I.
WAT JO VAN ZICHZELF WIST.
„Corrie! Toe, Corrie, luister eens even!”
En als ooit in een paar blauwe jongensoogen joligheid en ondeugendheid te lezen stonden, dan was dit stellig nu ’t geval met de jongensoogen, waarvan de kleine eigenaar Jo Holmer heette.
Met een twijfelachtige uitdrukking keek Corrie van haar werk op. „Ja, wat is er?” zei ze.
„O, Corrie, ik heb vandaag zoo iets aardigs gehoord, toen ik uit school kwam, iets erg aardigs, heusch.”
„Zoo! Wat was dat dan voor moois?”
„Wel, ergens voor een deur stond een vrouw, en die riep tegen een klein, vuil jongetje, dat in de goot speelde, en ze riep en riep almaar door, en ’t hielp niks, de jongen kwam toch niet; en net toen ik vlak bij hem stond, weet-je wat ik hem toen hoorde zeggen—wat denk-je wel?”
„Ik ben er in ’t geheel niet benieuwd naar. ’t Zal wel iets ondeugends zijn geweest.”
„Nou ja, zie-je—” en Jo hield zijn hoofd een beetje op zij, alsof hij heel ernstig over de zaak nadacht;—„héél erg mooi was ’t nou niet, maar hij zei ’t op zoo’n grappige manier. „Hoe meer je me nou roept, hoe minder of ik kom.” Hij zei ’t niet brutaal, zie-je, maar je kunt je niet begrijpen hoe leuk of dat nou klonk.”
„Neen, dat kan ik me zeker niet begrijpen,” luidde het antwoord van een paar meisjeslippen, die haar uiterste best deden niet te glimlachen. ’t Was niet dat de woorden van den eenen ondeugenden kleinen jongen, aldus herhaald door een anderen ondeugenden kleinen jongen, op zichzelf zoo bijzonder komiek waren, volstrekt niet; maar de manier en de toon waarop ze werden geuit, en ’tgeen er werd bijgevoegd, dat alles te zamen maakte dat Jo’s zuster haar ernst moeilijk volkomen kon bewaren.
Vriend Jo kwam een eind verder de kamer in en bleef vlak voor zijn zuster staan, gebukt, en met een paar niet heel zindelijke handjes op zijn knieën gedrukt. „Corrie—je weet niet hoe komiek je er uitziet, als je bijna lacht en niet wil lachen. Niet alleen je lippen trillen dan, maar ook een klein stukje van den eenen kant van je neus—Kijk—” met een kreet van verrukking—„daar heb-je ’t weer!”
De geplaagde Corrie stond op. „Ik zal je om je ooren slaan, Jo, werkelijk, hoor, als je niet uitscheidt.”
„Toe, doe ’t eens, Corrie! Je hebt al zoo dikwijls gezegd dat je ’t doen zou, en je hebt ’t nog nooit gedaan. Ik zou zoo graag eens probeeren of ik er iets van voelde.”
Juffrouw Corrie Holmer hief haar hand op en sloeg toe. En ze sloeg flink toe ook, te oordeelen naar het geluid dat er op volgde. Maar dat geluid werd niet veroorzaakt door de aanraking van Corrie’s hand met haar broer’s wang. Toen de gevraagde klap viel, had Jo onverwachts een houten „bat” van achter zijn rug voor den dag gehaald, en die als beschutting voor zijn oor gehouden; en in plaats dat hijzelf een kleur kreeg van den klap, zooals ieder allicht zou hebben verwacht, was ’t zijn zuster, op wier wangen zich een blos vertoonde, niet zoozeer van pijn, waarschijnlijk, als van ergernis. ’t Is dan ook allesbehalve pleizierig, als iemand zelf als ’t middel wordt gebruikt om zich belachelijk te maken, vooral als de schuldige geen meer belangrijk personaadje is dan een kleine dreumes van negen jaar.
Corrie zette zich weer neer en boog zich haastig over haar breiwerk. „Ga weg, Jo. Je bent een heel ondeugende jongen, en ik spreek geen woord meer tegen je vóórdat je excuus hebt gevraagd.”
„Hè!” zei Jo, terwijl hij met een nadenkend gezicht op zijn „bat” neerzag. „Dat’s altijd zoo vervelend van meisjes. Ze zijn zoo héél anders als jongens. Toen ik laatst met Fred Mackenzie die grap uithaalde, probeerde hij dadelijk me een andere poets te bakken, en toen was ’t uit; maar als je met meisjes eens een grapje wil hebben, dan is ’t altijd dadelijk een geroep van „vraag me excuus”.”
„Ik zie er niet veel grappigs in, dat je me mijn hand laat zeer slaan op je „bat”,” luidde de eenigszins verontwaardigde tegenwerping. „En wat betreft dat een dreumes, zooals jij, iets zou weten van het onderscheid in karakter tusschen jongens en meisjes—wel, je weet niet eens iets van je eigen karakter tot nog toe.”
