Chapter 9 of 12 · 3965 words · ~20 min read

Part 9

Dit is ten minste het geval met jonge schurken; zeer veel bedrevenheid en koelbloedigheid wordt er toe vereischt, om dit gebrek te overwinnen, en om zich zelven in staat te stellen, zijn toorn te verbijten als men daarmede bezield is, en om niet te knorren als men zich boos maakt. De oude Crabs had deze hoogte bereikt; hij had veel van een anderen edelman, van wien ik den Hertog van Wellington hoorde verhalen, terwijl ik achter zijn stoel stond, dat indien men hem van achteren schopte, niemand, die vóór hem stond, het bemerken zou, wegens de vriendelijke, glimlagchende uitdrukking op zijn gelaat. Men moet ook in het oog houden (en dit is eene diepzinnige opmerking voor een bediende – maar oogen hebben wij, hoewel wij korte broeken dragen) – men moet ook in het oog houden, zeg ik, dat een schurk veel eerder kwaad wordt, dan een eerlijk man, om reden dat een eerlijk man aan een ander iets toegeeft; terwijl een schurk dat nooit zal doen; eerlijke lieden hebben ook iets over voor anderen; schurken hebben niets over voor iemand dan voor zich zelven, en het minste, dat tusschen hen en dit voorwerp hunner aanbidding komt, maakt hen woedend.

Mijnheer was ook niet zijn geheel leven lang een speler, een opligter, en in alle opzigten een losbol geweest, om nu te eindigen, met goed van humeur te zijn – dat is klaar.

Nu was hij woedend – en als hij woedend was, kon men nergens een onbeschofter, onverdragelijker, overmoediger schurk vinden.

Juist zoo ver had Lady Griffin hem willen brengen; want ik moet u vertellen, dat, ofschoon zij haar best had gedaan, om mijnheer en den Chevaler kwaad op elkander te maken, dit haar alleen in zoo ver was gelukt, dat zij elkander van ganscher harte verfoeiden; maar, wat er ook gebeurd was, de twee hanen wilden niet kampen.

Ik geloof niet, dat Deuceace dit spel van haren kant begreep; want zij speelde het zoo fijn, dat de dagelijksche oneenigheden, welke tusschen hem en den Franschman plaats hadden, nooit met haren zin schenen te ontstaan: integendeel, zij gedroeg zich steeds als vredestichtster tusschen beiden, gelijk ik pas bewezen heb in den strijd, die ontstaan was aan de deur van de salle-à-manger. Bovendien, hoewel de twee jonge heeren wel met elkander wilden twisten, zij hadden geen groote lust om de zaken tot het uiterste te drijven. Ik zal u het waarom vertellen: daar ze kennissen waren en niets te doen hadden, bragten zij de morgens door, zoo als de meeste fatsoenlijke lieden doen, met billartspelen, schermen, te paard rijden, pistoolschieten, of de eene of andere nuttige oefening van dezen aard. Bij het billartspel was mijnheer baas over den Franschman, en hij had een aardig sommetje aan dat spel van hem gewonnen (maar dat behoort niet tot de zaak, en is alleen entre nous); bij het pistool-schieten kon mijnheer, van de tien beeldjes acht, en de l’Orge zeven stuk-schieten, en bij het schermen kon de Franschman den hoogwelgeboren heer Algernon op elk zijner vestknoopen met de punt raken. Meer dan eens waren zij beiden op „het veld van eer” geweest, want ieder Franschman vecht, en mijnheer was, in den gewonen loop zijner zaken, meer dan eens daartoe gedwongen geweest. Wijl zij nu elkanders moed kenden, en tevens overtuigd waren, dat zij beiden honderd kogels achtereenvolgend door een hoed konden jagen, op dertig ellen afstand, waren zij niet begeerig dit kunstje te vertoonen met hunne eigene hoeden, terwijl hunne eigene hoofden er onder zaten.

