Part 6
Jufvrouw Eleonora Kicksey, een mooi levendig meisje uit Islington, werd door haren oom, kapitein Kicksey, onder andere handels-artikelen, naar Calcutta medegenomen, en zeer voordeelig aan den man gebragt. Zij was een en twintig jaren oud, toen, zij met Sir George trouwde, die zijn een en zeventigste jaar bereikt had; en de dertien overige jufvrouwen Kicksey, van welke negen eene kostschool te Islington hadden, en de vier anderen hier en daar in Londen uitgehuwelijkt waren, gevoelden zich zeer trotsch, dat zij met haar verwant waren.
Eéne van haar, jufvrouw Jemima Kicksey, de oudste en niet de minst leelijke van de familie, woonde bij Mylady, en gaf mij deze berigten. Van de overige leden der familie, menschen uit den geringen stand, weet ik natuurlijk niets; mijne kennissen, dank zij den Hemel, zijn niet onder hen of huns gelijken.
Deze jufvrouw Jemima leefde bij hare jongere en gelukkiger zuster, als gezelschaps-dame en dienstbare geest. Ongelukkig wezen! Ik zoude even gaarne een galei-boef wezen, als het leven leiden, waartoe zij gedoemd was! Iedereen in het huis verachtte haar; mevrouw beleedigde haar; zelfs de meiden in de keuken lachten haar uit en bespotteden haar. Zij schreef alle briefjes, zij keek de rekeningen na, zij zette de thee, zij maakte de chocolade, zij voerde de kanarie-vogels, en bezorgde het linnengoed voor de wasch. Zij was eene levende werkdoos, of sleutelmandje, voor mevrouw, en haalde en droeg haar zakdoek, of haar flacon, even als een wèl opgevoed schoothondje.
Op de soirées van mevrouw speelde zij, den geheelen nacht door, quadrilles (niemand dacht er ooit aan, om háár tot den dans te vragen); als mejufvrouw Griffin zingen wilde, moest zij op de piano accompagneren, en zij werd beknord, omdat de zangster valsch zong. Ofschoon zij een afkeer van honden had, ging zij nooit mede uit rijden zonder den poedel van mevrouw op schoot te hebben, en hoewel zij altijd ziek werd door de beweging, moest zij toch zitten met den rug naar de paarden gekeerd. Arme Jemima! Ik heb haar nog voor den geest, gekleed in mevrouw’s alleroudste zaken (de kameniers namen altijd hetgeen maar halfsleets was) – in een lila satijnen japon, gekneuterd, gevlakt en smerig; een paar wit satijnen schoenen van de kleur van gom-elastiek; een verschoten geel fluweelen hoed, met een bouquet van verwelkte, nagemaakte bloemen, en daarop een paradijsvogel, die treurig en hangende, slechts twee vederen over had in zijn ongelukkigen staart.
Behalve dit sieraad van het salon, hadden Mylady en jufvrouw Griffin eene groote menigte andere dienstboden in de keuken: twee kameniers; twee lakkeijen, elk zes voet lang, in roode rokken, met gouden lissen en witte pantalons; een dito koetsier; een page en een chasseur; deze laatste is eene soort van knecht, alleen in het buitenland bekend, en die eer op een generaal-majoor, dan op een gewoon sterveling gelijkt; want hij draagt een uniform met zilveren lissen bedekt, een steek, knevels, epauletten en een degen. Al deze menschen waren bestemd om twee dames te bedienen, en bovendien was er een geheel leger van het schoone geslacht: keukenmeiden, waschvrouwen, huishoudster enz.
Lady Griffin had eene woning gehuurd, die haar veertig pond in de week kostte; zeer prachtige kamers op de Place Vendôme te Parijs. En nu ik haar huis en hare dienstboden heb beschreven, moet ik eenige woorden aangaande de dames zelve zeggen.