„O, zeker wel,” antwoordde Jo dadelijk. „Ik weet bijvoorbeeld van mezelf dat ik ’t afschuwelijk vind om iemand excuus te moeten vragen, of te zeggen dat ik spijt van iets heb. Ik krijg net een gevoel alsof ik een—een—” met een uitdrukking van drift—„een ezel ben, als ik ’t doen moet.”
„Een wat?” riep Corrie uit. „Wat bedoel je toch?”
„O,” klonk ’t op meer kalmen toon—„ik krijg dan zoo’n lust om almaar te gaan schoppen, niet tegen iemand aan, zie-je, maar achteruit, zooals de ezels doen. Almaar door en almaar door, totdat ’t voorbij is.”
Corrie keek op. Op haar aardig, vriendelijk gezichtje was weer een glimlach te voorschijn gekomen.
„Nu, klein ezeltje, als je ’t excuus vragen dan zóó’n leelijk, bitter drankje vindt, dan zal ik je voor dezen keer nog maar van ’t innemen er van vrijstellen. Maar ik vind, dat je toch wel beloven mag dat je me op een anderen keer niet meer zoo’n hard ding zult voorhouden om op te slaan, zeg!”
Jo dacht een oogenblik na.
„Och, zie-je, beloftes die je zoo lang moet houden, langer dan een heelen dag, dat zijn zulke nare dingen. Je moet er zoo vreeselijk lang aan denken. Toe, bedenk liever een belofte, waarmee ik zoo in eens klaar kan zijn.”
Corrie lachte. „’t Is waar, dat zou misschien veiliger wezen. Ik moet eens zien of ik iets bedenken kan, dat je niet zoo lang hoeft te onthouden.”
Maar Jo’s gedachten schenen vlugger te werken dan die van zijn zuster. „Ik ben er al,” klonk zijn uitroep. „Ik zal beloven dat ik nu dadelijk mijn handen heel netjes zal gaan wasschen en mijn haar zal borstelen, dan ben ik klaar om te eten, als jij dan wilt beloven dat je me een stuk van een verhaaltje vertelt, dadelijk als ik weer beneden kom, en de rest na ’t eten, of van avond.”
„Wel, heb ik ooit!” riep Corrie uit. „Is dat nu een manier van—”
Maar ze werd in de rede gevallen door een vertrouwelijk: „’t Is in orde, hoor, ik zie wel dat je ’t doen wilt. Ik ben dadelijk weer terug.”
En toen werd de deur met een ruk geopend, en met een bons weer dichtgeslagen, en vriend Jo rende de trap op, een vroolijk liedje uitgalmende.
Corrie was op een na ’t oudste, en Jo ’t jongste kind van den heer en mevrouw Holmer. Er waren er vier. Willy, de oudste, twintig jaar oud, studeerde te Oxford; Corrie, haar moeder’s rechterhand en een flink, vroolijk, lief meisje, was even achttien. Dan volgde een meisje van veertien, dat in ’t buitenland op kostschool was. En ’t laatst kwam Jo, de kleine, lastige Jo. Want lastig was hij, dat zouden zijn ouders en zijn zusters hebben kunnen vertellen. Hij was tegelijkertijd de vreugde en de plaag van zijn liefhebbende bloedverwanten. Als ge aan Corrie hadt gevraagd of ze hem niet graag kwijt wou zijn, dan zou ze u met een uitdrukking van de grootste verbazing en verontwaardiging hebben aangekeken. Maar als vriend Jo zelf die vraag had gedaan, dan zou ze hoogstwaarschijnlijk hebben geantwoord:
„Of ik je graag kwijt zou willen zijn? Wel natuurlijk, heel graag, hoor! Wie zou zoo’n lastigen jongen niet graag kwijt zijn?”
„Och,” zei Jo, op een dag, toen hij werkelijk zoo’n antwoord had gekregen. „’t Komt er eigenlijk niet zoo erg veel op aan, Cor, wat je er van vindt.”
„Waarom niet?” vroeg Corrie, met een zweem van ongerustheid in haar toon. „Wat bedoel je er mee, dat ’t er niet veel op aan komt wat ik er van vind?”
„Wel,” luidde ’t kalme antwoord, „als jij er heusch niet heel veel om geeft of ik bij je ben, dan geef ik er zóóveel om, om bij jou te zijn, dat er toch niks, niks geen kans is dat je me kunt kwijt raken; dus dat komt toch op ’t zelfde neer, is ’t niet?”
En de stevige omarming, die de vraag vergezelde, werd met een even warme omhelzing beantwoord, terwijl fluisterend de woorden weerklonken:
„Mijn beste kleine dreumes, ik zou je niet willen verkoopen voor een diamant, zoo groot als je eigen krullebol!”