Om deze reden bleven zij bedaard, en deden niets verder, dan elkander beknorren.

Maar heden was Deuceace in een zijner kwaadaardigste buien, en als dat het geval was, dan kon, noch mensch, noch duivel hem in bedwang houden. Ik heb verhaald, hoe hij zich van den Chevalier afwendde, die hem de hand had gereikt, en die in zijn aanval van vreugde en opgetogenheid een beer zou hebben gekust – zoo gelukkig gevoelde hij zich. Mijnheer ging van hem weg, bleek en driftig, en zijne plaats aan tafel nemende, schonk hij niet de minste oplettendheid aan de liefkozingen van jufvrouw Griffin, maar antwoordde daarop slechte met „ja” of „neen” of met een vloek jegens den eer of anderen der bedienden, klagende over de soep en den wijn, vloekende en razende als een gemeen soldaat, en zich niet gedragende als de wèl opgevoede zoon van een edelen Britschen pair.

„Lady Griffin,” zeide hij, den vleugel van een poulet à la bechamil afhakkende, „mag ik de eer hebben u te bedienen?”

„O, verpligt – neen! ik zal monsieur de l’Orge lastig vallen;” en zij keerde zich tot dien heer met een teederen en betooverenden glimlach.

„Mij dunkt, mevrouw,” hernam mijnheer, „dat gij op eens zeer ingenomen zijt met het voorsnijden van monsieur de l’Orge; vroeger vondt gij, dat ik het naar uw zin deed.”

„Gij zijt daarin ook zeer bedreven; maar met uw verlof, zal ik heden van iets eenvoudiger gediend zijn.”

De Franschman bediende Lady Griffin, en daar hij zoo zalig was, is het natuurlijk, dat hij met de saus niet teregt kon. Een groote plas bruine saus vloog mijnheer op de wang en druppelde langs zijn das en hagelwit vest.

„Wat drommel!” riep hij uit, „mijnheer de l’Orge, dat hebt gij met opzet gedaan!” en hij wierp zijn mes en vork neder, en stortte van zijn glas wijn meer dan de helft in den schoot van de arme jufvrouw Griffin, die geweldig schrikte, en op het punt was, om in tranen uit te barsten. Lady Griffin proestte van lagchen, herhaalde malen, als of het de aardigste grap van de wereld geweest ware.

Zelfs de l’Orge grinnikte en hoestte. „Pardon, zeide hij, „mille pardons, mon cher monsieur!” en daarbij keek hij uit de oogen, als of hij het voor een dubbeltje weêr zou willen doen.

De kleine Franschman was verrukt; hij was er op eens boven op, en voor de eerste maal werd zijn mededinger uitgelagchen. – Hij werd nu zoo stoutmoedig, dat hij de onvoorzigtigheid had, op zijn slecht Engelsch, de gezondheid van Lady Griffin te drinken.

„Mag ik de eer hebben, u een glas Madera in te schenken, Mylady?” zeide hij met de bespottelijkste uitspraak der wereld; tevens rond ziende, als of hij precies de Engelsche manieren en toon had getroffen.

„Met veel genoegen!” zeide Lady Griffin, hem zeer genadig toeknikkende en de oogen op hem vestigende, terwijl zij haar glas aan de lippen zette.

Kort te voren had zij dezelfde beleefdheid aan mijnheer geweigerd, en dit verbeterde zijn kwaden luim niet.

Zij bleven aan tafel zitten, mijnheer knorrende, brommende, en zelfs vloekende, en – ik moet het bekennen – zich zoo gemeen mogelijk gedragende, terwijl Lady Griffin hare oplettendheid tusschen de beide keeren verdeelde, en alles deed, wat in hare magt stond, om mijnheer te plagen en den Franschman te vleijen.

Het dessert werd nu op tafel gezet; de jufvrouw was intusschen van angst stom geworden, terwijl de Franschman half dronken was van genoegen en gestreelde ijdelheid. Mylady was opgewonden en steeds vriendelijk; mijnheer paarsch van woede.

