer uit, „waarachtig – ik begrijp u niet!”
„Gij begrijpt mij niet?” schreeuwde Blewitt met eene verschrikkelijke stem. „Gij begrijpt mij niet! Hebt gij mij niet beloofd, dat wij eerlijk deelen zouden? Leende ik u dien avond niet twintig pond, om onze verliezen aan Dawkins te betalen! Hebt gij mij niet uw woord van eer, als fatsoenlijk man, gegeven, om mij de helft uit te keeren van alles, wat bij deze zaak te verdienen was?”
„Dat stem ik u toe, mijnheer,” zeide Deuceace, – „dat is waar.”
„Wel, mijnheer! en wat hebt gij er nu tegen in te brengen?”
„Niets anders, dan dat ik niet voornemens ben mijne belofte te houden! Ellendige, dwaze deugniet! gelooft gij, dat ik voor u heb gewerkt? Verbeeldt gij u, dat ik mij op kosten joeg, om een diné te geven aan dien gek, ten einde u het voordeel te bezorgen? Pak u weg van hier, mijnheer! Verlaat deze kamer, mijnheer! Maar wacht eens – hier – ik zal u vier honderd pond geven – uwe eigene acceptatie voor die som, mijnheer, indien gij maar alles, wat tusschen ons is voorgevallen, wilt vergeten, en ook dat gij ooit den heer Algernon Deuceace hebt gekend!”
Ik heb in mijn tijd vele razende menschen gezien, maar nooit iemand die Blewitt evenaarde. Hij woedde – hij brulde – hij steunde en vloekte! Eindelijk begon hij te snikken; daarbij nu eens vloekende en op de tanden knarsende, dan weder den goeden, besten heer Deuceace smeekende, genade met hem te hebben.
Eindelijk wierp mijnheer de deur open – jongen, jongen! het was een groot geluk, dat ik niet, hals over kop, de kamer binnen viel! – en hij zeide: „Karel, breng dien heer naar beneden!”
Mijnheer keek hem daarbij strak in ’t gezigt. Blewitt sloop den trap af, in den ellendigsten toestand, dien men zich denken kan. Wat Dawkins betreft; de Hemel weet, waar hij gebleven was!
„Karel,” zeide mijnheer tot mij, ongeveer een uur later: „ik ga naar Parijs; als gij verkiest kunt gij mede gaan.”
TWEEDE HOOFDSTUK.
BUITEN ’S LANDS.
Het was een opmerkelijk bewijs van de bescheidenheid van mijnheer, dat hij, hoewel die mooije som van den heer Dawkins hebbende gewonnen en genegen zijnde om de meest mogelijke pracht en vertooning aan den dag te leggen, toch, toen hij besloten had, naar Parijs te reizen, aan geen enkelen vriend een woord vertelde van zijne groote winsten; hij gaf ook aan zijn vader, lord Crabs, geen berigt van zijn voornemen, om zijn geboorteland te verlaten; ja, hij riep niet eens zijne schuldeischers bij elkaâr, om vóór zijn vertrek zijne kleine rekeningen af te doen.
Integendeel – „Karel,” riep hij mij toe, „plak een stukje papier op de deur,” – dit is gebruikelijk onder de advokaten – „en schrijf er op „vóór zeven uur niet te huis.””
Ik schreef natuurlijk: „vóór zeven uur niet te huis” en plakte het op de deur.
Zoo geheimzinnig was Deuceace omtrent deze buitenlandsche reis, jegens alle stervelingen (behalve mij), dat toen de waschvrouw hem hare rekening bragt van de vorige maand (bedragende ten minste twee en een half pond), mijnheer haar beval, die dáár te laten, om maandag morgen alles behoorlijk te regelen. Het is opmerkelijk, hoe zuinig een mensch wezen kan, als hij niet meer dan vijf duizend pond op zak heeft.
„Om zeven uur terug!” Ja wel! – Om zeven uur reden wij den weg op naar Dover, met de diligence – mijnheer er binnen in – en ik er boven op. Er was een wonderlijk mengelmoes van menschen in het rijtuig. Boven op waren drie zeelieden; een Italiaan met een draaiorgel en een aap; een missionaris die op weg was, om de heidenen in Frankrijk te bekeeren; twee dames van de opera (figurantes, gelijk men haar noemt) – de moeders der figurantes zaten binnen in – dan nog vier Franschen, met bonte petten en knevels, zingende, pratende, en gesticuleerende op eene allerwonderlijkste wijze. Zij waren uiterst beleefd jegens de figurantes – en deelden krakelingen en brandewijn en water met haar, afgewisseld met ontelbare Qu’il fait froid’s! – O mon Dieu’s! O sacré’s! Ik verstond toen de taal niet en kan alzoo niet veel van hun gesprek mededeelen; maar ik schepte er toch vermaak in, want ik gevoelde nu, dat ik wezenlijk op weg was naar vreemde landen, iets dat ik, sedert mijne opvoeding voltooid werd, steeds zeer vurig had gewenscht. Goede Hemel! dacht ik, als deze menschen modellen zijn van echte Franschen, wat moet dat dan een raar volk zijn! De aap van den armen Italiaan, die treurig en kwijnende boven op zijn hok gezeten was, zag er niet half zoo leelijk uit, en scheen even verstandig te zijn als zij.