Chapter 3 of 12 · 3945 words · ~20 min read

Part 3

Eindelijk op zekeren dag kwam de oude mevrouw Shum naar ons huis – (men liet haar niet binnen als mijnheer te huis was, maar als hij uit was kwam zij er nog). – Zij had een zegepralenden blik toen zij binnentrad.

„Mary,” zei ze, „waar is het geld, dat uw man gisteren naar huis bragt?” Mijnheer was altijd gewoon, het aan mevrouw te geven als hij naar huis kwam.

„Het geld, ma?” zeì Mary, „daar is het!” en hare beurs trekkende toonde zij een goud tientje, een hoop zilver en een raar, ouderwetsch klein geldstukje.

„Dat is het! Dat is het!” riep mevrouw Shum uit, „Een halve schelling van den tijd van koningin Anna – geslagen in zeventien honderd drie, niet waar?”

Zoo was het zonder twijfel: een halve schelling van den tijd van koningin Anna, juist in dat jaar geslagen.

„Wel, lieve,” zei mevrouw Shum, „nu heb ik hem ontsluijerd! Ga morgen met mij en gij zult alles vernemen!”

Nu volgt het einde van mijn verhaal.

Den volgenden morgen gingen de dames naar de City, en ik volgde haar op den voet, zoo als dat bij fatsoenlijke leden behoort, met een bouquet en een rotting met vergulden knop.

Wij gingen den New-road af, wij sloegen den City-road in – wij kwamen tot aan de Bank. Wij gingen over de straat, – van het gebouw naar Cornhill, – toen plotseling mevrouw een luiden gil gaf en daarop flaauw viel.

Ik liep naar haar toe, ondersteunde haar in mijne armen, en bedierf daardoor een nieuw vest en een vuur rooden korten broek. – Evenwel – zoo als gezegd is – ik liep op haar toe, in de haast, bijna den ouden straatveger omver stootende, die zoo snel mogelijk uit den weg sukkelde. Wij droegen haar in den suikerbakkerswinkel van Birch; wij bezorgden haar eene vigilante en elke mogelijke verligting, en bragten haar te huis naar Islington.

Mijnheer kwam dien avond niet te huis. Den volgenden avond kwam hij ook niet – en even min den derden avond. Op den vierden dag kwam er een vendumeester; hij maakte eene lijst op van de meubels en plaatste eene aankondiging van den verkoop op het venster.

Op het einde van de week verscheen Altamont. Hij was bleek en verstoord; evenwel was hij niet zoo bleek als zijne ongelukkige echtgenoote.

Hij zag haar zeer teeder aan. (Ik wil wel bekennen, dat ik zijn blik nabootste bij eene zekere jufvrouw, die ik niet noemen wil. –) Hij zag haar, zeg ik, zeer teeder aan, en strekte zijne armen uit. Zij uitte een hartverscheurenden gil en viel hem om den hals.

„Mary,” zeide hij, „gij weet nu alles. Ik heb mijne plaats verkocht; ik heb er drie duizend pond voor gekregen, en twee duizend pond heb ik opgespaard. Mijn huis en mijne meubels heb ik verkocht, en daarvan nog duizend pond gekregen. Wij zullen buiten ’s lands gaan wonen en elkander als van ouds beminnen.”

En nu vraagt men mij, wie hij was? Ik huiver, het uit te brengen. – De heer Altamont – veegde de straat tusschen de Bank en Cornhill!!

Natuurlijk verliet ik zijne dienst. Eenige jaren later ontmoette ik hem te Baden-Baden, waar hij en mevrouw Altamont zeer gezien waren, en voor vermogende menschen doorgingen.

DE AMOURS VAN DEN HEER DEUCEACE.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE EENE DIEF VANGT DEN ANDEREN.

De naam van mijn volgenden meester was, zoo mogelijk, weidscher en hoogdravender dan die van hem, dien ik pas had verlaten.

Ik werd nu lijfknecht van den HoogWelgeboren heer Algernon Percy Deuceace, jongsten en vijfden zoon van den graaf van Crabs.

Algernon was advokaat – dat is te zeggen, hij woonde in Pump-court, in het Temple, eene gemeene buurt, die misschien aan mijne lezers niet bekend is. Het zij genoeg hun te zeggen, dat het op de grenzen van de City en de uitverkorene woonplaats der regtsgeleerden van deze hoofdstad is.