„Mijnheer Deuceace,” zeide Lady Griffin met de meest innemende stem, na een weinig meer pratens, gedurende hetwelk zij steeds voortgegaan was hem te tergen, „mag ik u om eenige van die druiven verzoeken; zij zien er heerlijk uit.”

Tot antwoord vatte mijnheer den schotel met druiven, en deed dien over de geheele tafel glijden, tot vóór de l’Orge, alles omver stootende wat in den weg stond, fruitmandjes, glazen, wijnflesschen, en de Hemel weet, wat nog meer.

„Monsieur de l’Orge!” riep hij uit, zoo hard als hij maar schreeuwen kon, „heb de goedheid Lady Griffin te bedienen – het is lang geleden, dat zij mijne druiven lustte, en nu heeft zij ontdekt dat zij zuur zijn!”

Er volgde, voor een oogenblik, eene doodsche stilte.

„Ah!” riep Lady Griffin uit, „vous osez m’insulter devant mes gens – dans ma propre maison – c’est par trop fort, monsieur!” en zij vloog van hare plaats op en de kamer uit. De jufvrouw volgde haar, uitgillende: „Mama! Om ’s Hemels wil! Lady Griffin?” en de deur werd achter het paar toe geworpen.

Lady Griffin had zeer wèl gedaan, om Fransch, te spreken; de l’Orge zou haar anders niet verstaan hebben; nu echter had hij genoeg gehoord; en, zoodra de deur toeging – in mijne tegenwoordigheid, en in die der heeren Mortimer en Fitzclarence, de diepstboden der dames – ging hij op mijnheer toe, en gaf hem een klap in het gezigt, terwijl hij hem toeriep: „Prends ça, menteur et lâche!” hetgeen beteekent: „neem dat, leugenaar en lafaard!” – eenigzins sterke uitdrukkingen van een fatsoenlijken man tegen den anderen.

Mijnheer deinsde terug – zag er uit, als of hij waanzinnig was geworden, en toen, gillende van woede, wierp hij zich op den Franschman; maar ik en Mortimer plaatsten ons tusschen beiden, terwijl Fitzclarence den Chevalier in de armen sloot.

„A demain!” bulderde deze, zijn kleinen gebalden vuist tegen mijnheer opheffende en tevens de deur uitgaande, zeer blijde dat hij uit den weg was.

Toen hij den trap af was, lieten wij mijnheer los; hij dronk een glas water, bedacht zich een oogenblik, trok daarop zijne beurs, en, aan de heeren Mortimer en Fitzclarence elk een Louis d’or gevende, zeide hij:

„Ik zal er u morgen nog vijf bij geven, zoo gij mij belooft, hetgeen gebeurd is geheim te houden.”

Toen ging hij boven bij de dames.

„Indien gij wist,” zeide hij tot Lady Griffin, zeer langzaam sprekende (natuurlijk waren wij allen aan het sleutel-gat), „hoe het mij smart, u, Mylady, onbeleefd bejegend te hebben, waarlijk gij zoudt begrijpen, dat ik in mijn eigen berouw straf genoeg ontvangen heb, en mij vergiffenis schenken!”

Lady Griffin maakte eene buiging en zeide, dat zij geene verontschuldigingen verlangde; dat de heer Deuceace harer dochters gast en niet de hare was, maar dat zij voorzeker zich nooit verlagen zou, om weder aan dezelfde tafel met hem te gaan zitten. Met deze woorden verliet zij op nieuw de kamer.

„Ach! Algernon! Algernon!” zeide de jufvrouw, in tranen uitbarstende: „wat beteekent toch dat verschrikkelijk geheim – die akelige twisten? Vertel mij – is er iets gebeurd? Waar, o waar is de Chevalier?”

