Part 11
Nu was Lord Crabs, hoewel hij een schurk mogt wezen, veel te goedaardig, om iemand te benadeelen, alleen met doel om kwaad te doen. Hij had eene hoogte bereikt, van welke hij op alle beleedigingen nederzag – zij waren voor hem iets gewoons – hij deed ze anderen aan – en zij werden hem door anderen aangedaan, zonder dat hij in het minste wrok voedde. Daarom, zoo hij wenschte zijnen zoon te benadeelen, dan was het ook, om zich zelven te bevoordeelen. En hoe kon hij dat doen? Natuurlijk, door zelf het vermogende meisje te trouwen. – De hoogwelgeboren heer Deuceace zeide dit alles niet hard op, maar ik was met zijne gevoelens volmaakt bekend: het speet hem zeer, dat hij den ouden heer het geld, dat hij verlangde, niet gegeven had.
De arme jongen! hij dacht, dat hij het geraden had – het was echter geheel en al misgezien!
Wat bleef hem te doen over? Het was klaarblijkelijk, dat hij met het meisje moest trouwen – coute qui coute, op zijn Fransch gezegd – dat is, trouwen moest hij, en de drommel haal de onkosten.
Om dat te kunnen doen, moest hij eerst uit de gevangenis komen – om uit de gevangenis te komen, moest hij zijne schulden betalen – en om zijne schulden te betalen, moest hij elken stuiver opofferen, dien hij ter wereld bezat.
Maar dat kwam er niet op aan – vier duizend pond is geene groote zet voor een geregelden speler, vooral als hij het moet zetten, of zijn leven lang in de gevangenis blijven; terwijl, indien hij met geluk speelt, het hem tien duizend pond ’s jaars zou opbrengen.
Dit alles overwegende, nam hij zijn besluit en schreef dien volgens den onderstaanden brief aan Jufvrouw Griffin:
„Aangebedene Matilda! Uw brief is een wezenlijke troost geweest voor een armen mensch, die gehoopt had, dat deze nacht de gelukkigste van zijn geheele leven zou zijn, en zich nu gedoemd ziet, dien tusschen de vier muren eener gevangenis door te brengen. Gij kent de schandelijke zamenspanning, waardoor zulk eene zware verantwoordelijkheid op mijne schouders werd gelegd, en de dwaze vriendschap, die mij zoo duur is te staan gekomen. Maar dit is van geen belang. Wij bezitten, zoo als gij met regt zegt, genoeg, zelfs in het geval, dat ik deze onregtmatige schuld moet afbetalen, en vijf duizend pond zijn niets in vergelijking met het geluk, dat ik verlies, door één nacht langer van u te zijn gescheiden! Maar moed gehouden! Indien ik eene opoffering breng, zoo is het eene opoffering aan u, en ik zou waarlijk ongevoelig moeten zijn, indien ik voor één oogenblik mijne eigene verliezen wilde opwegen tegen uw geluk!
„Is het niet aldus, mijne beminde? Is niet uw geluk afhankelijk van eene verbinding met mij? Ik ben trotsch, als ik er aan denk – trotsch ook dit gering bewijs te mogen geven van de kracht en de zuiverheid mijner liefde.
„O, zeg mij nu, dat gij nog morgen de mijne wilt wezen – en morgen zullen deze vernederende ketenen worden afgeschud en ik zal weder vrij zijn – of, indien ik weder geketend word, zal het slechts in uwe boeijen zijn!
„Aangebedene Matilda! mijne dierbaarste bruid, schrijf mij nog dezen avond – want ik zal in mijne gevangenis het oog niet kunnen toedoen, voor dat ik verlicht ben door het gezigt van eenige woorden van uwe pen! O schrijf mij dan, beminde! Schrijf! Ik verlang vurig naar het antwoord, dat mij voor altijd gelukkig of ellendig zal maken.