Indien ik zeg, dat mijnheer Deuceace advokaat was, bedoel ik volstrekt niet, dat hij de zittingen van de hoven bijwoonde, of dat hij pleitte, of naar praktijk uitzag; maar hij had kamers in Pump-court en wachtte op een commissariaat, of eene regtersplaats, of eenig ander ambt, dat de Whig-regering hem wilde geven. Zijn vader was een Whig-pair, gelijk de waschvrouw mij vertelde, en was vroeger Tory geweest. De waarheid is, dat zijne heerlijkheid zoo arm was, dat hij, om zijne kinderen te verzorgen en voor zich zelven een inkomen te krijgen, tot alles gereed was.

Ik geloof, dat hij Algernon twee honderd pond ’s jaars gaf, en deze had er best van kunnen leven, ware het niet geweest, dat de oude heer ze hem nooit uitbetaalde.

Intusschen was en bleef de jonge heer een zeer fatsoenlijk man, hij ontving de belofte van zijn jaargeld zeer geregeld, en gaf het ook uit op de fatsoenlijkste en eervolste wijze. Hij hield rijtuig, hij ging naar Almacks’ en naar Crockford’s – hij bevond zich in de meest uitgezochte kringen – en bemoeide zich zeer weinig met de wetboeken; dat is zeker. Zulke fatsoenlijke lieden hebben middeltjes, om geld te verdienen, die het gemeene volk niet begrijpt.

Hoewel hij slechts eene derde verdieping in Pump-court bewoonde, leefde hij als of hij de rijkdommen van Crassus bezat. De banknoten waren er even menigvuldig als de dubbeltjes – Bordeaux en Champagne even gemeen als jenever; en men kan er op aan, dat ik zeer blijde was – valet de chambre te zijn van een echten spruit van den hoogen adel.

Deuceace had op zijne kamer eene groote teekening – op papier: een’ boom voorstellende, die uit het lijf groeide van een man in eene wapenrusting gedost, en op kleine schilden, tusschen de takken opgehangen, stonden namen te lezen. De schilderij vertelde, dat het geslacht der Deuceace’s naar Engeland was overgekomen in het jaar 1066, met Willem den Veroveraar. Mijnheer noemde het zijn stamboom. Ik geloof dat het was, omdat hij die schilderij bezat, en omdat hij de Hoog Welgeboren heer Deuceace was, dat het hem gelukte, zóó te leven als hij het deed. Indien hij iemand uit den minderen stand ware geweest, dan zoude men hem niets anders dan eenen gemeenen opligter hebben kunnen noemen. Alleen aan hoogen stand en geboorte kunnen die zonderlingheden worden veroorloofd, waarin mijnheer uitmuntte.

Want het baat niets, om er een geheim van te maken: de heer Deuceace was een speler van beroep. Voor iemand van lagen stand is deze de slechtst mogelijke kostwinning – voor iemand, die maar half eerlijk man is, zou zulk een beroep onmogelijk zijn; maar voor een echten edelman, die door en door edelman is, kan men geen gemakkelijker en winstgevender levenswijze bedenken.

Het moge misschien vreemd schijnen, dat een fatsoenlijk man in het Temple woonde, maar men moet zich herinneren, dat niet alleen advokaten in de zoogenaamde Inns of Court wonen.

Vele ongetrouwde heeren, welke niets met de regtsgeleerdheid te, doen hebben, huren daar kamers; en vele zich noemende advokaten, welke geen tweemaal in hun leven bef en toga hebben omgedaan, bewonen het Temple, in plaats van de Bond-street, of Picadilly, of andere fatsoenlijke plaatsen. Bij voorbeeld op onze verdieping (zoo noemt men daar altijd de huizen) waren acht woningen en niet meer dan slechts drie regtsgeleerden te huur. Deze waren, op de onderste verdieping, Screwson, Hewson en Jewson, procureurs; op de eerste verdieping mijnheer Flabber, regter; tegenover zijne deur, mijnheer Bruffy, advokaat; op de tweede verdieping woonde de heer Haggerstone, een Iersch regtsgeleerde, die veel krimineele praktijk aan de Old-Bailey had en tevens was hetgeen men snelschrijver noemt voor de Morning Post. Tegenover zijne deur stond geschreven:

Mr. Richard Blewitt;

en op de derde verdieping woonde mijn heer en een zekere heer Dawkins.

Deze jonge heer was pas in het Temple gekomen – tot zijn ongeluk – beter was het geweest, indien hij nooit geboren ware – want volgens mijne inzigten rigtte het Temple hem te grond, – dat wil zeggen, met de hulp van mijn heer en den heer Richard Blewitt, gelijk men straks zal vernemen.