Mijnheer glimlachte en gaf tot antwoord:

„Wees hoegenaamd niet ongerust, dierbaarste Matilda: de l’Orge verstond geen woord van den twist; daarvoor is hij te verliefd. Hij is maar voor een half uurtje weg gegaan en, naar alle waarschijnlijkheid, zal hij terug komen, om zijn koffij te gebruiken.”

Ik begreep wel het doel van mijnheer: had de jufvrouw maar een woord gehoord van den strijd tusschen hem en den Franschman, dan zouden wij haar weldra aan het hôtel Mirabeau gezien hebben, kermende en zuchtende en wat al niet meer. Deuceace bleef nog eenige minuten, om haar gerust te stellen, en toen reed hij naar zijn vriend, den kapitein Bullseye van de Jagers, met wien ik veronderstel, dat hij over deze onaangename zaak raadpleegde. Aan het hôtel vonden wij een briefje van de l’Orge, opgevende waar zijn secondant te vinden was.

Twee dagen later verscheen er een stuk in Galignani’s Messenger, dat ik de vrijheid heb gebruikt, hier over te nemen:

„Vreesselijk tweegevecht. Gisteren morgen om zes uur had er eene ontmoeting plaats, in het Bois de Boulogne, tusschen den hoog welgeboren heer D–ce–ece, jongsten zoon van den graaf van Cr–bs, en den Chevalier de l’O–, De Chevalier werd vergezeld door den majoor de M–, van de koninklijke garde, en de heer D– door den kapitein B–lls–ye, van het Britsche Jager corps. In zoo ver ons de bijzonderheden van deze betreurenswaardige gebeurtenis bekend zijn, ontstond de twist in het huis eener schoone dame (eene der schitterendste attracties van onze ambassade) en het duêl had plaats den volgenden morgen.

„De Chevalier (de uitgedaagde en de grootste meester van den degen te Parijs) zag af van zijn regt, om de keuze der wapens te doen, en het duel werd met pistolen beslist.

„De vijandige partijen werden op een afstand van veertig passen van elkander geplaatst, met bepaling dat zij van weerszijde naar eene barrière zouden toegaan, door welke zij slechts acht passen van elkander werden gescheiden. Beide heeren waren van twee pistolen voorzien. Monsieur de l’Orge gaf bijna oogenblikkelijk vuur, en de kogel trof het gewricht van de linker hand zijner tegenpartij, die het pistool, hetwelk hij in die hand hield, dadelijk liet vallen. Met de regter hand echter, gaf hij onmiddellijk vuur, en de Chevalier viel, gelijk wij vreezen, doodelijk gekwetst. De kogel heeft hem iets boven de heup geraakt, en er bestaat zeer geringe hoop op herstel.

„Wij hebben vernomen, dat de aanleiding tot dit verschrikkelijk duël een slag was, welken de Chevalier den hoog welgeboren heer D– had toegebragt. In dat geval is de reden duidelijk, waarom het duël op zulk eene beslissende en ongewone wijze werd afgemaakt.

„De heer D–ce–ce keerde naar zijn hôtel terug, waar zijn achtingswaardige vader, de hooggeboren graaf van Cr–bs, zich onmiddellijk heen begaf, zoodra hij de treurige tijding had ontvangen, en waar hij nu zijn zoon met de teederste zorg en vaderliefde behandelt. Het berigt werd aan Lord C– overgebragt eerst gisteren middag, terwijl hij aan het ontbijt zat met zijne Excellentie Lord Bobtail, den Engelschen ambassadeur. De edele graaf viel flaauw toen hij het berigt ontving; maar in weêrwil van den schok, hierdoor aan zijn zenuwgestel en aan zijne eigene gezondheid toegebragt, stond hij er op, om den nacht naast het bed van zijn zoon door te brengen.”