„Uw liefhebbende
A. P. D.”
„Dit briefje opgesteld hebbende, vertrouwde het mijnheer aan mij, om het te bezorgen; mij tegelijk bevelende, mijn best te doen, om het aan jufvrouw Griffin, zonder dat iemand anders tegenwoordig was, over te leveren.
Ik spoedde mij er mede naar Lady Griffin. – Ik vond jufvrouw Matilda, gelijk ik wenschte, alleen, en overhandigde haar het geparfumeerde briefje van mijnheer. Zij doorlas het, en de zuchten, welke zij daarbij loosde, en de tranen, welke zij stortte, zijn niet te beschrijven. Zij weende en steunde zóó, dat ik mij verbeeldde, dat ze op punt was den geest te geven. Zij drukte mij zelfs de hand en zeide:
„O, Karel, hij is zeer, zeer ongelukkig!”
„Dat is hij, mejufvrouw,” zeide ik, „zeer ongelukkig – het is niet mogelijk, ongelukkiger te worden.”
Toen zij deze aandoenlijke opmerking vernam, nam zij dadelijk haar besluit; en voor de schrijftafel zich plaatsende, vereerde, zij mijnheer met een antwoord – hier is bet, zwart op wit.
„Mijn gevangen duifje zal niet meer treuren, maar toevlugt zoeken in zijn nest, in mijne armen! Aangebedene Algernon, ik zal u morgen, op dezelfde plaats, op hetzelfde uur, weder afwachten. Het zal dan onmogelijk zijn, dat iets anders dan de dood ons scheide!
„M. G.”
Deze onzinnige schrijftrant is, gelijk men begrijpt, het gevolg van romanlectuur en van kleingeestige, letterkundige bezigheden. Hoe veel beter is het, de kunst van schrijven in het geheel niet te kennen, en zich te verlaten op de ongekunstelde uit drukkingen van het hart.
Dat is mijn stijl – ik veracht de kunst; ik laat alles aan de natuur over: maar revenons à nos moutons, gelijk de Franschen zeggen; aan dat onschuldig, wit schaap, mijnheer, aan den grijzen ouden ram, Lord Crabs, en aan het lieve, teedere lammetje, mejufvrouw Matilda Griffin.
Deze had juist het briefje, dat ik boven afgeschreven heb, opgevouwen, en ik was op het punt, om, volgens de bevelen van mijnheer, te zeggen:
„Als het u belieft, jufvrouw, mijnheer Deuceace zou zich zeer verpligt rekenen, indien gij de plegtigheid, die morgen zal plaats hebben, als een diep geh...”, toen de vader van mijnheer in de kamer trad en ik mij naar de deur terug trok.
De jufvrouw, zonder een enkel woord te zeggen, wierp zich in zijne armen, gaf, zoo als gewoonlijk, den vrijen loop aan hare tranen, en hem den brief van zijn zoon in handen gevende, riep zij uit:
„Ziedaar, waarde Lord Crabs, op welk een edele wijze uw Algernon, onze Algernon, mij schrijft! Wie zou nu nog de zuiverheid, de onbaatzuchtigheid van zijne onvergelijkelijke liefde kunnen betwijfelen?”
Lord Crabs nam den brief, las hem door, scheen zich zeer daarmede te vermaken, en hem terug gevende aan haar, aan wie hij gerigt was, zeide hij, tot mijne groote verwondering:
„Mijne waarde jufvrouw Griffin, zeker schijnt het hem volkomen ernst te zijn, maar zoo gij dit huwelijk, zonder de toestemming uwer stiefmoeder, verkiest aan te gaan, gij kent de gevolgen, en kunt naar uw eigen goeddunken handelen.”
„De gevolgen kennen! Foei, Mylord! Een weinig geld meer of minder, wat is dat voor twee zulke harten als de onze?”
„Harten zijn wel aardige dingen, mijne schoone jonge dame, maar drie per cents zijn nog aardiger.”
„Ja, maar hebben wij niet een ruim inkomen van ons zelven, zonder de hulp van Lady Griffin?”
Lord Crabs haalde de schouders op.