In de eerste plaats, het spreekt, dat zij elkaâr haatten. Mylady was zeven en twintig jaren oud – twee jaren weduwe – welvarend – blond en blozend. Eene koele, stille, langzame vrouw, naar het uiterlijke, zoo als de meeste blondines zijn; het scheen moeijelijk, haar tot liefde of tot haat te bewegen; vooral tot het eerste. Zij beminde maar één mensch in de wereld – zich zelve. Zij haatte, op hare eigene, bedaarde, stille wijze, bijna iedereen, die in hare nabijheid kwam, van haren buurman den hertog, die op een diné geen notitie van haar had genomen, tot aan Jan, den knecht, die, bij ongeluk, den sleep van hare japon had gescheurd. Ik geloof, dat het hart van deze vrouw veel overeenkomst had met een van die steenen, waarop men teekent; men kan niets weder uitwisschen als het er eens op geschreven is; en mevrouws steen, ik bedoel mevrouws hart, was van denzelfden aard – ten opzigte van alles, wat eene beleediging scheen, of eene nalatigheid, of eene wezenlijke, of ingebeelde verongelijking. Haar goede naam was onbesmet, en de kwaadsprekendheid had nooit het minste tegen haar kunnen bedenken. Men stemde toe, dat er geene betere vrouw ter wereld kon zijn; en dat was ook waar; maar haren armen, ouden man doodde zij in den tijd van twee jaren, even zeker als de heer Thurtell den heer William Weare gedood had [4]. Zij maakte zich nooit driftig – waarachtig niet – zij zeide nooit een onbeleefd woord; maar zij verstond het kunstje – gelijk vele andere vrouwen – om het huis tot een hel te maken, en de arme schepselen van haar huisgezin te plagen, tot zij bijna waanzinnig werden.
Jufvrouw Matilda Griffin was veel leelijker, en ongeveer even beminnelijk als hare stiefmoeder. Zij was krom en scheel; Lady Griffin, om haar regt te doen wedervaren, had een knap figuur en zag regt uit de oogen. Matilda was donker van kleur; mevrouw blond – zij was sentimenteel; mevrouw was koud. Lady Griffin werd nooit driftig, jufvrouw Matilda was altijd in drift, en verschrikkelijk waren de tooneelen, en allergruwelijkst de twisten, welke tusschen deze twee dames plaats hadden.
Waarom woonden zij te zamen? Dat was een geheim. Daar zij met elkaâr niet verwant waren en elkander, gelijk rattenkruid, verfoeiden, zoude het zeker gemakkelijk voor haar geweest zijn om afzonderlijk te leven, en elkander uit de verte te verachten.
Wat het vermogen aangaat, door den ouden Sir George nagelaten; dat was aanmerkelijk – drie maal honderd duizend pond, op zijn minst, gelijk men mij heeft verzekerd.
Trouwens niemand wist, hoe hij er over beschikt had. Eenigen zeiden, dat het aan Mylady werd nagelaten; anderen, dat het verdeeld was tusschen de beide dames, en weder anderen, dat Lady Griffin slechts het vruchtgebruik had, en dat bij haren dood al het geld (gelijk het behoorde) aan mejufvrouw Matilda moest komen. Deze zaken zijn misschien voor het publiek van geen groot belang, maar ze waren van het hoogste gewigt voor mijn meester, den hoogwelgeboren heer Algernon Percy Deuceace, advokaat, enz. enz.
Want ik heb tot nu toe vergeten, u te zeggen, dat mijnheer op eenen zeer vriendschappelijken voet in dit huis verkeerde; en dat wij omtrent dezen tijd op ons gemak waren ingerigt, in het hôtel Mirabeau, in de Rue de la Paix, te Parijs. Wij hielden onze cabriolet en twee rijpaarden; wij hadden eene openstaande rekening in ons voordeel bij den bankier Lafitte; onze Club was aan den hoek van de Rue de Grammont; wij hadden een gedeelte van een loge in de opera gehuurd; onze apartements waren ruim en prachtig ingerigt; wij bezochten soirées aan het hof en dinés bij Z. E. Lord Bobtail en elders. Dank zij den armen Dawkins en zijn vijfduizend pond, er was geen voornamer man in Parijs, dan wij.
Nu mijnheer zich in het bezit bevond van een aardig sommetje gelds, besloot hij, met de meeste wijsheid, daar hij toch in een land was, waar zijne schulden hem niet plagen konden, voor het oogenblik het spel te laten varen – dat wil zeggen het hooge spel – want om een rouleau Louis d’ors aan de écarté- of whist-tafel te verliezen, dat beteekende niet veel; het bewees, dat wij geld hadden – en dat geeft eene soort van fatsoenlijkheid. „Maar spelen? – o neen! – dat deed hij voor alles ter wereld niet?” „Hij hàd wel eens gespeeld, zoo als jonge lieden uit zijn stand doen, en gewonnen en verloren ook,” (de oude vos zeide niet, dat hij betaald had!); „maar hij had er nu geheel en al van afgezien,” zeide hij, „en had besloten bedaard van zijne inkomsten te leven.” Men ziet het, mijnheer deed zijn best om den fatsoenlijken en eerlijken man te spelen; het is wel een voordeelig spel – maar men moet een geducht sluwe schurk wezen, om het te kunnen volhouden.
