Part 2
Toen ik dit zeide, was Jufvrouw Betsy op het punt om eene vigilante te roepen, maar de voerman kon het voor dien prijs niet doen, gelijk hij verzekerde, en ik wist wel dat zij geene vier of vijf shillings had om een rijtuig te betalen. Alzoo te midden van eenen stortregen, om twaalf uur ’s nachts, moesten wij anderhalf uur loopen, van de Westminsterbrug naar Pentonville, en, wat nog als een ongeluk daar bij kwam, bij toeval raakte ik aan het dwalen. Ja, het was al eene heel lieve wandeling, zonder twijfel.
Om half twee uur kwamen wij veilig in de John’s-straat aan. Mijnheer was aan het hek van den tuin. Jufvrouw Mary drukte jufvrouw Betsy aan haar hart, en mijnheer begon te vloeken en te razen omdat ik regts in plaats van links den hoek om was gegaan! Waarachtig, zijne woede en zijn toorn waren even natuurlijk, als die van den eersten held in het stuk. Zij hadden, gelijk hij vertelde, een half uur gewacht, in de vigilante, in de steeg links van den schouwburg; zij hadden op en neêr gereden in den grootst mogelijken angst; en eindelijk waren zij naar huis gereden, omdat zij begrepen dat het te vergeefs was langer te wachten. Zij gaven jufvrouw Betsy warme rhum met water en gestoofde oesters voor dat zij naar bed ging, hetgeen haar eenigzins troostte.
Ik hoop, dat niemand jufvrouw Mary beschuldigen zal van medepligtigheid aan deze gebeurtenis; want zij was het opregtste schepseltje dat ooit leefde, en ik geloof waarachtig, dat zij tot heden van onze kleine list niets weet.
Bovendien staat alles vrij aan de liefde, en mijnheer kon haar anders nooit alleen te spreken krijgen, uit hoofde van hare elf leelijke zusters en hare mama: daarom maakte hij van deze gelegenheid gebruik, om haar zijne liefde te betuigen.
Indien hij haar vroeger beminde, kan men er op aan, dat zij het hem nu vergold. Sedert dien avond in de komedie waren ze zoo teêr voor elkaâr als tortelduifjes – hetgeen zeer natuurlijk verklaart, waarom ik de kamer uitgeschopt werd; en om die reden nam ik dat ook niet kwalijk.
Ik weet niet, of jufvrouw Betsy zich verbeeldde, dat mijnheer op haar verliefd was, maar zij bleef steeds gehecht aan krentebollen met thee, en kwam even druk bij hem, als te voren.
Nu volgt het merkwaardige gedeelte van mijn verhaal.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Maar wie was deze heer met den mooijen naam; – deze mijnheer Frederik Altamont? En wat was hij? Hij was de geheimzinnigste heer, dien ik ooit gekend heb. Eens zeide ik tot hem op een bijzonder regenachtigen dag: „Mijnheer, zal ik de cabriolet maar naar het kantoor brengen?” en hij antwoordde mij met een zijner donkerste blikken en een zijner hardste vloeken, en zeide, dat ik mij met mijne eigene zaken moest bemoeijen en op zijne orders letten. Op een ander maal – op den dag toen jufvrouw Mary aan jufvrouw Betsy de oorvijg had gegeven – deed jufvrouw Mary, die, gelijk ik gezegd heb, hem aanbad, herhaalde vragen over zijne afkomst en opvoeding. „Lieve Frederik,” zeì zij „waarom zoo geheimzinnig omtrent u zelven en uwe bezigheden? Waarom verbergt gij voor uwe kleine Mary” – zoo ver waren zij al gekomen – „uwe geboorte en uw beroep?” Ik veronderstel, dat mijnheer Frederik haar een donkeren blik toewierp, want ik was maar aan het luisteren, en hoorde hem met eene ontroerde stem zeggen:
„Mary,” zei hij, „zoo gij mij bemint, vraag mij dat nooit weêr; het zij u genoeg, te weten, dat ik een eerlijk man ben, en dat een geheim, welks ontsluijering u ongelukkig zoude maken, al mijne handelingen moet bedekken, dat wil zeggen tusschen tien en zes uur.”
