Chapter 8 of 12 · 3903 words · ~20 min read

Part 8

„Ik twijfel er volstrekt niet aan,” zeide mevrouw, „misschien is ook jufvrouw Matilda Griffin de dame zijner keuze,” en te gelijk vloog zij de kamer uit, de deur achter zich toeslaande en jufvrouw Matilda Griffin in tranen achter latende, om hare liefde en haar leed in het gevoelig hart van jufvrouw Kicksey uit te storten.

ZESDE HOOFDSTUK.

SPIJKERS MET KOPPEN SLAAN.

Den volgenden morgen ging ik met mijnheer weder bij Lady Griffin. – Ik vermaakte mij met de meiden in de anti-chambre, terwijl hij zijne opwachting maakte bij de dames in het salon. De jufvrouw was aan het stemmen van de guitar; Lady Griffin zat voor eene groote lessenaar, vol papieren, bezig met rekeningen, kasboeken, brieven van advokaten, en ik weet niet wat al meer. De drommel ook! het is eene bezigheid, die mij best zoude aanstaan; vooral als ik jaarlijks over zeven of acht duizend pond kon beschikken, gelijk Lady Griffin, die al zulke zaken zelve behandelde. De jufvrouw was veel te sentimenteel, om zich daarmede op te houden. „Lady Griffin heeft brieven uit Londen ontvangen,” zeide de jufvrouw, „van advokaten en dergelijke nare menschen, – kom hier naast mij zitten, ondeugd!”

Mijnheer ging zitten.

„Hoe gaarne kom ik bij u,” zeide hij, „mijne lieve jufvrouw; het is waarachtig, op deze wijze, bijna een tête à tête!”

„Wel,” zeide de jufvrouw (nadat de eerste gekheden afgeloopen waren) „wij hebben een uwer vrienden aan de ambassade ontmoet, mijnheer Deuceace.”

„O, mijn vader, zonder twijfel; hij is een groot vriend van den ambassadeur, en verraste mij ook eergisteren avond met een bezoek!”

„Welk een allerliefst oud man! Ach! wat houdt hij dol veel van u!”

„O, schrikkelijk veel!” zeide mijnheer, den blik ten hemel slaande.

„Hij sprak van niets anders, dan van u, en hij roemde u zóó!”

Mijnheer begon weder vrij te ademen, en zeide:

„Hij is zeer goed voor mij, mijn beste vader; maar verblind, zoo als alle vaders zijn; hij is geweldig met mij ingenomen en aan mij gehecht.”

„Ja, hij sprak van u als van zijn lieveling, en betreurde het, dat gij zijn oudste zoon niet waart: ik kan hem slechts, zeide hij, het deel van een jongeren broeder geven; maar dat doet er niet toe, hij bezit talenten, een edelen naam, en hij heeft zelf een onafhankelijk vermogen.”

„Onafhankelijk? – Ja wel – o ja! ik ben geheel en al onafhankelijk van mijn vader.”

„Twee duizend pond ’s jaars, u door uwe peettante nagelaten, juist zoo als gij ons verteld hadt.”

„Twee duizend pond – juist;” zeide mijnheer met het hoofd knikkende, „genoeg, lieve vriendin, voor iedereen – meer dan genoeg voor een man met mijne matige behoeften.”

„Apropos,” riep Lady Griffin, het gesprek storende, „gij, die daar over geldzaken spreekt, zoudt mij wel eens kunnen helpen. Kom nu ook hier, ondeugd, en help mij met eene lange, lange som.”

Of hij ging! Goede Hemel! Wat glinsterden zijne oogen, toen hij door de kamer vloog en naast Lady Griffin ging zitten!

„Zie eens!” begon zij; „mijne zaakwaarnemers schrijven mij, dat zij zeven duizend twee honderd roepies voor mij hebben ontvangen, tegen twee shillings negen stuivers het roepie. Vertel mij toch, hoeveel dat beloopt in ponden en shillings.” Mijnheer deed dit met de meeste deftigheid.