– Dat deed hij ook. „Dit is eene nare historie, Karel,” zeide Lord Crabs tot mij, toen hij, nadat hij zijn zoon was gaan zien, zich in ons salon gemakkelijk inrigtte: „hebt gij geen sigaren in huis? en hoor eens, breng eene flesch wijn en wat te eten. Ik kan het waarachtig nergens uithouden, dan in de nabijheid van mijn dierbaren zoon.”

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE GEVOLGEN.

De Chevalier stierf niet, want de kogel kwam te voorschijn, te midden van eene hevige koorts en ontsteking – maar hij moest zes weken te bed blijven, en het duurde langen tijd eer hij geheel en al hersteld was.

Wat mijnheer betreft, het spijt mij te moeten berigten, dat zijn lot veel erger was, dan dat van zijne tegenpartij. De ontsteking werd hevig, en – om de treurige geschiedenis zoo kort mogelijk te maken – men was genoodzaakt zijn arm aan het gewricht af te zetten.

Hij verdroeg dit, dat spreekt, met den meesten moed, en binnen eene maand was hij weder klaar en de wonde genezen; maar nooit heb ik eene meer duivelsche uitdrukking gezien, dan op zijn gezigt te lezen was, als hij op den stomp nederzag!

In de oogen van jufvrouw Griffin strekte dit alleen, om hem veel dierbaarder te maken. Zij zond hem dagelijks wel twintig briefjes, en noemde hem haren beminden, haren ongelukkigen engel, haren held en slagtoffer – en ik weet niet, wat al meer. Ik heb eenige dier briefjes bewaard, en ze zijn verbazend sentimenteel, verre weg het Lijden van den jongen Werther overtreffende.

De oude Crabs kwam zeer dikwerf en gebruikte bij ons eene verbazende menigte wijn en sigaren. Ik meen, dat hij te Parijs was, omdat er in zijn eigen huis in Engeland beslag op de meubels gelegd was; hij kon nu verzekerd zijn, dat hij bij zijn zoon gedurende diens ziekte geen botje zou vangen – de oude heer wist nu, dat hij hem stellig altijd te huis zou vinden. De avonden bragt Lord Crabs geregeld bij Lady Griffin door, waar ik gedurende de ziekte van mijnheer niet heen ging, terwijl de afwezigheid van den Chevalier den ouden heer behoorlijke vrijheid verschafte.

„Gij begrijpt wel, Deuceace, dat die vrouw u haten moet,” zeide Mylord op zekeren dag, in eene zeer openhartige bui, tot mijnheer, nadat zij lang over Lady Griffin hadden gepraat, „en ik wil u regt uit zeggen, dat ze nog niet met u afgedaan heeft.”

„Zij loope naar den duivel!” riep mijnheer woedend uit, zijn verminkten arm opheffende: „vroeg of laat zal ik met haar afrekenen. Matilda heb ik zéker in mijne handen, daar heb ik voor gezorgd – het meisje moet mij, om haar eigen best, trouwen.”

„Om haar eigen best! O – zoo? dat is goed – dat is goed!” zeide Lord Crabs, met eene ernstige stem, even opkijkende, „ik versta u, beste jongen; het was een uitstekend plan.”

„Nu dan,” zeide mijnheer, kwaadaardig lagchende, en zijn ouden vader met een veel beteekenenden blik aanziende, „als ik eens het meisje in mijn magt heb, wat heb ik dan te vreezen van die duivelsche stiefmoeder?”

Lord Crabs gaf niets tot antwoord, dan een lang gefluit, en spoedig daarna zijn hoed nemende ging hij weg. Ik zag hem over de Place Vendôme kuijeren en met de meeste bedaardheid de deur van het hôtel, waar de dames Griffin woonden, binnentreden. De Hemel zij met hem! ik zal van mijn leven zulk een vriendelijken, goedhartigen, opgeruimden, baatzuchtigen, ouden schurk niet weder zien.