Hij ging geregeld naar de kerk – ik droeg een prachtig, in zwart marokijn gebonden gebedenboek en bijbel, met roode lintjes om de psalmen en teksten aan te wijzen, en als ik de boeken deftig voor hem nederleide en hij het gezigt verborg achter zijn keurig geborstelden hoed, dan zou men gedacht hebben dat er geen vromer, beter opgevoed, deugdzamer, jong edelman in den geheelen adelstand te vinden was. Het was stichtelijk om hem aan te zien. Alle oude wijven en douairières, die bij Lord Bobtail in huis kwamen, rolden de oogen als zij van hem spraken, en verklaarden, dat zij nooit zulk een lieven, uitstekenden, innemenden, jongen man hadden gekend.
Wat moet hij toch een voortreffelijke zoon wezen! zeiden ze, en ach! welk een voortreffelijke schoonzoon! – Vóór dat wij drie maanden te Parijs waren geweest, had hij de keuze uit alle engelsche meisjes, welke daar woonden. Maar ongelukkig, de meesten van haar waren arm, en een hutje van klei enz. was niet geheel en al naar mijnheers smaak.
Omtrent dezen tijd verschenen Lady en jufvrouw Griffin te Parijs, en mijnheer, die nog al bij de hand was, begon nu huwelijksplannen te smeden.
Hij zat in de nabijheid der dames in de kerk, en zong mede, uit het gezangboek van mevrouw; hij danste met haar op de bals aan het gezantschapshôtel, hij ging met haar rijden naar het Bois de Boulogne en de Champs Elysées (het fransche Hyde-Park); hij schreef gedichten in het album van mejufvrouw; hij zong duo’s met haar en Lady Griffin; hij kocht zoetigheden voor den poedel; hij gaf fooijen aan de knechten en handschoenen en kussen aan de grinnikende kameniers; hij was zelfs beleefd jegens de arme jufvrouw Kicksey: in één woord, er was niemand in het huis der Griffin’s, die dezen beminnelijken jongeling niet aanbad.
Zoo de dames vroeger elkaâr haatten, men kan er op aan, dat zij nu elkander, meer dan ooit te voren, verfoeiden. Er had altijd eene zekere ijverzucht tusschen beiden bestaan; mejufvrouw benijdde mevrouw hare schoonheid; en mama was jaloersch op het verstand van hare stiefdochter – mejufvrouw verweet aan mevrouw de kostschool te Islington, en Mylady plaagde de jufvrouw om haren krommen rug en hare schele oogen. Er ontstond nu een nieuwe bron van twist: zij werden beiden verzot op mijnheer Deuceace; Mevrouw natuurlijk slechts in zoo ver overeenkomstig was met hare koele, zelfzuchtige geaardheid. Zij hield van Deuceace omdat hij haar vermaakte en deed lagchen. Zij was met zijne manieren ingenomen, met zijn paardrijden en zijn uiterlijk voorkomen, en daar zij zelve eene parvenue was, bezat zij meer dan gewonen eerbied voor echt aristokratisch vleesch en bloed.
De liefde van de jufvrouw integendeel was vuur en vlam. Dat was haar manier van doen, sedert het oogenblik dat zij ter schole was gegaan, toen zij eerst bijna met den franschen meester, en naderhand met een knecht, op den loop ging (welk laatste, in vertrouwen, noch ongewoon gezegd, noch onnatuurlijk is; zoo als ik bewijzen kon, indien ik maar wilde), – en op deze wijze was zij, sedert haar vijftiende jaar, aan den gang geweest. Zij wierp zich letterlijk den heer Deuceace in de armen; van mijn leven heb ik zulke zuchten niet gehoord; zulke tranen en zulke blikken niet gezien. Ik was dikwijls op het punt om in lagchen uit te barsten, als ik aan mijnheer ontelbare billet-doux overhandigde, op rozen-rood papier geschreven, in den vorm van een driehoek gevouwen, en met de reuk van een geheelen parfumerie-winkel doortrokken, en door deze teedere maagd aan hem gerigt. Niettegenstaande dan dat mijnheer een ontwijfelbare schurk was, bleef hij toch fatsoenlijk man – hij had eene goede opvoeding gehad – en naar zijn zin – men vergeve mij de uitdrukking! – was de jufvrouw een weinig al te dol op hem. Bovendien had zij een krommen rug en zag scheel; zoodat (indien het geld maar eenigzins gelijk verdeeld was) Deuceace waarachtig aan de stiefmoeder de voorkeur zou gegeven hebben.