Mijnheer Dawkins, gelijk ik van zijn bediende vernam, had juist de hoogeschool te Oxford verlaten, en bezat een aardig fortuintje, een duizend pond of zes, in de fondsen. Hij was ook juist meerderjarig geworden, en een wees die zijn vader en moeder had verloren. Daar hij zich aan de hoogeschool onderscheiden en verscheidene medaljes behaald had, was hij naar Londen verhuisd, om vooruit te komen en het advokaten-beroep te aanvaarden.

Daar hij zelf niet van hooge afkomst was – ik heb zelfs hooren vertellen, dat zijn vader kaaskooper was, of iets van dien aard – deed het Dawkins veel genoegen, zijn ouden academie-kennis, den heer Blewitt, den jongsten zoon van den rijken landeigenaar Blewitt in Leicestershire, weder te zien, en kamers in zijne nabijheid te kunnen huren.

Nu dan; hoewel tusschen mij en den knecht van den heer Blewitt eene zeer naauwe vriendschap bestond, was dit niet het geval tusschen onze meesters – daar de mijne een te groot aristokraat was, om zich met iemand van Blewitt’s stand op te houden. Blewitt was hetgeen men „a betting man” noemt; hij ging geregeld naar Tattersall’s, reed op een hit, droeg een witten hoed, eene blaauwe, bonte das en een rijrok. In zijne manieren was hij juist het tegenovergestelde van mijn meester. Deze was een ligt gebouwd, elegant mensch – in den hoogsten graad – hij had bijzonder witte handen, eene eenigzins gele gelaatskleur, met doordringende, donkere oogen, en een kleinen, keurig onderhouden bakkebaard, die zoo zwart als schoensmeer was – hij sprak zeer zacht en zoetjes – hij scheen altijd de menschen, met welke hij sprak, naauwkeurig op te nemen, en hij vleide de geheele wereld. Wat Blewitt betreft, die was van een geheel anderen aard. Hij was onophoudelijk aan het vloeken en aan het zingen, sloeg iedereen op den rug, en scheen de opregtste en vertrouwelijkste mensch op aarde. Hij deed zich voor als iemand van vrolijken, onbezorgden, eerlijken aard, een man aan wien men bloed en goed kon toevertrouwen.

Dit was ook de meening van Dawkins; die, hoewel hij een stil jong mensch was, die van boeken, romans, Byron’s gedichten, fluitspelen en diergelijke wetenschappelijke tijdkortingen hield, een boezemvriend werd van den eerlijken Richard Blewitt, en kort daarop ook van mijn meester, den HoogWelgeboren heer Algernon. Die arme Dawkins! hij verbeeldde zich, dat hij fatsoenlijke kennissen en ware vrienden had gevonden – hij was in aanraking gekomen met twee der schandelijkste opligters, die ooit geleefd hebben.

Vóór de komst van den heer Dawkins in ons huis, had zich de heer Deuceace naauwelijks verwaardigd met den heer Blewitt te spreken: maar, omstreeks ééne maand na deze gebeurtenis, werd mijn meester plotseling buitengewoon vriendelijk jegens hem.

De oorzaak er van was dood eenvoudig: Deuceace had hem noodig. Dawkins was geen uur in gezelschap van mijn heer geweest, of hij begreep, dat hij een vogeltje gevonden had, waaraan iets te plukken viel.

Blewitt wist dit ook; en daar hij zelf er veel van hield, wilde hij dit vogeltje voor zich alleen houden.

Het was aardig te zien, welke kunstgrepen de heer Algernon aanwendde, om het ongelukkige slagtoffer uit de klaauwen van Blewitt te rukken, die zich verbeeldde, dat hij het vast hield. Hij had ook, juist om die reden, Dawkins naar deze kamers gebragt, waar hij dacht, hem in veiligheid te hebben en hem op zijn gemak tot zijn buit te kunnen maken. Mijnheer ontdekte weldra het spel van den heer Blewitt. Spelers kennen spelers, zoo niet intiem, ten minste bij naam; en hoewel de heer Blewitt in een veel minderen kring zich bewoog, dan de heer Deuceace, waren zij beiden zeer goed van elkanders handelwijze en karakter onderrigt.

„Karel, jou lummel,” zeide op zekeren dag Deuceace tot mij (hij sprak mij altijd op deze vriendelijke wijze aan): „wie is toch die mensch, welke de kamers over onze deur heeft gehuurd, en die zoo vlijtig op de fluit blaast?”