Mylord had met regt gezegd, dat Lady Griffin nog niet met mijnheer afgedaan had! Dat had zij nog lang niet – maar den volgenden strik zoude zij hem nooit gelegd hebben, indien zeker iemand het haar niet in het hoofd had gehangen. Wie was nu die zeker iemand? Indien gij, waarde lezer, het bovenstaande hebt doorloopen, en gezien, hoe zekere zeer achtingswaardige oude heer over de Place Vendôme slenterde en al de kindermeisjes (bonnes gelijk men ze in Frankrijk noemt), die hij op zijn weg ontmoette, vriendelijk aankeek, dan laat ik het aan u over, te gissen, wie de uitvinder was van het volgende plan; eene vrouw, had zoo iets niet kunnen bedenken.

In het eerste hoofdstuk, dat ik over de lotgevallen van den heer Deuceace schreef, en over zijne vriendschappelijke behandeling der heeren Dawkins en Blewitt, had ik de eer, eene opgave der schulden van mijnheer onder de oogen van het publiek te brengen – daarin was ook het volgende te lezen:

„Wissels en acceptatiën: 4963 pd. st.”

De acceptatiën waren niet van belang, ongeveer duizend pond. De wissels bedroegen alzoo om de vier duizend pond.

Nu bestaat er eene wet in Frankrijk, dat, indien iemand in Engeland wissels heeft afgegeven, en deze in handen van een Franschman komen, hij den Engelschman, die ze afgegeven heeft, kan vervolgen, hoewel deze zich in Frankrijk bevindt. Mijnheer wist dit niet; hij deelde in het algemeene dwaalbegrip, dat, indien hij maar eens uit Engeland weg was, hij zijne schuldeischers kon uitlagchen.

Lady Griffin schreef aan hare zaakwaarnemers te Londen, en deze traden in onderhandeling met de menschen, welke in bezit waren van de fraaije verzameling van autographen op zegel, welke mijnheer in Engeland had gelaten, en deze heeren haastten zich natuurlijk, de eerste de beste gelegenheid waar te nemen, om aan hun geld te komen.

Op zekeren schoonen morgen, toen ik op de plaats van ons hôtel rondslenterde, pratende met de dienstmeiden, zoo als ik altijd deed, om wat Fransch aan te leeren, kwam eene van haar bij mij en zeide:

„Tenez, monsieur Charles, beneden in den gang is een deurwaarder met twee gendarmes; hij vraagt naar mijnheer; a-t-il des dettes par hasard?”

Ik ontstelde hevig – het ware van de zaak stond mij plotseling voor den geest. – „Toinette,” zeide ik, want dit was haar naam – „Toinette,” zei ik, haar een kus gevende, „zoo gij prijs op mijne genegenheid stelt, houd ze maar één oogenblik nog beneden.” Daarop gaf ik haar een tweeden kus en vloog den trap op, naar onze kamers.

Mijnheer was nu weder zoo tamelijk hersteld van zijne wonde, hij was al uit rijden geweest – het was zijn geluk, dat hij kracht had, om zich te bewegen.

„Mijnheer! mijnheer!” riep ik, „de deurwaarders zijn u op het spoor; gij moet oogenblikkelijk maken, dat gij weg komt!”

„Deurwaarders!” zeide hij – „gekheid, geloofd zij de Hemel! ik ben niemand een enkelen stuiver schuldig.”

„Onzin!” riep ik uit, mijne onderdanigheid vergetende, „hebt gij geene schulden in Engeland? Ik zeg u, dat de deurwaarders u zoeken, en ze zullen in een oogenblik hier wezen.”

Terwijl ik sprak: kling – ling – ling – aan de bel van de deur van de anti-chambre – en daar waren zij!

Wat was er te doen? met de snelheid van den bliksem, trek ik mijn livereirok uit, zet mijn met goud omzoomden hoed mijnheer op het hoofd – en doe hem mijne liverei aantrekken.. Daarop hul ik mij in zijn robe-de-chambre en mij op de sofa uitstrekkende, beveel ik hem, de deur open te doen.