Zij gingen voort, op deze aandoenlijke en geheimzinnige wijze met elkaâr te praten, en ik miste geen woord van hetgeen gezegd werd, want de huizen te Pentonville hebben maar muren van stroo, zoodat men buiten de kamer even goed kan hooren, als wanneer men er in is.
Maar hoewel hij, op dien dag, zijn geheim bewaarde, bekende hij haar, zonder omwegen, op nieuw zijne liefde. Niets zoude hem verhinderen, zeide hij, haar naar het altaar te leiden, en tot zijne aangebedene echtgenoote te maken. Daarop volgde een kort stilzwijgen.
„Liefste Frederik,” stamelde toen de jonge jufvrouw, met eene stem als of zij stikte, „ik ben de uwe – eeuwig de uwe!” Het werd weder stil, en dan volgde een geluid als van een kus. Op dit oogenblik achtte ik het geraden, aan het slot van de deur te rammelen, want, zoo waar ik leef, daar kwam de oude mevrouw Shum den trap af.
Het bleek, dat een van de jongere meisjes, die uit het venster van de slaapkamer keek, mijnheer had zien binnenkomen, en toen zij, een half uur later, naar beneden ging, om thee te drinken, het toevallig verteld had.
De oude mevrouw Shum, die een monster van deugd was, stoof den trap af naar beneden, hijgende en brommende, zoo vet en zoo kwaadaardig als een oud varken op etenstijd.
„Waar is je baas, jongen?” riep zij mij toe.
Ik antwoordde zoo hard, dat men mij aan het einde van de straat had kunnen hooren:
„Indien gij mijn meester bedoelt, mevrouw, den weledelen heer Frederik Altamont, die is pas naar huis gekomen; Z. E. is in zijne slaapkamer, om drooge schoenen aan te trekken.”
Zij gaf mij geen antwoord, maar vloog mij voorbij, en de deur van de zitkamer openende, ontdekte zij mijnheer, die eenigzins verlegen scheen, en jufvrouw Mary, die het hoofd liet hangen als eene geknakte lelie.
„Zijt gij in mijn huis gekomen,” begon zij, „om mijne dochters te verleiden, en de onschuld van dat schandelijke schepsel te bevlekken? Zijt gij onder dit dak gekomen als verleider, of als huurder van kamers? Spreek, mijnheer, spreek!” en zij kruiste de armen en zag er even verontwaardigd uit, als mevrouw Siddons in de rol van de Muze van het Treurspel.
„Ik ben hier gekomen, mevrouw Shum, omdat ik uwe dochter beminde; anders zou ik mij nooit verwaardigd hebben, in zulk een ellendig hok te wonen. Ik heb in alle opzigten als fatsoenlijk man jegens haar gehandeld, en op dit oogenblik, mevrouw, is zij even onschuldig, als op het uur harer geboorte. Indien zij mij tot echtgenoot wil aannemen, ben ik gereed; indien zij u wil verlaten, zal zij een tehuis hebben, waar zij noch geplaagd noch uitgehongerd zal worden; waar noch kwaadaardige leelijke zusters zijn, noch zwartgallige stiefmoeders; – maar waar zij een minnend echtgenoot zal vinden en al de onschuldige genoegens van het huwelijk smaken.”
Mary wierp zich in zijne armen. „Lieve, beste Frederik!” zeide zij, „ik zal u nooit, nooit verlaten!”