„Het is een mijnheer Dawkins, een rijke jonge heer, van Oxford gekomen, en een groote vriend van den heer Blewitt, mijnheer,” antwoordde ik, „zij schijnen den geheelen dag bij elkander te zijn.”

Mijnheer zeide niets, maar hij grijnsde, o heer, wat grijnsde hij! De duivel zelf kon niet zoo satanisch grijnzen als hij!

Ik wist nu, wat hij in het schild voerde:

1e. Een man, die op de fluit speelt, is een stommerik.

2e. De heer Blewitt is een schoft.

3e. Als een stommerik en een schoft den geheelen dag bij elkander zijn, en als de stommerik bovendien een rijk man is, dan kan men wel raden, wat er van groeijen moet.

Ik was maar een jongen in die dagen, maar ik was op de hoogte der zaken even zoo goed als mijnheer: het zijn niet alleen de heeren, die van alles afweten. O hemel neen!

Wij waren met ons vieren in dat huis; vier der aardigste jonge lieden, die men ooit heeft gezien: mijnheer Bruffy had een jongen man in zijne dienst, en de heer Dawkins had er een, en de heer Blewitt ook, en ik kwam er bij – wij wisten, wat onze heeren begonnen, even goed als zij het zelve wisten.

Bij voorbeeld, wat mij aangaat, ik verklaar, dat er geen papiertje in den lessenaar of in de laden van Deuceace was, geene rekening, briefje of aanteekening, die ik niet, even zoo goed als hij zelf, had gelezen. Bij den heer Blewitt was dit ook het geval – ik en zijn jongen hadden inzage in alles. Er werd geen flesch wijn opengetrokken, of wij kregen er een glas vol uit; er werd geen pond suiker opgedaan, of wij hadden er een klontje of wat van. Wij hadden sleutels van al de kasten – wij keken in al de brieven, die aankwamen of weggezonden werden – wij gingen alle rekeningen en kwitanties na – wij hadden de beste stukjes van het eten, de levers uit de kippen, de balletjes uit de soep, de eijeren van de salade. Wat de steenkolen en kaarsen betrof, die lieten wij aan de schoonmaaksters over.

Men moge dit stelen noemen – gekheid – het zijn alleen onze regten. – De voordeeltjes, aan de betrekking van bediende verbonden, zijn even heilig, als de wetten van Engeland. Maar om kort te gaan – de heer Richard Blewitt verkeerde in de volgende omstandigheden. Hij had een jaarlijksch inkomen van drie honderd pond van zijn vader. Daaruit had hij honderd negentig pond ’s jaars af te doen, voor geld, dat hij opgenomen had, terwijl hij aan de academie was; voor kamerhuur betaalde hij zeventig pond ’s jaars; zijn paard kostte hem nog zeventig pond; zijn knecht, die zijn eigen kost moest vinden, tachtig pond in de twaalf maanden, en eene afzonderlijke huishouding in het Regents’-park kostte hem omstreeks drie honderd en vijftig pond in het jaar; daar kwam zijn zakgeld bij, dat om de honderd pond beliep; zijn eten, drinken, en wijnhandelaars-rekening bedroegen ongeveer twee honderd pond meer. Men ziet alzoo, dat hij een aardig sommetje over had aan het einde van het jaar.

Met mijn heer was het anders gesteld; en daar hij een man van veel hoogeren stand was dan de heer Blewitt, is het natuurlijk, dat hij veel meer geld schuldig was.

Er was in de eerste plaats: p. st. s. d. Debet bij Crockford: 3711 0 0 Wissels en acceptaties: (de meeste van deze laatste betaalde hij niet) 4963 0 0 21 kleedermakers-rekeningen, in het geheel: 1306 11 9 2 paardenkoopers idem: 402 0 0 2 rijtuigmakers idem: 506 0 0 Rekeningen te Cambridge gemaakt: 2193 6 8 Allerlei: 987 10 0 ------------- 14069 8 5

Ik geef dit als iets zeldzaams; de menschen weten niet, over het algemeen, hoe, in vele gevallen, eene fatsoenlijke levenswijze wordt ingerigt; en het is reeds leerzaam en aangenaam tevens, als men weet hoe veel een regt fatsoenlijk man schuldig kan zijn.

Maar om mijn verhaal weêr op te vatten.