„Negen honderd en negentien pond? Best, gij zult het wel goed berekend hebben; want waarlijk, ik kan mij de moeite niet geven, om het na te gaan. En nu ontstaat er eene andere vraag: aan wien behoort dat geld: aan Matilda of aan mij? Gij moet weten, dat het de renten zijn van een kapitaal in Indië, dat wij niet noodig hebben aan te raken, en volgens de beschikkingen van het testament van Sir George, weet ik nu waarachtig niet, wat ik met het geld moet doen, als wij het niet dadelijk uitgeven. Matilda, wat moet er mede gedaan worden?”

„Ach, mama, ik wilde wel, dat gij zelve beslistet.”

„Nu dan, Algernon, beslis gij maar!” en zij legde hare hand op de zijne en zag hem verliefd in de oogen.

„O,” zeide hij, „ik weet niet, hoe Sir George over zijn geld beschikt heeft; eer ik aan uw verlangen voldoe, moet gij mij zijn testament laten zien.”

„O, zeer gaarne.”

Mijnheer’s stoel scheen plotseling met veren voorzien te zijn; om te blijven zitten, was hij genoodzaakt, zich vast te houden.

„Ziedaar, ik heb maar een afschrift, dat ik zelve gemaakt heb van het oorspronkelijke van Sir George. Krijgslieden, zoo als gij weet, geven aan advokaten niet veel werks, en dit werd gemaakt den nacht vóór den slag, en zij las: „Ik George Griffin, enz., enz., enz. – gij weet wel, hoe die zaken beginnen – – laat na aan mijne vrienden Thomas Abraham Hicks, kolonel in dienst der Oost-Indische Compagnie, en aan John Monro Mackirkincroft (van de firma Huffle, Mackirkincroft en Dobbs te Calcutta), als mijne executeurs, mijn geheel vermogen, dat zij zoo spoedig doenlijk zullen realiseren (zonder de belangen van de erfgenamen te benadeelen), ten voordeele mijner eenige erfgenamen Leonora Emilia Griffin, geboren Kicksey, en van mijn eenig wettig kind, Matilda Griffin. De renten, komende van dit vermogen, zullen in gelijke deelen tusschen, beiden worden verdeeld; het kapitaal moet echter onaangeroerd blijven, ingeschreven op naam van voormelde T. A. Hicks en J. M. Mackirkincroft, tot na den dood van mijne echtgenoote Leonora Emilia Griffin, wanneer het in handen zal moeten worden gesteld van mijne dochter Matilda Griffin, hare erfgenamen of regtverkrijgenden, of, bij gebreke van deze, aan den naast bestaanden. – Dáár,” eindigde Lady Griffin, „wij zullen er niet meer van lezen; het overige heeft niets te beteekenen. Maar nu, nu gij de geheele zaak kent, zeg ons, wat wij met het geld moeten beginnen?”

„O, het geld moet zonder twijfel tusschen u beiden worden verdeeld.”

„Tant mieux, zeg ik,” antwoordde Mylady, „want ik verbeeldde mij, dat het alles aan Matilda toebehoorde.”

Toen het testament gelezen was, volgde een oogenblik van stilzwijgen. Mijnheer stond op van den lessenaar, waaraan hij naast Lady Griffin gezeten had; hij wandelde gedurende eenigen tijd de kamer op en neder, en naderde de plaats waar jufvrouw Matilda zich bevond. Eindelijk zeide hij, met eene zachte, bevende stem.