„Mejufvrouw,” zeide daarop mevrouw Shum, „ik dank den Hemel, dat gij noch eene Slamcoe, noch eene Buckmaster zijt. Wat mij betreft, kunt gij dezen mensch trouwen, zoo uw pa dat verkiest; en uw beminde kan mij beleedigen, mij trotseren, mij in mijn eigen huis vertrappen, als het hem goed dunkt; want er is nie... niemand hier om mij te verdedigen!”
Ik wist wel, wat nu volgen zou. Zij kreeg het natuurlijk weder op de zenuwen, en begon te schreeuwen en te brullen als eene razende.
Het spreekt, dat daarop de elf overige dochters en de oude Shum naar beneden vlogen.
Het was een raar spektakel.
„Ziedaar, mijnheer!” zeide mevrouw, „hoe dat gemeen schepseltje, uwe dochter, zich gedraagt – alleen met dezen mensch – aan het kussen en het vrijen, en de Hemel weet, wat nog meer.”
„Wat – hij?” riep jufvrouw Betsy uit – „hij verliefd op Mary! O, de ellendeling! monster! bedrieger!” En ook zij viel ter aarde, even luid schreeuwende als hare mama; want het onzinnig schepsel verbeeldde zich waarachtig, dat Altamont háár bedoeld had.
„Laat die vrouwen zwijgen!” bulderde Altamont, met donderende stem. „Mijnheer Shum, ik bemin uwe dochter. Ik wil haar zonder een stuiver nemen, en ik kan haar onderhouden. Zoo gij uwe toestemming niet wilt geven, dan neem ik haar zonder die. – Is dat voldoende – mag ik haar tot vrouw hebben?”
„Wij zullen nader over de zaak spreken, mijnheer!” zei de oude Shum, die zoo deftig keek als een burgemeester. „Meisjes, gaat naar boven met uwe lieve mama.”
Zij trokken allen weder den trap op, en hiermede eindigde de slag. Men kan er op aan, dat het den ouden Shum niet zeer ergerde, een man te vinden voor zijne dochter Mary, want de oude vent hield meer van haar, dan van de geheele troep, die mevrouw Buckmaster medegebragt, of hem in het huwelijk geschonken had. Maar vreemd bleef het, dat, toen hij begon te spreken van schikkingen en diergelijke, mijn meester geen woord er van wilde hooren. Hij beweerde, dat hij geregeld alle jaar vier honderd pond verdiende – hoe, verkoos hij niet te zeggen – dat, indien Mary met hem trouwde, zij alles met hem deelen moest, en geene vragen doen; maar hij herhaalde, wat hij reeds had gezegd, dat hij een eerlijk man was.
Zij trouwden dan ook, binnen weinige dagen, en huurden een zeer deftig huis te Islington; maar elken morgen ging mijnheer uit, om zijne zaken te doen, en niemand wist waarheen.
Wie kon hij zijn?
DERDE HOOFDSTUK.
Indien ooit een jong paar uit den middelstand het leven begon met een vooruitzigt op geluk, dan waren het mevrouw en mijnheer Frederik Altamont. Hun huis, in de Cannon-Row te Islington, was zoo gemakkelijk mogelijk ingerigt: van boven tot beneden lagen kleeden op den vloer; de belastingen waren gering; de meubels prachtig, en zij hadden drie dienstboden, onder welke natuurlijk ook ik geteld werd.
Ik had niet meer zulk een gemakkelijk leven, als in de dagen toen de heer Altamont nog ongehuwd was; maar wat deed er dat toe? Ik heb altijd van de drie W’s gehouden: werk genoeg, wijn genoeg, en winst in overvloed,
Altamont hield geen cabriolet meer, maar hij reed elken morgen naar de stad met den omnibus.
Men zou zich verbeelden, dat mevrouw Altamont – met zulk een liefdevollen man zoo gelukkig had moeten zijn, als de koningin zelve, gelijk ik gezegd heb. Er was niets van aan. Gedurende de eerste zes maanden ging alles goed, maar daarop werd zij van dag tot dag droefgeestiger, hoewel Altamont al het mogelijke deed om aan haar te behagen.