„Het zij zoo, mijne waarde,” zeide hij, „natuurlijk kan ik geene reden hebben, om eene verbindtenis tegen te werken, die op zoo onbaatzuchtige liefde steunt.”
Hiermede eindigde het gesprek: mejufvrouw Griffin verliet ons, de handen ineen slaande, en het wit van de oogen vertoonende.
Lord Crabs begon in de kamer op en neêr te draven, met de vette handen in de broekzakken, terwijl zijn gelaat van buitengewone vreugde straalde en hij tot mijne verbazing zong:
Zie, de overwinnaar nadert!
Tol-de-rol-doll–tol-de-rol-doll!
Hij ging voort met zingen en, als of hij bezeten was, in de kamer heen en weêr te loopen. Ik stond versteend – daar was plotseling een licht voor mij opgegaan. – Hij was niet verliefd op jufvrouw Griffin! Hij wilde wel, dat mijnheer met haar trouwde! Had zij dan niet het vermo–?
Ik stond als versteend – met starenden blik, verstijfde handen en gapenden mond; verrassende gedachten overstelpten mijne ziel, en Mylord was aan het laatste „doll!” van zijn lied gekomen, op hetzelfde oogenblik, dat ik tot aan de lettergrepen „vermo-” van mijne buik- of alleenspraak kwam – toen wij beiden, de beschrevene punten bereikt hebbende, in onze overdenkingen plotseling daardoor gestoord werden, dat Mylord, te midden van zijn zingen en draven, met zoo veel geweld tegen mij aan liep, dat ik naar het eene einde van de kamer terug vloog, en hij in de tegenovergestelde rigting achteruit deinsde: het was eerst, na met groote moeite onze wederzijdsche ontroering overwonnen te hebben, dat wij weder in evenwigt kwamen.
„Hoe – gij hier, vervl..... schelm?” riep Mylord uit.
„Het is zeer vriendelijk van u, Mylord, eenige notitie van mij te willen nemen,” zeide ik, „ja – hier ben ik?” en ik wierp hem een veel beteekenenden blik toe.
Hij zag, dat ik het geheele spel had begrepen.
Nadat hij een tijdlang gefloten had, gelijk zijne gewoonte was, als hij verlegen werd (ik geloof waarachtig, dat hij niets anders gedaan zou hebben dan fluiten, als hij over vijf minuten had moeten opgeknoopt worden) – nadat hij alzoo een tijdlang gefloten had, hield hij plotseling stil en, mij naderende, zeide hij:
„Hoor eens, Karel, dit huwelijk moet morgen voltrokken worden!”
„Zoo, Mylord,” zeide ik, „ik, voor mij, geloof niet –”
„Wacht eens eventjes, vriendje: als het niet voltrokken wordt, wat wint gij er bij?”
Dit deed mij aarzelen – indien het niet plaats had, verloor ik maar mijne dienst, want mijnheer had niet meer geld, dan noodig was, om zijne schulden te betalen, en het zou niet met mijne bedoelingen overeengekomen zijn, hem in de gevangenis of in ellende te bedienen.
„Goed!” vervolgde Lord Crabs: „gij vat de kracht van mijne gronden. Zie nu eens hier –” en hij bragt eene zuivere, splinternieuwe banknoot te voorschijn van honderd pond: „indien mijn zoon en mejufvrouw Griffin morgen met elkander trouwen, zult gij dit hebben; daarenboven zal ik u in mijne dienst nemen en uw tegenwoordig loon verdubbelen.”
Vleesch en bloed waren tegen zóó iets niet bestand.
„Mylord,” zeide ik, de hand op het hart leggende, „geef mij maar securiteit, en ik ben eeuwig de uwe!”
De oude edelman grinnikte en klopte mij op den schouder.
„Goed zoo, mijn jongen!” zeide hij, „goed zoo – gij zijt een veelbelovend jong mensch. Hier hebt gij de beste securiteit, die ik u geven kan;” en hij trok zijn portefeuille uit den zak, legde de honderd pond banknoot er in, en nam eene van vijftig er uit: „Daar hebt gij heden de helft – morgen zult hij het overige hebben!”