„Bijna spijt het mij, dat onze dierbare Lady Griffin het testament heeft voorgelezen; het spijt mij om den wil eener liefde, die de menschen geneigd zullen zijn, baatzuchtig te noemen, omdat zij zoo zeer begunstigd wordt door het tijdelijk geluk – Jufvrouw Griffin – Matilda! Ik weet, dat ik dien naam mag gebruiken, uwe lieve oogen geven mij daartoe de toestemming; ik behoef, noch aan u, noch aan uwe beminnelijke stiefmoeder, te zeggen, hoe lang, hoe vurig ik u aangebeden heb! Beminde, schoonste Matilda, ik wìl niet ontveinzen, dat ik reeds lang in uw hart heb gelezen, en dat ik dáár de vooringenomenheid heb ontdekt, waarmede gij mij vereerd hebt. O, dierbaar meisje, geef woorden aan uwe liefde, van uwe eigene, schoone lippen; laat mij, in tegenwoordigheid van eene teedere moeder, het woord vernemen, dat mij voor eeuwig zal gelukkig maken. Matilda, aangebedene Matilda! zeg, o zeg, dat gij mij bemint!”

Jufvrouw Matilda beefde, zij werd bleek, rolde de oogen, en, mijnheer in de armen vallende, riep zij uit:

„Ja – ik bemin u!”

Lady Griffin zag het paar een oogenblik aan, op de tanden knarsende, met vlammende oogen en kloppend hart, en met een gezigt, dat wit was als krijt; zij was het evenbeeld van madame Pasta in de opera Medea, waar die op het punt is, hare kinderen te vermoorden, en zij vloog uit de kamer zonder een woord te spreken, mij ongelukkige, die toevallig vlak voor de deur stond, omverstootende, en mijnheer alleen latende met zijne gebogchelde beminde.

Ik heb zijne aanspraak aan haar zeer getrouw wedergegeven. Ik maakte er eene ruwe schets van dadelijk na de gebeurtenis, en iedereen kan de copie zien bij den heer Fraser [7]; er staat echter bij abuis in bet afschrift: „Lady Griffin – Matilda!” in plaats van: jufvrouw Griffin – Matilda! enz, gelijk men boven heeft gelezen.

Mijnheer begreep, dat hij dezen keer spijkers met koppen had geslagen; maar zijne lotgevallen waren nog niet ten einde.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE KAT UIT DEN ZAK.

Mijnheer had, nu den spijker op den kop geslagen; het is waar, een krommen spijker, maar een die mooi verguld was, hetgeen Deuceace zeer op prijs stelde; want hij kende de waarde der edele metalen, en verkoos het zuivere goud van de jufvrouw boven het vergulde brons van hare stiefmoeder. Zoo was hij nu, in weêrwil van zijn vader (welken ouden edelman de heer Deuceace nu van ganscher harte uitlachte); in weêrwil van zijne schulden, welke, het is waar, hem nooit zeer gehinderd hadden; in weêrwil van alles, was hij er nu boven op – de toekomstige heer over een kolossaal vermogen, de aanstaande echtgenoot van eene zeer domme vrouw. Wat zou een sterveling meer, kunnen begeeren? Droomen van eerzucht vervulden nu zijn geest. Lusthuizen, loges in de opera, steeds gevulde geldkisten, jagtpaarden te Melton, eene stem in het Gemeentehuis; de Hemel weet wat niet al! Zeker weet het een arme dienstknecht niet, die alleen hetgeen onder zijne oogen gebeurde kan beschrijven, en natuurlijk in het hart en in de gedachten der menschen niet lezen kan.

Het is naauwelijks te gelooven, hoe snel de driehoekige briefjes van jufvrouw Matilda nu op elkander volgden. De jufvrouw had vroeger druk genoeg geschreven, en nu, ’s nachts en ’s middags en ’s morgens; bij het ontbijt, aan tafel, ’s avonds, regende het briefjes, tot dat mijn kamertje (want mijnheer las ze nooit, en ik moest ze altijd weêr weg nemen) onverdragelijk werd van de lucht der parfumeriën, waarmede zij doortrokken waren. Hier volgt de inhoud van drie dezer briefjes, die ik gedurende twintig jaren als zeldzaamheden ín mijn lessenaar heb bewaard. Bah! Ik heb er nog de lucht van onder den neus, terwijl ik ze afschrijf.