De oude Shum kwam geregeld viermaal in de week naar de Cannon-Row, waar hij zijn tweede ontbijt gebruikte, des middags at en thee bleef drinken, en des avonds soupeerde. De arme sukkel hield een weinig te veel van wijn en sterken drank; en meer dan eenmaal heb ik hem naar huis moeten brengen. Men kan zich ook verzekerd houden, dat jufvrouw Betsy hare zuster nu niet verliet; zij was bij ons ’s morgens, ’s middags en ’s avonds; wel niet naar den zin van mijnheer, maar hij was te goedaardig om zijne vrouw over kleinigheden te kwellen.
Maar Betsy had de herinnering van vorige dagen niet uit haren geest gezet, en zij haatte Altamont gelijk den boozen. Zij bragt de arme, onschuldige mevrouw allerhande verkeerdheden in het hoofd, die nu, in plaats van vrolijk en opgeruimd te zijn, droefgeestig, bleek en ellendig werd, als of zij de beklagenswaardigste vrouw der wereld ware geweest. Nog drie maanden en er kwam een kind, dat spreekt, en met het kind kwam ook mevrouw Shum, die aan de zijde van mevrouw Altamont als een vampijr bleef hangen, en haar met elken dag ongelukkiger maakte.
Als Altamont te huis kwam, barstte zijn vrouw in tranen uit; dan zat zij te zuchten en te huilen bij het kind, en zeide: „Kind, kind, uw vader bedriegt mij,” – of „uw vader is een verrader” – of „wat zult gij beginnen, als uwe arme moeder er niet meer is?” en diergelijken aandoenlijken onzin meer.
Dit was alles toe te schrijven aan moeder Shum en hare kunstjes: dat had ik al spoedig ontdekt. De waarheid is, dat als er een geheim van dien aard in een huisgezin bestaat, het de pligt der dienstboden is, het af te luisteren. Dit deed ik dan ook, op zekeren dag toen mevrouw zat te snikken, en de dikke mevrouw Shum bij haar zat, om haar te troosten, gelijk zij het noemde, hoewel de Hemel weet, dat zij door al dat troosten maar erger en erger werd.
Nu dan, ik was aan het luisteren; mevrouw Shum wiegde het kindje, en mevrouw snikte als gewoonlijk.
„Arm, onnoozel wichtje!” zei mevrouw Shum, met een zwaren zucht, „gij zijt het kind van eenen onbekenden vader en van eene ongelukkige moeder!”
„Spreek geen kwaad van Frederik, mama,” zei mevrouw, „hij is de goedheid zelve voor mij.”
„O ja, de goedheid zelve! hij geeft een goed huis en een mooije japon, en gij kunt in eene vigilante uit gaan rijden, wanneer gij verkiest; dat is waar, maar waar haalt hij het geld van daan? Wie is hij – wat is hij? Wie verzekert u, dat hij geen moordenaar, geen dief, geen vervaardiger van valsche banknoten is? Hoe zou hij bij mogelijkheid zijn geld eerlijk kunnen verdienen, daar hij niet zeggen wil, waar hij het krijgt? Waarom verlaat hij u acht uren lang elken dag, zonder u te willen zeggen, waar hij heen gaat? O Mary, Mary! nooit is er eene vrouw geweest, die zoo schandelijk mishandeld wordt als gij!”
En daarop begon mevrouw Shum te snikken, en mejufvrouw Betsy te huilen als eene kat in de klem; en mevrouwlief begon ook te huilen; – tranen zijn zoo aanstekelijk.
„Misschien, mama,” snikte zij, „is Frederik een winkelbediende, en wenscht hij dat ik het niet weet, uit vrees dat ik hem niet meer voor een fatsoenlijk man mogt houden.”