Daarom was het zaak voor hem, te ontdekken, welke van beiden het meeste geld had. Met eene Engelsche familie zoude dit eene gemakkelijke taak geweest zijn – hij behoefde slechts te Doctor’s Commons [5] het testament na te kijken, en de zaak ware dan opgehelderd geweest; maar het testament van dezen Indischen Nabob was te Calcutta of op eenige andere ver verwijderde plaats gebleven, en daarom kon hij er geen afschrift van vinden.
Ik moet den heer Algernon Deuceace het regt doen wedervaren, te verklaren, dat zijne liefde voor Lady Griffin zoo onbaatzuchtig was, dat hij haar liever dan jufvrouw Matilda zoude getrouwd hebben, al had zij ook tien duizend pond minder gehad. Intusschen was het voor hem zaak, beiden aan het lijntje te houden, tot hij de beste vangst kende, en voor zich uitzoeken kon. – Dit was geene moeijelijke onderneming voor een man van zijn geest; en bovendien was de jonge jufvrouw reeds zoo goed als gevangen.
VIERDE HOOFDSTUK.
EER UWEN VADER.
Ik heb reeds gezegd, dat mijnheer door iedereen in het huis der Griffins werd aangebeden. Ik had moeten zeggen: met uitzondering van één persoon – een jongen franschen edelman, die, eer wij optraden, zeer bekend met mevrouw was geweest, en juist in dezelfde betrekking tot haar had gestaan, als tegenwoordig de hoogwelgeboren heer Deuceace.
Het was aardig, en stichtelijk tevens, te zien, hoe koelbloedig deze jonge edelman den armen Chevalier de l’Orge van zijn post verdreef, en met hoe veel bevalligheid hij er zich zelven indrong. Monsieur de l’Orge was een knap, jong mensch, die omtrent even veel jaren telde en even veel schoonheid bezat, als mijnheer; maar die niet meer dan de helft van zijne onbeschaamdheid had – niet dat deze hoedanigheid in Frankrijk schaars te vinden zij – maar slechts weinigen, zeer weinigen, bezaten ze in zulk eene hooge mate, als mijn uitstekende meester, de heer Deuceace.
Bovendien, was de l’Orge wezenlijk verliefd op Lady Griffin, en mijnheer veinsde zijn hartstogt, waardoor hij natuurlijk voordeelen verkreeg, die buiten het bereik van den armen Franschman waren. Hij was ook steeds vrolijk en opgeruimd, terwijl de heer de l’Orge steeds bedeesd en droefgeestig was.
Mijnheer had wel twintig aardigheden gezegd aan Lady Griffin, eer de Franschman gedaan had met in zijn hoed te kijken, haar aan te staren, en zuchten te lozen, die zwaar genoeg waren, om de knoopen van zijn vest te doen afspringen. O liefde, liefde! dit is niet de wijze om eene vrouw te winnen, of ik heet niet Fitzroy-Yellowplush! Ik zelf, toen ik mijn carrière: onder het schoone geslacht begon, was altijd aan het zuchten en steunen, gelijk de ongelukkige Franschman. Wat waren dan ook de gevolgen? De vier eerste vrouwen, die ík aanbad, lachten mij uit, en verlieten mij, om iemand, die opgeruimder was. Met de overige heb ik een geheel ander plan gevolgd – en, onder ons gezegd, met tamelijk veel voorspoed. Maar dit is eigenliefde, die ik van harte verfoei.
Het einde van deze historie is, dat de heer Ferdinand Hyppolite Xavier Stanislaus Chevalier de l’Orge, geheel en al uit het veld werd geslagen door den heer Algernon Percy Deuceace. De arme Ferdinand verliet het huis niet; daartoe had hij het hart niet, en mevrouw wenschte hem ook niet de deur uit te jagen. Hij maakte zich op honderdvoudigewijzen nuttig – hij bezorgde loges in de opera en invitaties naar fransche soirées; hij werd gezonden om handschoenen te koopen en eau de Cologne; hij schreef fransche briefjes voor de dames enz.
Elke engelsche familie, die naar Parijs gaat, raad ik ten stelligste aan, op het minst één jongen man van dezen aard bij zich in huis te nemen. Het doet er niet toe, al is mevrouw nòg zoo oud, hij zal haar het hof maken; op welke boodschappen men hem ook moge uitzenden, hij zal ze op een drafje gaan ten uitvoer brengen.