Mijne vingers beefden, toen ik het kostbare, mooije stukje papier ontving, dat ongeveer vijfmaal zoo veel geld waard was, als ik ooit van mijn leven in handen had gehad. Ik wierp een blik op het bedrag: vijftig pond, waarachtig – een Bank-post-bill, betaalbaar aan Eleonora Emilia Griffin, en door haar onderteekend.
De kat was uit den zak. Ik veronderstel, dat de aandachtige Lezer nu het spel begrijpt.
„Herinner u, dat gij van dit oogenblik in mijne dienst zijt!”
„Mylord, ik ga gebukt onder uwe weldaden!”
„Loop naar den d....., vriend!” zeide hij, „doe uw pligt en zwijg!”
Op deze wijze ging ik over, uit de dienst van den hoog welgeboren heer Deuceace, in die van Zijne Exec. den hooggeboren heer graaf van Crabs.
Toen ik in de gevangenis terug kwam, vond ik Deuceace in die akelige plaats opgesloten, waarheen hij door zijne verkwisting, naar verdienste, werd gebragt, en ik moet bekennen, ik gevoelde jegens hem de grootste minachting. Een booswicht van zijne soort, een opligter, die den armen Dawkins van de middelen van bestaan beroofd had, die zijn medepligtige, den heer Richard Blewitt, had bedrogen, en die nu op het punt was, uit eigenbelang een huwelijk aan te gaan met zoo een walgelijk schepsel als Matilda Griffin, alleen uit geldzucht, verdiende geen medelijden van mijnen kant, en ik besloot, alle omstandigheden, die op mijne geheime afspraak met mijn tegenwoordigen meester betrekking hadden, geheim te houden.
Ik overhandigde hem den brief van mejufvrouw Matilda, dien hij met een vergenoegden blik doorlas, en zich tot mij wendende, zeide hij:
„Gij gaaft mijn brief aan mejufvrouw Griffin, toen zij alleen was?”
„Ja, mijnheer.”
„En gij bragt haar daarbij mijne boodschap over?”
„Ja wel, mijnheer.”
„En gij weet zeker, dat Lord Crabs er niet bij was, toen gij den brief en de boodschap aan haar overbragt?”
„Hij was er niet, op mijn woord van eer!” zeide ik.
„De drommel haal uw woord van eer! Borstel mijn hoed en jas, en ga een rijtuig bestellen, verstaat gij?”
Ik deed gelijk mij bevolen werd, en toen ik terug kwam, vond ik mijnheer in hetgeen men de greffe noemt van de gevangenis. De ambtenaar, die tegenwoordig was, haalde een groot register te voorschijn, en praatte met mijnheer in de Fransche taal; eene menigte arme gevangenen waren nieuwsgierige toeschouwers.
„Laat ons zien, Milor,” zeide hij, „de schuld is acht en negentig duizend zeven honderd francs; voor de arrestatie en de onkosten: zóó veel – zoodat de geheele som beloopt honderd duizend francs – min dertien.”
Deuceace haalde met de meeste deftigheid uit zijn portefeuille: vier banknoten, elk van duizend pond.
„Dit is geen Fransch geld,” zeide hij, „maar ik veronderstel, dat gij het toch kent, mijnheer de Griffier.”
De Griffier keerde zich om tot den ouden Salomon, een wisselaar, die een paar kalanten in de gevangenis had en zich toevallig daar bevond.
„Les billets sont bons,” zeide hij, „moi je les prendrai pour cent mille douze cent francs, et j’espère, milor, vous revoir.”
„Best,” zeide de Griffier, „nu weet ik, dat ze goed zijn, en ik zal Milor teruggeven, wat hem toekomt, en hem eene kwitantie ter hand stellen.”