„Een winkelbediende!” schreeuwde Betsy, „hij een winkelbediende! O! neen – neen – neen! – ’t is veel waarschijnlijker, dat hij een verachtelijke moordenaar is, die den geheelen dag aan het doodslaan en het plunderen is, en u onderhoudt met de vruchten van zijne misdadig verkregene winsten!”
En nu begonnen zij op nieuw te huilen en te schreeuwen, en het kindje deed ook mede, waardoor natuurlijk een allerliefst concert ontstond.
„Hij kan geen struikroover zijn,” riep mevrouw uit, „daarvoor is hij te goed, te lief; bovendien gebeuren de moorden altijd ’s nachts, en Frederik komt nooit later dan om acht uur te huis.”
„Maar dat verhindert niet, dat hij een valsche munter kan zijn,” hernam Betsy: „ik zeg u een valsche munter, een schurk. Waarom gaat hij elken dag weg? Natuurlijk om valsche banknoten te maken. Waarom gaat hij altijd naar de City? Om in de nabijheid te zijn van de Bank en diergelijke plaatsen, waar hij dat op zijn gemak kan doen.”
„Maar des avonds brengt hij steeds baar geld naar huis – omstreeks dertig shillings – somtijds vijftig; en dan lacht hij en zegt, dat hij eenen goeden dag heeft gehad. „Dat gelijkt niet op een valschen munter,” zei de arme mevrouw Altamont.
„Ik heb het gevonden! – ik heb het gevonden!” gilde nu mevrouw Shum. „De ellendeling – de geheimzinnige – verraderlijke Jonas! Hij is met iemand anders getrouwd, en daarom verlaat hij u, de bigamist!”
Op deze woorden raakte mevrouw Altamont geheel en al van haar stuk – zij viel flaauw. Het was eene leelijke historie – zij had het op de zenuwen, en mevrouw Shum kreeg het natuurlijk ook op de zenuwen; zij trokken aan de bel, het kind schreeuwde en de dienstboden vlogen den trap op en af, om water te halen.
Ik ken waarachtig niets akeligers, dan een huis waar de menschen aanhoudend flaauw vallen. Ik zou er niet willen dienen, al kon ik er eerste knecht zijn en twee honderd pond ’s jaars verdienen.
Het was om acht uur ’s avonds dat deze verwarring plaats greep, en het was zulk een warboel, dat niemand, behalve ik, mijnheer hoorde te huis komen. Hij trad binnen, en vernam het gekerm en geschreeuw en gehuil. In den beginne schrikte hij zeer en zeide: „Wat is er toch gebeurd?”
„Mevrouw Shum is hier,” zei ik, „en onze mevrouw heeft het op de zenuwen.”
Altamont werd verschrikkelijk kwaad, en gebruikte eene uitdrukking, die ik hier liefst niet wil herhalen – genoeg, indien ik zeg, dat het met bl- begon en op m eindigde; en hij liep den trap op als of hij razend was.
Hij stiet de deur van het slaapvertrek open; mevrouw lag bleek en stijf op de sofa; het kind schreeuwde in de wieg; jufvrouw Betsy was over mevrouw uitgestrekt; en mevrouw Shum half op het bed en half op den grond; allen aan het huilen en schreeuwen, zonder ophouden, net als een hond blaft tegen de maan. Toen Altamont binnen kwam bedaarden moeder en dochter oogenblikkelijk. Zij hadden al verscheidene malen hooge woorden met elkander gehad, en zij vreesden hem als den duivel.
„Wat beteekent dit akelig gehuil en geschreeuw?” vroeg hij.
„O, mijnheer Altamont!” schreeuwde de oude vrouw, „gij weet het maar al te goed; het is uwe schuld, dat dit lieve kind ongelukkig is!”
„Mijne schuld, mevrouw – en hoe dat?”