Billet-doux.

No. I.

„Maandag, 2 uur ’s morgens.

„Het is de betooverende tijd van den nacht! Luna verlicht mijn vertrek en straalt op mijne kussens, waaraan de slaap ontvlugt is. – Bij het licht van de maan schrijf ik deze regels aan u, mijn Algernon! O, beminde en eeuwig dierbare! heer van mijn lot, wanneer zal de tijd komen, dat, noch de lange nacht, noch de gezegende dag ons scheiden zal? Twaalf – ! een – ! twee – ! Ik heb de uren – ja, de kwartieren hooren spelen, en steeds denk ik aan mijn aanstaanden echtgenoot. Aangebeden Percy, vergeef de kinderachtige bekentenis: – Ik heb den brief op deze plaats gekust! – Zullen ook uwe lippen hem aanraken en voor één oogenblik op de plek rusten, die ook aan de lippen werd gedrukt van uwe

„Matilda?”

Deze was de eerste brief; hij werd ’s morgens om zes uur, door den armen bediende Fitzclarence, aan ons huis gebragt. Ik dacht, dat het om leven of dood te doen was, en riep mijnheer op dat ontijdige uur uit den slaap. Nooit zal ik vergeten, hoe hij was, toen hij het briefje gelezen had. – Hij kneuterde het in elkaâr, en vloekte en raasde, terwijl hij zulke benamingen gaf aan de dame, die het geschreven, aan den heer, die het gebragt had, aan mij, die het overhandigde, dat ik de weêrga van zijne taal nergens dan te Billingsgate [8] heb gehoord. Men moet ook bekennen, dat deze brief, de eerste na het engagement, wat al te krachtige en sentimentele uitdrukkingen bevatte. Maar dat was het eigenaardige van de dame – zij las ook steeds de aandoenlijkste geschiedenissen: Thaddaeus van Warschau; het lijden van den jongen Werther, en dergelijke boeken meer.

Nadat hij ongeveer zes van deze brieven had ontvangen, las mijnheer ze niet meer; maar hij gaf ze aan mij over, om te zien of er iets in stond, waarop hij antwoorden moest, om niet al te onbeleefd te zijn. De volgende brief luidt:

„No. II.

„O mijn beminde! Tot welke razernij wordt men door de hartstogten vervoerd. Sedert uwe bekentenis van gisteren morgen heeft Lady Griffin geen woord gesproken met uwe arme Matilda. Zij heeft ook verklaard, dat zij niemand wil ontvangen – helaas! zelfs u niet, mijn Algernon! en zij heeft zich in hare eigene kamer opgesloten. Ik geloof waarlijk, dat zij ijverzuchtig is en zich verbeeldt, dat gij op háár verliefd waart! Ha! hal – Ik had haar het tegendeel kunnen bewijzen – n’est ce pas? Adieu, adieu, adieu! Duizende millioenen kussen zendt u

„Maandag, 2 uur.”

„M. G.”

Een derde brief kwam vóór den avond, want hoewel ik en mijnheer een bezoek aflegden bij de Griffin’s, wij werden niet binnen gelaten. Mortimer en Fitzclarence grinnikten tegen mij als of zij zeggen wilden: wij worden toch spoedig familie van elkander; maar ik kan niet zeggen, dat mijnheer zeer bedroefd was, dat hij bij het voorwerp zijner liefde niet toegelaten werd.

Dingsdag gebeurde weder hetzelfde; ’s woensdags dito, – maar toen wij aan de deur waren, zagen wij onzen vader, Lord Crabs, vriendelijk met de hand jufvrouw Kicksey groetende, en hoorden hem zeggen, dat hij „om zeven uur, op etenstijd, terug zoude komen.” –

Dit gebeurde terwijl wij op den trap stonden – wij werden evenwel niet ontvangen.