Bovendien is zoo iemand altijd bedaard, gaat netjes gekleed, en drinkt nooit meer dan een half fleschje wijn aan tafel; hetgeen, volgens mijne inzigten, iets is, dat men wèl in aanmerking mag nemen.
De Chevalier de l’Orge was dan een van die gedienstige menschen, en aan mevrouw in den hoogsten graad nuttig en aangenaam; hij gaf steeds aanleiding tot onderhoud, al was het maar dat men over zijne slechte uitspraak van de engelsche taal lagchte. Het aardigste was echter om hem aan het praten te zetten met de arme jufvrouw Kicksey; zij in het Fransch en hij in het Engelsch.
Mijnheer was, om de waarheid te zeggen, uiterst beleefd jegens dezen jongen Franschman, en hem van zijn post verdreven hebbende, behandelde hij den gevallen vijand met de meeste onderscheiding en eerbied. De arme, bescheidene, demoedige Ferdinand aanbad Mylady als eene godin; en daarom was hij ook, van zijn kant, zeer vriendelijk jegens mijnheer – hij waagde het niet, ijverzuchtig op hem te wezen; nog veel minder waagde hij het, aan Lady Griffin het regt te betwisten, om van minnaar te veranderen. Alzoo had mijnheer twee vogeltjes in zijne strikken en kon hij de weduwe of de wees nemen, naar keuze, „comme bon lui semblait,” gelijk de Franschen zeggen. Het eenige, wat hij te doen had, was, te ontdekken, hoe over het geld beschikt was, dat klaarblijkelijk uitsluitend aan de eene of de andere behoorde; of misschien tusschen beiden verdeeld was. – De ééne der dames was zeker in zijne handen; dat wil zeggen, zoo zeker als het zijn kan op deze ondermaansche wereld, waar niets dan de onzekerheid stellig zeker is.
Er gebeurde nu iets zeer onverwachts, waardoor de berekeningen van mijnheer gestoord werden.
Op zekeren avond, nadat hij de twee dames naar de opera had vergezeld; nadat hij bij haar in de Place Vendôme had gesoupeerd met patrijzen en witte soep en Champagne glacé, reden ik en mijnheer in zijn cabriolet naar huis, in de opgewondendste stemming, die men zich denken kan.
„Karel, vervl.... schelm,” zei hij tot mij, want hij was buitengewoon in zijn schik, „als ik getrouwd ben, dan zal uw loon verdubbeld worden!”
Dit kon hij dan ook doen zonder zich zelven te benadeelen, daar hij mij tot nu toe niets had betaald. Maar wat deed dat er toe? De zaken zouden schoon staan, indien wij bedienden van ons loon moesten leven! Van onze buitenkansjes? ja, dat is wat anders! Ik betuigde hem mijne dankbaarheid zoo goed ik kon; ik verklaarde, dat ik hem niet voor geld diende – dat ik hem even gaarne voor niets zoude willen oppassen, en dat ik nooit – nooit van mijn leven, met mijn eigen zin, zulk een uitstekenden meester zoude willen verlaten. Toen deze twee redevoeringen, de mijne en de zijne, uitgesproken waren, kwamen wij aan het Hôtel Mirabeau aan, hetwelk, gelijk bekend is, niet ver van de Place Vendôme verwijderd is. Wij gingen naar onze kamers; ik voorop met de kaarsen en de mantels; mijnheer een dreuntje van de opera neuriënde, zoo vrolijk als een vogeltje.
Ik deed de deur van ons salon open. Er was reeds licht opgestoken; eene ledige Champagneflesch rolde over den grond, eene andere stond op de tafel, naast welke men de sofa geplaatst had, en op de sofa lag uitgestrekt een lijvige, oude heer, bezig met een sigaar te rooken, juist als of hij zich in een koffijhuis bevond.
Deuceace, die, gelijk ik reeds gezegd heb, sigaren verfoeide, werd woedend op den ouden heer, dien hij door den rook naauwelijks zien kon, en met een groote menigte vloeken, die ik niet herhalen zal, vroeg hij hem: wat hij daar deed?
De rooker hief zich op van de sofa; legde de sigaar op tafel, en proestende van lagchen, riep hij uit:
„Wat, Algernon, jongelief, kent gij mij niet?”