„Wat, mijnheer, gij durft nog waarom te vragen? Omdat gij haar bedriegt, mijnheer, omdat gij een valsche, lafhartige verrader zijt, mijnheer; omdat gij op eene derde plaats eene andere vrouw hebt, mijnheer!” En de oude mevrouw en jufvrouw Betsy begonnen even hard als te voren te schreeuwen.
Altamont bedacht zich een oogenblik; toen trok hij de deur open; daarop greep hij jufvrouw Betsy en draaide haar de kamer uit, naderde toen mevrouw Shum.
„Sta op,” brulde hij, „gij lage, nietsdeugende, kwaadsprekende, valsche zottin! Sta op en verlaat dit huis! Gij hebt mijn geluk verstoord, sedert het oogenblik dat gij den voet over mijn drempel hebt gezet. Met uwe vervloekte leugens, en romanlectuur, en zenuwachtigheid, hebt gij Mary bedorven, en haar bijna even gek gemaakt, als gij zelve zijt.”
„Mijn kind! mijn kind!” gilde mevrouw Shum en klemde zich aan mevrouw vast.
Maar Altamont plaatste zich tusschen beiden, en de oude dame bij den arm vattende, sleepte hij haar naar de deur. „Volg uwe dochter, mevrouw,” zeide hij, en zij ging naar beneden. „Karel,” riep hij, „wijs deze dames de deur en laat haar nooit weder binnen komen.”
Wij gingen allen met elkaâr den trap af, en zij vertrokken naar huis; mijnheer sloot en grendelde de deur van de slaapkamer, natuurlijk met het voornemen om een tête à tête, gelijk men het noemt, met mevrouw te hebben.
Men begrijpt wel, dat ik, zoo spoedig mogelijk, den trap opsnelde, om den afloop van hun gesprek te hooren. Gelijk men te St. Stephen’s [3] zegt, liepen de debatten nog al hoog.
„Mary,” zeide mijnheer, „gij zijt niet meer het opgeruimde dankbare meisje, dat ik te Pentonville leerde kennen en beminnen; het een of ander geheim drukt u op het hart; gij verwelkomt mij niet meer met een glimlach, gelijk vroeger! Uwe moeder en stiefzuster hebben u bedorven, Mary, en daarom heb ik haar uit mijn huis weggezonden, en zij zullen, zoo lang ik leef, nooit den voet weder over den drempel zetten.”
„O Frederik! gij zijt de oorzaak van mijne droefheid, en niet ik. Waarom hebt gij geheimen voor mij? Waar brengt gij den dag door? Waarom verliet gij mij, zelfs op onzen trouwdag, gedurende acht uren, en waarom doet gij het nog alle dagen?”
„Omdat ik,” zei hij, „den kost daarmede verdien. Ik verlaat u daarom, en ik zeg niet, hoe ik het verdien, want gij zoudt daardoor niet gelukkiger worden.”
Op deze wijze werd het gesprek voortgezet: hoe meer tranen en vragen van mevrouw, des te meer ontevredenheid en stilzwijgen van den kant van mijnheer; het eindigde, voor de eerste maal na hun huwelijk, met ernstige oneenigheid. Het was geheel anders dan al het vrijen en malen, dat hun trouwen voorafging: dat is zeker.
Mijnheer ging uit en sloeg de deur met woede achter zich digt, en hij had gelijk. Hij zeide: „Indien ik geen aangenaam leven kan hebben, dan wil ik ten minste vrolijk zijn,” en hij ging naar de voornaamste herberg van de buurt, en kwam dien avond vreesselijk dronken naar huis. Als hooge woorden in een huisgezin plaats hebben, dan ziet men gewoonlijk, dat mijnheer, op den duur, aan den drank raakt; en dan is het met het huwelijksgeluk gedaan. Deze twee menschen, die elkaâr zoo zeer bemind hadden, waren nu knorrig en stil en vol ontevredenheid. Mijnheer ging vroeger uit en kwam later te huis; mevrouw weende meer en zag er bleeker uit, dan te voren.