„Nu, nu! dat doet er niets toe,” zeide Lord Crabs, zijn zoon vriendelijk de hand gevende, „wat! twee vogeltjes in het net, Algernon? De mama een weinig ijverzuchtig, de dochter een weinig al te verliefd. Maar de toorn van Lady Griffin zal wel overgaan, en ik beloof u, mijn jongen, dat gij morgen uwe beminde zult zien.”

Met deze woorden ging de graaf van Crabs den trap af, mijnheer vriendelijk en zelfs liefderijk aanziende en zoo hartelijk mogelijk tot hem sprekende. Mijnheer wist niet, wat hij er van denken moest. Hij begreep volstrekt niet, wat zijn oude heer voorhad; maar op de eene of andere wijze vreesde hij, niettegenstaande zijn geluk van den vorigen zondag, dat hij in den strik was geloopen. Ik wist het wel – ik begreep het dadelijk, zoodra ik bemerkte, dat de oude heer hem gade sloeg, met eene soort van glimlach op de lippen, die half duivelsch en half engelachtig was.

Maar de vermoedens van mijnheer werden den volgenden morgen opgehelderd. Onder het ontbijt ontving hij een brief met een tweeden daarin gesloten. Ik geef afschrift van beiden:

No. III.

„Donderdag morgen.

„Aan ons is de overwinning! aan ons! Mama heeft eindelijk moeten toestemmen – niet, dat wij in het huwelijk treden – maar, dat gij gelijk te voren bij ons moogt komen, en zij heeft beloofd het gebeurde te vergeten. Dwaze vrouw! hoe kon zij ooit anders aan u denken, dan als de minnaar van uwe Matilda? Ik ben verrukt, betooverd door vreugde en hartstogtelijke teederheid. Dezen geheelen langen nacht heb ik gewaakt, om aan u, mijn Algernon, te denken, en om te verlangen naar het zalige uur onzer ontmoeting. O kom!

„M. G.”

Het volgende was door Lady Griffin ingesloten:

„Ik zal u niet zeggen, dat ik gisteren niet zeer geschokt werd door uw gedrag. Ik was zoo onverstandig geweest, om aan andere plannen te denken, en mij te verbeelden, dat uw hart (zoo gij een hart hebt) ten minste niet vervuld was met liefde voor iemand, wier zwakheden dikwijls door u, met mij, bespot werden, en wier uiterlijk u zeker niet heeft bekoord.

„Ik kan niet veronderstellen, dat mijne stiefdochter zonder mijne toestemming in het huwelijk zal treden; en die toestemming kan ik nog niet geven. Heb ik geene reden te twijfelen, of het haar geluk zal bevorderen, als zij zich aan u overgeeft?

„Evenwel, zij is meerderjarig en heeft het regt, in haar eigen huis al diegenen te ontvangen, die haar aangenaam zijn – vooral u, die, naar alle waarschijnlijkheid, vroeger of later, in zulk eene naauwe betrekking tot haar zult staan. Indien ik overtuigd word, dat uwe liefde voor jufvrouw Griffin opregt gemeend is, indien ik na verloop van eenige maanden ondervind, dat gij nog verlangt haar tot uwe echtgenoote te maken, mag ik natuurlijk van mijne zijde geene verdere zwarigheden in den weg leggen.

„Het staat u alzoo vrij, om weder naar ons hôtel te komen. Ik kan niet beloven, u op dezelfde wijze als vroeger te ontvangen; gij zoudt mij verachten indien ik het deed. Ik kan evenwel beloven, niet meer te denken aan al hetgeen tusschen ons is gebeurd, en mijn eigen geluk wil ik gaarne opofferen aan dat van de dochter mijns beminden echtgenoots.

„L. E. G.”