De lezer zal zich misschien een zeer aandoenlijken brief herinneren, dien ik in het voorgaande hoofdstuk van deze gedenkschriften heb medegedeeld, in welken de schrijver vijfhonderd pond ter leen vroeg van den heer Algernon Deuceace, en welke brief onderteekend was met den zeer achtingswaardigen naam van den graaf van Crabs, eigen vader van den heer Deuceace. Het was deze aanzienlijke aristokraat, die nu lagchende en rookende zich in onze kamers bevond.
Lord Crabs was, naar het mij voorkwam, ongeveer zestig jaren oud, een dikke, vette edelman, met een kaal hoofd en eene hoog roode gelaatskleur; zijn neus scheen steeds te blozen over hetgeen zijn mond verslond; zijne hand beefde meer of minder; zijn been was niet zoo gevuld, zijn voet niet zoo vast, als in vroegere dagen. Evenwel hij was een deftig, schoon oud man, en hoewel ik bekennen moet, dat hij half dronken was toen wij in het salon traden, was hij toch niet méér dronken, dan zulks een echten edelman betaamt.
„Wat, Algernon, mijn jongen!” brulde Mylord, naderende, en hem bij de hand vattende, „kent gij uw eigen vader niet meer?”
Mijnheer scheen zich alles behalve gelukkig te gevoelen.
„Mylord,” zeide hij, zeer bleek en eenigzins langzaam sprekende, – „ik moet – bekennen – ik weet niet – het onverwachte genoegen u in Parijs te zien – inderdaad,” voegde hij er bij, een weinig zich herstellende „inderdaad de vervl... tabaksrook belette mij te zien, wie de vreemdeling was, die mij de eer van zulk een verrassend bezoek aandeed.”
„Het rooken is eene slechte gewoonte, Algernon, eene zeer slechte gewoonte,” zeide Mylord eene andere sigaar opstekende – „eene gewoonte, die even walgelijk is als vuil, en welke gij, mijn waarde zoon, zeer wèl doet te vermijden. Op zijn best genomen, lieve Algernon, is het een akelig, lui tijdverdrijf, dat een man even ongeschikt maakt voor inspanning van den geest, als voor fatsoenlijke gezelschappen; men offert er aan op, terzelfder tijd, de vermogens van het verstand en de bekoorlijkheid van het ligchaam. Apropos, men heeft allerellendigsten tabak hier in het hôtel. Kunt gij uw knecht niet zenden, om mij eenige sigaren te halen in het Café de Paris? Geef hem maar een vijf francs stuk, en laat hem dadelijk gaan, beste jongen.” Lord Crabs kreeg hier den hik en ledigde weder een bierglas vol Champagne. Mijnheer trok zijne beurs, met een zeer knorrig gezigt, gaf mij het geld, en beval mij de boodschap te doen.
Wetende, dat het Café de Paris op dàt uur gesloten was, zeide ik geen woord, maar trok met de meeste stilte naar de anti-chambre, waar ik allertoevalligst elk woord van het gesprek tusschen deze twee beminnelijke bloedverwanten vernam.
„Schenk u zelven in, en krijg een andere flesch,” zeide Lord Crabs, na een plegtig stilzwijgen.
Mijn arme meester, de koning van alle kringen in welke hij zich bewoog, scheen hier maar tweede viool te spelen, en ging naar de kast, waaruit zijn vader reeds twee flesschen van zijn Sillery-mousseux gehaald had.
Hij zette den wijn voor zijn vader op tafel, hoestte, proestte, opende het venster, gaapte, streek met de hand over het voorhoofd, en scheen volstrekt niet op zijn gemak te zijn. – Maar het baatte hem niet; de oude bleef stilletjes zitten.
„Bedien u zelven,” zeide hij weder, „en geef dan de flesch aan mij.”
„Dank je wel, vader,” zeide mijnheer, „maar wezenlijk, ik kan noch drinken, noch rooken.”
„Gij hebt weder gelijk, mijn jongen, volmaakt gelijk. – Men prate mij van een goed geweten in dit leven – men heeft meer aan een goede maag. – Geen slechte nachten – geen hoofdpijn – niet waar? Des morgens altijd frisch en bij de hand voor de juridische studiën – niet waar?” En bij deze woorden grijnsde de oude edelman op eene wijze, die den heer Grimaldi [6] eer zoude hebben aangedaan.
Mijnheer zat bleek en op de lippen te bijten, als een arme soldaat, die gegeesseld wordt. Hij gaf geen letter antwoord. Zijn uitmuntende vader ging voort; naarmate hij sprak geraakte hij in vuur, en, bij het einde van elke zinsnede, ledigde hij op nieuw zijn glas.