Dit gebeurde, en de arme gevangenen uitten een flaauwen vreugdekreet, toen de groote, dubbele, ijzeren deuren opengedaan en weder digt geslagen werden, terwijl Deuceace er uit stapte en ik hem volgde, regt verheugd weder versche lucht te scheppen.
Hij was maar zes uren in die plaats geweest, en nu was hij weder vrij, en op het punt, om den volgenden dag met tien duizend pond ’s jaars te trouwen – niettegenstaande dit, zag hij er zeer zwakjes en bleek uit. Hij hàd nu den grooten inzet gewaagd, en toen hij uit de gevangenis van Sainte Pélagie kwam, had hij niet meer dan vijftig pond in de wereld over!
Maar dat hielp niets – het geld stond nu op het spel – en moed geschept! Zoo dacht ook Deuceace. Hij reed terug naar het hôtel Mirabeau, waar hij eene veel prachtiger woning dan te voren bestelde, en ik vertelde weldra aan Toinette en aan de overige dienstboden, hoe edel bij zich gedragen had, en hoe hij niet meer om vier duizend pond gaf, dan om zoo vele droppels water. Mijne loftuitingen en de daaruit gevolgde eerbied, welken men ons bewees, waren oorzaak, dat de verrukte eigenares van het hôtel mijnheer nog eens zoo veel voor alles deed betalen, dan zij zonder mijne vertelseltjes gedaan zou hebben.
Hij bestelde alzoo prachtige kamers, tegen de volgende week, een rijtuig met vier paarden, om den volgenden dag naar Fontainebleau te rijden – met het slaan van twaalf uur – en deze zaken beschikt hebbende, ging hij bedaard eten in de Rocher de Cancale, waartoe het wel tijd was, daar het al acht uur geslagen was.
Ik zelf spaarde ook dien avond den Champagne niet, dat moet ik bekennen, want toen ik later mijnheers briefje aan jufvrouw Matilda overbragt, in hetwelk hij haar zijne bevrijding mededeelde, en de jufvrouw mijn stamelende stem en onzekeren tred opmerkte, zeide zij:
„Eerlijke Karel! hij is ontroerd, door hetgeen heden gebeurd is – daar, Karel, hebt gij een Louis d’or, om op de gezondheid uwer aanstaande meesteres te drinken.”
Ik stak het op, maar ik moet zeggen, dat het geld mij niet toelachte – het was strijdig met mijn geweten, om het in den zak te steken.
ELFDE HOOFDSTUK.
HET HUWELIJK.
De volgende dag verscheen: om twaalf uur wachtte het rijtuig, met vier paarden bespannen, aan de deur van de ambassade, en mejufvrouw Griffin en de getrouwe Kicksey waren stipt op den bepaalden tijd aanwezig.
Ik zal de huwelijksplegtigheid niet beschrijven – hoe de kapellaan van de ambassade de handen van dit beminnend paar vereenigde – hoe een der dienstboden binnen geroepen werd, om tot getuige te dienen – hoe de bruid weende en flaauw viel, zoo als het behoorde – en hoe Deuceace haar in onmagtigen toestand in het rijtuig bragt en naar Fontainebleau reed, waar zij de eerste acht dagen van de wittebroodsweken zouden doorbrengen.
Zij namen geene dienstboden mede, omdat zij zoo stil mogelijk wenschten te blijven.
Alzoo – toen ik het portier toegedaan en aan den postillon gezegd had, dat hij oprijden kon, nam ik afscheid van den heer Deuceace en begaf mij regtstreeks bij zijn zeer achtingswaardigen vader.
„Is alles afgeloopen, Karel?” vroeg hij.
„Ik zag hen kwart over twaalf trouwen, Mylord,” zeide ik.
„Hebt gij aan jufvrouw Griffin het papier gegeven, dat ik u beval, haar vóór het trouwen te overhandigen?”
„Ja wel, Mylord, ik deed het in tegenwoordigheid van den heer Brown, den knecht van Lord Bobtail, die bij eede kan verklaren, dat zij het in handen heeft gehad.”