Juist den dag nadat mijnheer die inlichtingen omtrent den heer Dawkins gevraagd had, van welke ik reeds melding heb gemaakt, ontmoette hij den heer Blewitt op den trap, en het was verwonderlijk te zien, hoe deze heer, dien hij zich tot nu toe naauwelijks verwaardigd had te groeten, nu door hem werd ontvangen. Een van de zoetste glimlachjes, die ik ooit had gezien, was nu op het gelaat van den heer Deuceace zigtbaar. Hij strekte zijne hand, met een wit glacé handschoen bedekt, uit, en, met de vriendelijkste stem mogelijk, zeide hij tot hem: „Wel, mijnheer Blewitt! ’t is wel eene eeuw sedert wij elkander ontmoet hebben. ’t Is waarachtig schande, dat buren elkander zoo weinig zouden zien!”

De heer Blewitt stond aan de deur van zijne kamer met een sigaar in den mond, in een licht groen chamber-cloak gekleed, en bezig om een jagtlied te neuriën. Eerst keek hij verwonderd op, toen scheen hij zich gevleid te voelen, daarop begon hij argwaan te vatten.

„Wel... ja...” zeide hij, „’t is lang geleden sedert wij elkander gezien hebben, mijnheer Deuceace.”

„Ik geloof haast, niet sedert wij zamen bij Sir George Hockey aten – à propos! dat was toch een vrolijke avond; niet waar, mijnheer Blewitt? Uitstekende wijn! heerlijke liederen! Ik herinner mij nog uw lied van „den Meimorgen”; waarachtig, het aardigste, komiekste lied, dat ik van mijn leven gehoord heb. Ik sprak er gisteren avond nog over, met den hertog van Doncaster. Gij kent toch den hertog, niet waar?”

De heer Blewitt antwoordde, zoo knorrig mogelijk: „Neen, ik ken hem niet.”

„Wat, gij kent hem niet!” riep mijnheer uit, „wel, waarachtig, Blewitt! hij kent u, – iedereen, die in Engeland renpaarden houdt, kent u, gelijk ik mij verbeeld. Kom, man, uwe aardigheden zijn te Newmarket in ieders mond.”

En op deze wijze ging mijnheer voort, den heer Blewitt te streelen. In den beginne antwoordde die heer kortaf en knorrig; maar na een weinig meer, vleijerij werd hij zoo beleefd mogelijk; hij liet zich door de schoone woorden van Deuceace foppen, en geloofde al zijne leugens. Eindelijk werd de deur toegedaan, en beiden traden in de kamer van den heer Blewitt.

Natuurlijk is het niet in mijne magt, om hetgeen daar gebeurde over te vertellen; maar na verloop van ongeveer een uur, kwam mijnheer, zoo geel als mosterd, naar zijne eigene kamer terug, eene akelige tabakslucht mede brengende. Nooit van mijn leven heb ik een arm mensch zoo zien lijden, als hij nu deed. Hij had waarachtig bij den heer Blewitt sigaren gerookt.

Ik zeide natuurlijk niets, hoewel ik dikwijls gehoord had, hoe hij zijn afkeer van den tabak lucht gaf, en zeer goed wist, dat hij even gaarne vergift als tabaksrook zoude inslikken. Maar hij was geen mensch om iets zonder bepaalde redenen te doen, en indien hij gerookt had, dan was het ook met het een of ander doel geschied; daarvan was ik overtuigd.

Ik had dan het gesprek tusschen de beide heeren niet vernomen, maar de bediende van den heer Blewitt wel; het was als volgt: „Wel, mijnheer Blewitt, welke heerlijke sigaren! Hebt gij er niet een van over, voor een vriend?” (De oude vos; ’t was niet alleen de sigaar, dien hij inpalmen wilde!)

„Kom binnen,” zeide mijnheer Blewitt, en zij raakten met elkander aan het praten; mijnheer steeds zeer nieuwsgierig omtrent den jongen heer, die pas in onze buurt was komen wonen, den heer Dawkins, en altijd op dat punt terugkeerende; aanmerkende, dat menschen, die hetzelfde huis bewoonden, op een vriendschappelijken voet met elkander moesten leven; hoe aangenaam het hem zijn zoude, met den heer Richard Blewitt en zijne vrienden, wie ze ook waren, nader bekend te worden, en zoo voort. De heer Richard evenwel scheen den strik op te merken, dien men voor hem spande.