Daar waren zij nu: de deurwaarder – de twee gendarmes – Toinette en de oude knecht van het logement.

Toen Toinette mijnheer zag, glimlachte zij eventjes en zeide:

„Dis donc. Charles! où est donc ton maître? Chez lui, n’est-ce pas? – C’est le jeune homme à monsieur,” zeide zij, met eene beleefde buiging jegens den deurwaarder.

De oude knecht was op het punt uit te schreeuwen „mais ce n’est pas –”, toen Toinette hem in de reden viel en zeide:

„Laissez donc passer ces messieurs, vieille bête!” en zij traden binnen, terwijl de twee gendarmes post vatten in den gang.

Mijnheer wierp de deur van het salon met de meeste deftigheid open, en mijn hoed afnemende, zeide hij:

„Heeft mijnheer straks de cabriolet noodig?”

„O neen, Karel,” zeide ik, „ik zal heden niet uitgaan.”

De oude deurwaarder grinnikte, want hij verstond Engelsch (daar hij reeds vele Engelsche klanten had gehad), en hij zeide in het Fransch, terwijl mijnheer de kamer verliet:

„Ik geloof, mijnheer, dat gij er wel aan zoudt doen, uwen knecht een rijtuig te laten bestellen, want ik ben in de noodzakelijkheid, u au nom de la loi te arresteren, voor de som van acht en negentig duizend zeven honderd francs, door u verschuldigd aan den heer Jacques François Lebrun te Parijs”; en hij haalde inderdaad eene menigte wissels te voorschijn, welke allen met mijnheer’s onderteekening voorzien waren.

„Neem plaats, mijnheer!” zeide ik, en hij ging zitten, terwijl ik met hem begon te praten over het weder, over mijne ziekte en mijn groot ongeluk, dat ik de eene hand verloren had, die ik onder mijn vest hield verborgen, en zoo voort.

Eindelijk, na verloop van eenige minuten kon ik het niet meer volhouden, en proestte het uit van lagchen.

De oude vent verbleekte en begon iets kwaads te vermoeden.

„Hola,” brulde hij, „gendarmes, à moi! à moi! Je suis floué-volé!” hetgeen beteekent, dat men hem om den tuin had geleid.

De gendarmes en Toinette en de oude knecht vlogen nu de kamer in. – Met de meeste bevalligheid van de sofa oprijzende, bragt ik de hand van onder het vest te voorschijn en mijn robe-de-chambre openhoudende zette ik een der schoonst gevormde beenen, die men ooit heeft gezien, op een stoel.

Daarop wees ik, met eene indrukwekkende deftigheid, met den vinger op – kan men het gissen? op mijn korten broek! dat bekende kleedingstuk, dat ik in Europa beroemd heb gemaakt.

Dezen wenk begrijpende, schaterden de gendarmes en de dienstboden van lagchen, en de wel edelgeboren heer Karel Yellowplush niet minder!

De oude Grippard, de deurwaarder, zag er uit als of hij op zijn stoel zou flauwvallen.

Op dat oogenblik hoorde ik een cabriolet zoo hard mogelijk de porte-cochère van het hôtel uitjagen – ik was overtuigd, dat mijnheer zich in veiligheid bevond.

HET EINDE VAN DE GESCHIEDENIS VAN DEN HEER DEUCEACE.

TIENDE HOOFDSTUK.

VRIJ KOST EN INWONING.

Mijn verhaal nadert weldra de ontknooping: ik bleef niet zeer lang meer in dienst van den heer Deuceace na het gebeurde in het vorige hoofdstuk, in hetwelk ik ook de verbazende list heb beschreven, die ik bezigde om hem te bevrijden, en tevens mijne verwonderlijke zelfopoffering. Zeker is het, dat er weinige dienstboden zijn, die aan zulk eene list zouden gedacht hebben, en nog minder talrijk zijn die, welke, na zoo iets bedacht te hebben, wagen zouden het ten uitvoer te brengen.