De zaken gingen op deze akelige wijze voort, mijnheer steeds in kwaden luim, mevrouw steeds door jaloerschheid en nieuwsgierigheid geplaagd, toen een zonderling toeval de handelingen van den heer Altamont aan het licht bragt. Het was op den tienden Januarij; ik herinner mij zeer goed den dag, want de oude Shum gaf mij een rijksdaalder (het eerste en laatste stuk geld, dat ik ooit van hem kreeg): hij was aan tafel met mijnheer, en zij waren aan het feestvieren met elkaâr. Mijnheer zeide, terwijl hij zijn vijfde glas punch klaar maakte, en de kleine Shum zijn twaalfde glas, of daaromtrent: „Ik zag u heden twee maal in de City, mijnheer Shum.”
„Wel, dat is vreemd,” zei Shum, „ik ben dezen dag in de City geweest; dat is waar. Heden werden de renten van de fondsen, de Hemel zegene ze, betaald, en ik en mevrouw Shum gingen er naar toe, om de helft van onze jaarlijksche inkomsten te halen. Maar wij zijn tegenover de Bank slechts even uit den omnibus gegaan, om ons geld te ontvangen, en zijn er dadelijk weder in gestapt. Hoe is het mogelijk, dat gij mij twee keer kondt zien?”
Altamont stamelde en stotterde, en kuchte en proestte.
„O!” zei hij, „ik ging juist voorbij, toen gij er uit en in kwaamt”; en dadelijk gaf hij eene andere wending aan het gesprek, en begon over staatkunde en het weder en diergelijke gekheden te babbelen.
„Ja wel, manlief?” zeide mevrouw, „maar hoe kwam het toch, dat gij papa tweemaal hebt gezien?”
Mijnheer antwoordde niet, maar rammelde steeds door over de staatkunde. Evenwel hield zij niet op met: „maar waar waart gij toch, mannetje, toen gij pa ontmoettet? Wat deedt gij toch, lieve Frederik, om pa twee keer te zien?” en zoo voort. Mijnheer keek hoe langer hoe knorriger, en zijne vrouw plaagde hem hoe langer hoe meer.
Dit gebeurde, gelijk ik zeide, terwijl de kleine Shum bezig was met zijn twaalfde glas, en ik wist zeer goed, dat hij het niet veel verder kon brengen; want bij het dertiende glas was hij altijd dronken. Het dertiende glas kwam met de gewone gevolgen. Ik was genoodzaakt, hem naar de St. John’s-straat naar huis te brengen, waar ik hem in de armen van de vertoornde mevrouw Shum achterliet.
„Wat weêrga!” stamelde hij herhaaldelijk onderweg, „wat weêrga! hoe is het mo-mo-mogelijk, dat hij mij heden twe-twee maal kon zien?”
VIERDE HOOFDSTUK.
Altamont had zich geweldig vergist, toen hij gezegd had, dat hij den heer Shum had gezien, want den volgenden dag, zoodra mijnheer uitging, verliet ook mevrouw het huis.
Zij vloog de straat uit en hield niet op eer zij haar papa’s huis te Pentonville had bereikt. Gedurende een uur was zij met mama opgesloten, en toen zij deze verliet reed zij regtstreeks naar de City. Zij wandelde voor de Bank, achter de Bank en om de Bank, en kwam ontmoedigd te huis, omdat zij niets had ontdekt.
Het viel nu bijzonder in het oog, dat de volgende tien dagen geregeld togten ondernomen werden van Shums huis naar de City. Mevrouw Shum, hoewel hare waterachtige beenen haar nooit te voren zoo ver hadden gedragen, was gedurig op het qui vive, gelijk de Franschen zeggen. Indien zij zelve er niet heen ging, dan trok jufvrouw Betsy daar naar toe, of mevrouw Altamont; zij schenen iets aantrekkelijks in de Bank te zien, en gingen er even natuurlijk heen als een omnibus.