„Waarachtig,” zeide hij, „ik ken dezen Dawkins niet; hij is de zoon, gelijk ik hoor, van een kaaskooper, en, hoewel ik hem eene contra-visite heb gebragt, ben ik niet geneigd verder kennis met hem te maken, daar ik niet wensch, met zulke menschen om te gaan.”

En op deze wijze gingen zij voort; mijn heer steeds aan het uitvisschen, en de heer Blewitt geenszins geneigd aan den hengel te bijten, wat het ook kostte.

„De drommel haal den gemeenen schoft!” bromde mijnheer, nadat hij mislijk was geweest. „Hij heeft mij met zijn vervloekten tabak vergeven, en mij toch teleurgesteld. Die verd..... schurk, die boer! hij heeft voor, dien armen kaaskooper te grond te rigten; maar ik zal naar hem toegaan en hem waarschuwen.”

Ik dacht, dat ik het uitproesten zoude van lagchen, toen ik hem op deze wijze hoorde spreken. Ik wist, wat zijne waarschuwing beteekende: – zoo veel als de staldeur toesluiten, maar eerst het paard stelen.

Den volgenden dag werd zijn plan ten uitvoer gebragt, om met den heer Dawkins in kennis te komen; het was een aardige zet.

Ik moet u dan verhalen, dat de heer Dawkins, behalve de poëzij en het fluitspelen, ook andere liefhebberijen had; – hij hield namelijk zeer veel van lekker eten en drinken.

Na den geheelen dag over zijne muzijk en zijne boeken gehangen te hebben, ging de jonge heer gewoonlijk des avonds uit, om hier of daar deftig te dineren en met zijn vriend, den heer Blewitt, allerhande fijne wijnen te drinken. In den beginne was hij een rustig jong mensch, maar het was de heer Blewitt, die hem, voor zijn eigen doel, aan deze levenswijze had gewend. Nu behoef ik niet te zeggen, dat hij, die ’s middags lekker eet en ’s nachts te veel wijn drinkt, ’s morgens eene flesch soda-water en misschien eene kotelette daarbij lust. Dit was het geval met den heer Dawkins, en geregeld, klokslag twaalf uur, kwam de oppasser van Dick’s koffijhuis onzen trap op, met het warme ontbijt van den heer Dawkins.

Niemand voorwaar zoude iets hebben kunnen ontdekken, wat hem in eene zoo onbelangrijke omstandigheid van dienst kon zijn, maar met mijnheer was het anders: hij viel er op aan, als eene kip op een graankorrel.

Hij zond mij naar Picadilly, om een Straatsburger paté – in het Fransch paté de foie gras – te halen. Hij nam een kaartje, spijkerde het er boven op, (de patés komen gewoonlijk in ronde houten trommeltjes) – en wat denkt de lezer, dat hij er op schreef?

Hij schreef het volgende:

„Aan den hoog welgeboren heer Algernon Percy Deuceace, enz. enz. enz. Met vriendelijken groet van Prins Talleyrand.”

„Met vriendelijken groet van Prins Talleyrand” waarachtig! Ik moet nog lagchen als ik er aan denk, de lepe vent, waarachtig! – hij was een lepe vent, die Deuceace.

Nu gebeurde het, zeer ongelukkig, den volgenden dag, juist op het oogenblik, dat het ontbijt van den heer Dawkins den trap opkwam, dat de heer Algernon Percy Deuceace den trap afging. Hij was vrolijk als een leeuwerik, hij neuriede een operadeuntje en speelde met zijn wandelstok, die voorzien was van een zwaren gouden knop.

Hij liep den trap af zoo snel hij kon, en, op de toevalligste en ongelukkigste wijze der wereld, sloeg hij met zijn stok tegen het blad, dat de oppasser naar boven bragt, en weg was de kotelette, de Cayenne-peper, de saus en het soda-water van den heer Dawkins! Ik kan niet begrijpen, hoe mijnheer zoo juist het oogenblik had kunnen treffen; maar het is waar, dat zijn venster het uitzigt had op de plaats, en dat hij iedereen kon waarnemen, die de deur binnen kwam.

Zoodra het ongeluk gebeurd was, werd mijnheer zoo woedend, dat ik zijn weêrga daarin niet gezien heb; hij vloekte tegen den knecht, dreigde hem met zijn stok, en kwam eerst een weinig tot bedaren, toen hij bemerkte, dat de oppasser een veel sterker man was, dan hij.

Hij keerde naar zijne kamers terug, en Jan de oppasser draafde weg, om een ander ontbijt te halen, van Dick’s koffijhuis.