Ik heb tot nu toe vergeten te zeggen, dat Lord Crabs mij een papiertje had doen lezen, dat door Lady Griffin geschreven was, en dat mij bevolen werd, op bovengemeld tijdstip te bezorgen. Het luidde aldus:
„Krachtens de magt, mij door den uitersten wil van mijn overledenen, dierbaren echtgenoot gegeven, verbied ik het huwelijk van mejufvrouw Griffin met den heer Algernon Percy Deuceace. Zoo me-. jufvrouw Griffin op het huwelijk blijft staan, moge zij zelve de gevolgen verantwoorden.
„Rue de Rivoli, den 8 Mei 1818.
Eleonora Emilia Griffin.”
Toen ik dit briefje aan jufvrouw Griffin overhandigde, op het oogenblik dat zij uit het rijtuig stapte, eene minuut of wat voor de komst van mijnheer, las zij het vlugtig door, en zeide: „Ik lach om de bedreigingen van Lady Griffin!” Daarop scheurde zij het papiertje midden door, en ging verder, op den arm leunende van de getrouwe en gedienstige jufvrouw Kicksey.
Ik raapte het papier op, uit vrees voor ongelukken, en bragt het aan Mylord. Dat was echter niet noodig geweest, want hij had er een afschrift van gemaakt, en aan mij en een ander getuige (de zaakwaarnemer van Lady Griffin) liet hij beiden lezen, voor hij ze uit handen gaf.
„Best!” zeide hij daarop en haalde uit zijn portefeuille eene even schoone banknooot van vijftig pond te voorschijn, als hij mij den vorigen dag had gegeven: „ik houd mijn belofte, Karel! zoo als gij ziet, gij zijt nu in dienst van Lady Griffin, in plaats van den heer Fitzclarence, die ontslagen is. Ga bij den kleêrmaker en bestel eene nieuwe liverei.”
„Maar, Mylord,” viel ik hem in de rede, „dat is niet volgens de afspraak; ik moest niet in de dienst van Lady Griffin treden, maar bij –”
„Het komt op hetzelfde neêr!” zeide hij, zich omkeerende.
Ik ging bij den heer Frojé en bestelde eene nieuwe liverei, en ik ontdekte, dat onze koetsier en de heer Mortimer ook bij hem geweest waren.
De liverei van Lady Griffin was veranderd, en was van dezelfde kleur als mijn rok, toen ik bij den heer Deuceace diende, en op de knoopen was eene verbazend groote grafelijke kroon, in plaats van het wapen der Griffins, gelijk vroeger het geval geweest was.
Niettegenstaande dit alles, deed ik geene onbescheidene vragen, maar ik liet mij de maat nemen, en ging dien nacht slapen in de Place Vendôme. Met het rijtuig ging ik evenwel, gedurende eenige dagen niet uit, daar Lady Griffin slechts één knecht medenam, in afwachting, zeide zij, dat haar nieuw rijtuig klaar zou zijn.
Men zal nu wel kunnen gissen, wat er moest gebeuren.
Ik kocht voor mijzelven eene cassette met toiletbehoeften voorzien, een kistje Eau de Cologne, eenige dozijnen fijne linnen overhemden en witte dassen, en andere benoodigheden van een man van mijn stand. Zijden kousen werden ons met de liverei gegeven. Ik eindigde, met den volgenden, beleefden brief aan mijn vroegeren meester te schrijven:
„De weledel geboren heer Karel Yellowplush aan den hoogwelgeboren heer Deuceace.”
„Mijnheer! Omstandigheden hebben plaats gehad, sedert ik de eer had in uwe dienst te zijn, die het mij onmogelijk maken, langer bij u te blijven. Daarom zoudt gij mij verpligten door mijn linnengoed ter zijde te leggen, als het Zaturdag van de wasch te huis komt.”
„Place Vendôme.
Uw dienstwillige dienaar
Karel Yellowplush.”
Ik moet bekennen, dat de stijl van dit briefje niet overheerlijk is – maar que voulez vous? Ik was toen slechts achttien jaren oud, en had niet die ondervinding in het stellen verkregen, welke ik nu bezit.