Is dit nu niet een opregt, eerlijk schrijven; meer dan wij met regt hadden kunnen verwachten van eene vrouw, die wij, men moet het bekennen, allerschandelijkst hadden behandeld? Mijnheer was ten minste van deze meening, en hield een teedere, eerbiedige aanspraak aan Lady Griffin; schoone woorden zijn goedkoop. Met alle blijken van ernst en droefenis, kuste hij haar de hand, en met eene zachte en ontroerde stem riep hij den hemel tot getuige, dat hij diep betreurde, dat zijn gedrag tot ongelukkige denkbeelden aanleiding had gegeven; maar dat, indien hij haar hoogachting, eerbied, de vurigste en teederste bewondering durfde aanbieden, hij tevens hoopte, dat zij deze van hem wilde aannemen; met veel meer onzin van denzelfden aard, vergezeld van donkere, aandoenlijke blikken, en het herhaalde gebruik van een witten zakdoek.

Hij dacht, dat hij alles in orde had. De arme dwaas! Hij was in den strik geloopen – in den akeligsten strik, die ooit gespannen werd, om een schurk te vangen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET TWEEGEVECHT.

De Chevalier de l’Orge, die jonge Franschman, van wien ik reeds heb gesproken, en die zijne bezoeken veel zeldzamer had gemaakt, sedert mijnheer op zulk een vertrouwelijken voet met Lady Griffin leefde, nam nu weder zijne oude plaats in, aan de zijde der dame; evenwel bestond er geene vriendschap meer tusschen hem en mijnheer, hoewel de Chevalier zijne beminde had weder gekregen en Deuceace zich geheel en al toewijdde aan zijne gebogchelde Dulcinea.

De Chevalier was een klein, bleek, bescheiden, niets beteekenend schepseltje, en, naar zijn uiterlijk te oordeelen, zoude ik niet verondersteld hebben, dat hij het hart zoude hebben, eene vlieg aan te randen, hoe veel minder dan, om het hoofd te bieden aan zulk een vreesselijken tijger en vuureter, als mijnheer.

Na verloop van de eerste week evenwel, begreep ik al, wat hem hinderde. Uit zijne handelingen, uit de wijze waarop hij met mijnheer sprak en hem aanzag, en op zijne lippen beet als mijnheer in de kamer trad, en hem aangluurde, maakte ik weldra op, dat hij den hoogwelgeboren Algernon Percy haatte. Zal ik nu de reden waarom vertellen? Eenvoudig, omdat Lady Griffin hem haatte, meer dan vergif of den duivel – meer zelfs, dan zij hare stiefdochter haatte. Misschien verbeeldt zich de Lezer, dat de brief, dien hij pas gelezen heeft, eerlijk gemeend was; misschien stelt hij zich voor, dat het tooneel van het testamentlezen toevallig plaats had, en uit den geregelden loop der omstandigheden volgde; neen, het was alles komedie geweest, zeg ik, een geregelde strik; en die buitengewoon verstandige jongeling, mijn meester, werd er zoo netjes in gevangen, als ooit een wilddief in eene privative jagt.

De Chevalier liet zich door Lady Griffin leiden. Toen Deuceace zich terug trok, kwam de l’Orge aan hare voeten terug, niets minder verliefd, dan te voren – arme jongen! arme jongen! Hij beminde waarachtig deze vrouw. Hij had even goed een reuzenslang kunnen beminnen! Hij was zoo verblind en overweldigd door de magt welke zij over hem had verkregen, dat, indien zij hem verteld had, dat zwart wit was, hij het geloofd zou hebben, en indien zij hem bevolen had een moord te begaan, hij het zou gedaan hebben – zij verlangde iets van hem, dat niet veel minder dan een moord was.

Ik heb reeds verhaald, hoe, in den eersten tijd hunner kennismaking, mijnheer gewoon was, over het slechte Engelsch van de l’Orge en over zijne wonderlijke manieren te lagchen. Het nietige schepseltje had allerhande zonderlinge gewoonten, en daar hij zoo klein en maar een Franschman was, beschouwde hem mijnheer natuurlijk met die goedaardige, lagchende verachting, welke het steeds de pligt is van een echten Brit, ten opzigte van vreemdelingen aan den dag te leggen. Hij behandelde hem eerder als een gedresseerden aap, dan als een man, en liet hem loopen als of hij een bediende ware.

