XIII.
EEN BRUILOFT.
„Dr. Walter, hoe lang zal ’t, denkt u, nog duren eer ik zal kunnen dansen?”
Jo deed die vraag heel bedaard, en met ’t ernstigste gezicht van de wereld, maar de dokter keek zijn jeugdigen patiënt verwonderd aan, en hij begon hartelijk te lachen.
„Dansen op je hoofd bedoel-je zeker, jou kleine grappemaker! Nu, ik zou ’t voorloopig maar liever niet probeeren, zeg. Wou-je ’t zoo graag?”
Jo schudde zijn hoofd, en hij antwoordde, heel ernstig:
„Neen, Dr. Walter, zoo iets bedoel ik volstrekt niet. Ik bedoel echt, wezenlijk dansen. Zou u me alsjeblieft eens willen zeggen, wanneer ik dat weer zou kunnen doen?”
Nu de vraag zóó ernstig gedaan werd, hield Dr. Walter op met lachen, en hij zei:
„Ik geloof niet dat je been vóór den herfst veel inspanning zal kunnen verdragen, maar ik hoop dat je tegen Kerstmis weer zult kunnen dansen, zoo vroolijk als iemand. Houd-je zooveel van dansen?”
„O, neen!” zei Jo, en hij trok een heel leelijk gezicht. ’t Was een feit, dat hij een afschuw had van dansen, en van kleine meisjes, die hem een arm moesten geven, en van ’t aantrekken van handschoenen, en van al wat er verder bij behoorde.
De dokter keek hem verwonderd aan.
„Maar waarom wil-je dat dan zoo graag weten, kleine man?”
„O, om een heel gewichtige reden,” luidde ’t zeer plechtige en bedaarde antwoord, „maar, ziet u, Corrie heeft misschien liever niet dat ik ’t vertel. Maar ik bedank u wel, dat u gezegd heeft dat ’t niet vóór Kerstmis zal zijn. U zal toch immers later niet iets anders gaan zeggen, hé?”
„Neen, als jij ten minste je been niet nóg eens breekt, om me van gedachte te doen veranderen,” zei Dr. Walter, glimlachend, terwijl hij zijn hoed opnam en heenging, naar andere patiënten, die misschien minder amusant waren, maar die zich ook minder geneigd voelden raadselachtige vragen te doen.
Weinige uren later lag Jo weer op zijn gemakkelijk plaatsje op de canapé, voor het groote open raam, met dezelfde menschen om hem heen, die hij, ongeveer een week te voren, door zijn opmerkingen zoo in de war had gebracht. ’t Bewuste raadsel was al eenige dagen geleden opgelost geworden, en, al was hij met die oplossing volstrekt niet ingenomen geweest, aan duidelijkheid liet ze niets te wenschen over. De heer Russell had zelf aan zijn toekomstig zwagertje verteld, dat hij nog veel meer van Cor hield dan zelfs Jo ’t deed, en dat Corrie hem nu beloofd had in ’t vervolg voor hem te zullen zorgen, in plaats van voor haar broertje.
„Dan hoop ik,” zei Jo ernstig, „dat u er voor zal oppassen dat u haar niet te veel last geeft, want zelfs een klein beetje kan ze niet goed verdragen. ’t Zorgen voor mij was nu toch niet erg, en dáár werd ze zelfs wel eens moe van, geloof ik.”
Maar die opmerking had hij al een dag of wat geleden gemaakt, en ’t was ook al een dag of wat geleden, dat Jo, in de armen van mama, in de armen van Corrie, en daarna in ’t donker, ’s avonds in zijn bedje, zijn eerste bittere tranen had geschreid, om ’t vooruitzicht dat „die goede Cor” het huis uit zou gaan.
„Kom, kom, beste jongen,” zei Marian, de keukenmeid, op een ochtend, op medelijdenden toon, toen ze, boven komende, zijn bedrukt gezicht zag, „ik zou ’t me maar niet te veel aantrekken, als ik jou was. Wie weet of je later niet eens een aardige, lieve juffrouw Corrie van je zelf zult hebben.”
Maar Jo keek haar aan met een verontwaardigden blik. „Zoo, denk-je dat, Marian? Nu, dan heb-je ’t heelemaal mis, hoor! Want ik heb een hekel aan meisjes!! Ik wou dat ze niet bestonden.”
„Maar, Jo, juffrouw Corrie is toch ook een meisje, of ten minste een jonge dame,” waagde Marian hier tegen in te brengen.
„Cor is Cor,” zei Jo kortaf, en toen keerde hij zijn gezicht naar den muur, en legde zijn hoofd weer op het kussen, vast besloten tegen niemand een woord meer te zeggen, misschien wel zoolang als hij leefde, maar in elk geval niet gedurende ’t eerstvolgende halfuur. En in zoover hield hij zich aan zijn besluit, want hij sliep langer dan dat.
Maar al die dingen behoorden, zooals we gezegd hebben, al tot ’t verledene, toen de heele familie en de heer Russell op dien bewusten morgen bij elkaar voor het open raam van de ontbijtkamer zaten, en Jo zich langzamerhand met den nieuwen staat van zaken eenigszins verzoend begon te voelen.
„In elk geval,” zei hij, van de pauze in ’t algemeene gesprek gebruik makende, en nadat hij een poos in gedachten verdiept had gezeten—„in elk geval zal u nog een heel poosje moeten wachten, menheer Russell, eer u haar kan meenemen.”
Jo sprak met een kalmte en beslistheid, die geen van de toehoorders kon verklaren. Corrie boog zich over hem heen, en fluisterde:
„Wat bedoel-je daarmee, beste Jo?”
Hij richtte zich overeind, en zei hardop: „Wel, natuurlijk moet hij wachten. Je herinnert je toch wel, Corrie, die aardige kindermeid, Anne, die vroeger bij ons was? Nou, die zei dat ’t geen geluk voorspelde, als er iemand trouwde, en er werd niet op de bruiloft gedanst. En ik zal vóór Kerstmis niet kunnen dansen, dat heeft Dr. Walter gezegd. Ik vroeg ’t hem. Dus zoo is ’t nou, begrijp-je.”
Natuurlijk zal niemand verwonderd zijn te hooren dat iedereen ’t begreep, en ’t werd dan ook tusschen Corrie Holmer en haar aanstaanden man afgesproken, dat er aan geen trouwen zou gedacht worden, vóórdat kleine Jo tot dansen althans in staat zou zijn, ’t zij hij van plan was ’t te doen of niet.
En toen ’t tegen Kerstmis liep, was Jo weer zoo gezond en flink geworden, dat er besloten werd hem na de vacantie naar een geschikte kostschool te zenden, die zich heel dicht bij Corrie’s nieuwe woonplaats bevond. Dit laatste droeg er veel toe bij om Jo met de nieuwe plannen te verzoenen; en toen Corrie in de eerste dagen van Januari met den heer Russell trouwde, troostte haar broertje zich, bij ’t afscheid nemen, met de gedachte, dat hij haar spoedig zou weerzien. En nu hij zoo groot en zoo deftig werd, zou die goede Cor hem niet meer telkens „zoo’n lastige jongen” noemen, veronderstelde hij.
’t Is voor Corrie’s rust te hopen, dat hij ’t er naar gemaakt heeft!