Mijn pligt op deze wijze jegens iedereen vervuld hebbende, zal ik in het volgende hoofdstuk voortgaan, met te vertellen wat in mijne nieuwe dienst gebeurde.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE WITTEBROODSWEKEN.
De week te Fontainebleau was spoedig ten einde, en met den laatsten dag er van keerden onze schoonzoon en dochter – een aardig paar tortelduifjes – naar hun nest in de Rue Mirabeau terug. Ik veronderstel dat het mannetje al lang berouw had over zijn koopje.
Het eerste, dat zij op tafel vonden, was een groot pak in mooi papier gerold, en eene courant er bij, en twee kaartjes met een wit satijn lintje aan elkander verbonden. Het pakje bevatte een groot stuk koek, met suiker bedekt [9]. Op het eene kaartje was gedrukt met eene gothische letter:
Graaf van Crabs.
op het andere, in zeer klein kursief schrift:
Gravin van Crabs.
In de courant was het volgende te lezen:
„Huwelijk in de groote wereld. – Gisteren, aan de Britsche ambassade, werden vereenigd de hooggeboren heer John Augustus Altamont Plantagenet, graaf van Crabs, met Eleonora Emilia, weduwe van wijlen den luitenant-generaal Sir George Griffin, ridder van de Bath-orde, enz. enz. Een prachtig déjeuné werd aan het gelukkige paar gegeven door Zijne Excellentie Lord Bobtail, die de bruid tot aan het altaar vergezelde. De élite van de buitenlandsche diplomatie, de prins Talleyrand en de maarschalk hertog van Dalmatië, van wege Z. M. den koning der Franschen, vereerden de feestelijkheden met hunne tegenwoordigheid.
„Lord en Lady Crabs zullen eenige weken te St. Cloud doorbrengen.”
De bovenstaande stukken en mijn brief begroetten mijnheer en mevrouw Deuceace bij hunne terugkomst van Fontainebleau.
Daar ik niet aanwezig was, kan ik natuurlijk niet zeggen, hoe zich Deuceace daarover uitliet, maar ik kan mij zijne verbazing en die der arme Matilda zeer goed voorstellen. Zij hadden geen groote behoefte om uit te rusten na de vermoeijenissen van de reis, want een half uur na hunne aankomst te Parijs, werden de paarden weder voor het rijtuig gebragt, en zij kwamen aanhollen, zoo hard zij maar konden, naar ons buiten te St. Cloud, om onze kuische liefde en ons huwelijksgenot te stooren.
Mylord lag in een rood satijnen robe de chambre gedost, zeer op zijn gemak, op een sofa uitgestrekt, zoo als gewoonlijk met eene sigaar in den mond. Mylady, die niets om de tabakslucht gaf, zat aan het andere einde van de kamer, bezig met een paar pantoffels, of een overtrek voor een paraplui, of voor een turfmandje, of eene diergelijke zotternij, in wol te borduren. Als men dit paar toen gezien had, zou men zich verbeeld hebben, dat zij minstens eene eeuw lang getrouwd waren geweest.
Dit huisselijk tête à tête werd door mij gestoord, daar ik zeer ontsteld binnen trad en uitriep:
„Mylord, daar komen uw zoon en uwe schoondochter aan!”
„Nu – en wat dan?” zeide Lord Crabs, met de meeste bedaardheid.
„Mijnheer Deuceace hier!” riep Mylady uit, zeer ontsteld.
„Ja wel, lieve, mijn zoon komt; maar gij behoeft niet te ontstellen. – Karel, wees zoo goed en zeg, dat Lady Crabs en ik zeer verblijd zullen zijn, mijnheer en mevrouw Deuceace te ontvangen, en dat zij het ons niet moeten euvel duiden, dat wij ze maar zoo en famille afwachten. – Blijf maar zitten, lieve vrouw – men moet zulke zaken met koelbloedigheid behandelen.”