De Chevalier liet zich dit aanleunen tot na de oneenigheid tusschen Lady Griffin en mijnheer; toen zorgde zij, dat het blad gekeerd werd. Schier altijd, als mijnheer en de jufvrouw niet tegenwoordig waren (zoo als de dienstboden mij vertelden), lachte zij den Chevalier uit, om zijne lage onderdanigheid jegens mijnheer. „Wat haar betrof, zij begreep niet, hoe een man van zijn stand voor knecht wilde spelen; of hoe iemand, wie het ook ware, zulk een beleedigenden overmoed in een ander kon verdragen”; en dan verhaalde zij, hoe Deuceace hem altijd achter den rug uitlachte; hoe, in één woord, hij mijnheer van ganscher harte moest haten, en hoe de tijd gekomen was, om zijn moed te toonen.

Het arme mannetje geloofde dit alles, en was knorrig of goed geluimd, vreedzaam of strijdzuchtig, al naar dat Lady Griffin het verkoos. Er ontstonden veelvuldige oneenigheden tusschen hem en mijnheer; zij zeiden scherpe woorden tot elkander aan tafel; er ontstond twist, wie van beiden de flacon voor de dames zoude halen, of haar in het rijtuig helpen, of wie het eerst de deur in of uit zoude gaan, en diergelijke gekheden meer.

„In ’s Hemels naam!” hoorde ik Mylady eens tot hen zeggen, te midden van een dezer twisten, bleek en ontsteld, met tranen in de oogen – „wees toch bedaard, mijnheer Deuceace, ik smeek u daarom – Monsieur de l’Orge, ik bezweer u, vergeef het hem! Gij zijt beiden zoo geacht, zoo bemind door de leden van dit huisgezin, dat, om aller wil, gij beiden vrienden moest blijven.”

Het was op weg naar de salle-à-manger dat deze oneenigheid, uitgebarsten was, en zij eindigde op het oogenblik, dat men aan tafel ging zitten. Ik zal nooit vergeten, hoe de arme, kleine de l’Orge getroffen was, toen Lady Griffin zeide: „gij beiden zijt zoo bemind”; in het eerste oogenblik staarde hij haar aan, toen werd hij beurtelings bleek en rood, en zag er uit als of hij krankzinnig was; daarop vloog hij naar mijnheer toé en schudde hem de hand, als of hij van plan was, ze af te trekken. Mijnheer maakte eene stijve buiging, grijnsde en keerde zich om met de meeste deftigheid; de jufvrouw verligtte zich het hart door een luid „Ach!” en zag mijnheer aan met eene uitdrukking, als of zij hem uit liefde wilde opeten,

De kleine Chevalier ging voor zijn soepbord zitten, en was zoo zalig, dat hij waarachtig aan het huilen ging! Hij verbeeldde zich, dat de weduwe hem eene declaratie had gedaan, dat zij hem hebben wilde, en Deuceace was van hetzelfde gevoelen; hij keek haar een tijdlang zeer bitter en verachtelijk aan; daarop raakte hij aan het praten met de jufvrouw.

Hoewel nu mijnheer zelf niet verkoos Lady Griffin te trouwen, hetgeen hij wel had kunnen doen, indien het hem behaagd had, dacht hij het regt te hebben, zeer verstoord te zijn over het denkbeeld, dat zij iemand anders zoude willen nemen; en daarom was hij woedend over de bekentenis harer genegenheid aan den armen franschen Chevalier.

Ik heb opgemerkt in den loop mijner ondervinding, dat, indien men een schurk knorrig maakt, hij niet meer een schurk kan blijven; hij geeft zich bloot als hij vertoornd is, en toont, als het ware, den duivelsklaauw, zoodra men hem aanraakt.