XI.
DE LASTIGE JONGEN KRIJGT EEN ONGELUK.
„En wat zal oom tevreden zijn,” mompelde Jo Holmer in zichzelf, „als ik terugloop en hem vertel dat ’t touw al heelemaal in orde is, en dat ze maar kunnen trekken.”
Vriend Jo zat heel in de hoogte tusschen de takken van den reusachtigen ouden kastanjeboom, toen hij dat zei; en hij keek naar boven om te zien hoe ver hij nog gaan moest. ’t Deed hem wel een beetje pleizier te merken, dat hij nog maar een klein eindje hooger behoefde te klimmen om te zijn waar hij wezen moest, want door de vorst waren de takken eenigszins „glibberig,” en ondanks de inspanning van het klimmen, begonnen zijn handen tamelijk verstijfd te worden van de kou. Hij keek naar het touw, dat hij om zijn middel had gewonden, en wenschte er zichzelf geluk mee dat hij ’t niet met een knoop had vastgemaakt, want die zou moeilijk los te maken zijn geweest. En toen strekte hij zijn arm weer uit naar een hoogeren tak, en klom verder.
Maar terwijl Jo bezig was zijn plan te volvoeren om zijn oom een echten, werkelijken dienst te doen, als teeken van dankbaarheid voor al de aan hem bewezen vriendelijkheden, werd door de personen, die zich voor zijn welvaren en goed gedrag verantwoordelijk voelden, de gebruikelijke vraag gedaan, waar hij ergens zitten zou.
Dadelijk na ’t koffiemaal was Juffrouw Holmer weggeroepen naar de ontvangkamer, om het een en ander met de schooljuffrouw te bepraten. De heer Holmer had een wijsgeerig gesprek op touw gezet met den predikant, die met hem naar huis was gegaan om te blijven koffiedrinken, en Jo had die gunstige gelegenheid waargenomen, om weg te loopen en ongehinderd zijn goede plannen te gaan volvoeren.
De gewichtige kwesties betreffende ’t schoolfeest, het onthalen van de kinderen, de versiering van den Kerstboom, enz., waren eindelijk tot een beslissing gekomen, en Corrie keerde nu naar de eetkamer terug. De onvermijdelijke vraag volgde:
„Waar is Jo, oom Johan, weet u ’t ook?”
„Jo, kind-lief?” zei Oom Johan, terwijl hij, op eenigszins afgetrokken manier, in de kamer rondkeek. „Neen, Corrie, ik dacht dat Jo bij jou was. Heb je hem naar hier teruggezonden?”
„Neen, Oom, ik had hem hier gelaten.”
„Uw broertje is uitgegaan, juffrouw,” zei Jane, die toevallig binnenkwam, terwijl ze er over aan ’t praten waren. „Een minuut of tien geleden zag ik hem ’t keukenraam voorbijgaan.”
„Lieve hemel, waar kan hij naar toe zijn gegaan?” zei Corrie, met een extra gevoel van onrust, bij de herinnering aan ’t gesprek van dien morgen over de verschillende uitingen van dankbaarheid. Ze keek zóó bedrukt, dat haar oom opstond, tegelijk met zijn gast, en op bemoedigenden, opgewekten toon zei:
„Kom, kom, beste meid, je kunt niet verwachten dat die kleine deugniet van een broer je altijd als een hondje naloopt. Maar wees maar gerust, ik wandel met Menheer Robinson terug naar het dorp, en ik wed dat we Jo dan wel hier of daar zullen zien in ’t voorbijgaan—op den schommel, of bezig om de konijnen eten te geven. Als ik hem vind, zal ik hem naar binnen zenden voor een brompartij.”
Corrie lachte.
„Dat ’s goed, oom. Ik zal me er voor gereedhouden. Maar zegt u alsjeblieft, als hij dadelijk komt, dat hij dan met me kan meegaan om naar den Kerstboom te kijken.”
„Bij wijze van brompartij zeker?” vroeg de predikant, glimlachend, en toen gingen de beide heeren heen, en Corrie zette zich, geheel gerustgesteld, neer, om een half dozijn kleine poppen aan te kleeden, die nog voor den Kerstboom noodig waren, maar die, door de macht der omstandigheden, zooals Jo zou hebben gezegd, nooit daarin zouden worden opgehangen.
De heer Holmer zag een van de staljongens staan, toen hij den achtertuin doorging, en hij riep hem toe:
„Sam, is mijn neefje kort geleden in den stal geweest om den ezel eten te geven?”
„Neen, menheer,” antwoordde Sam, naderbij tredend. „Ik heb den jongeheer daarstraks zien loopen, met een touw in zijn hand, ’t veld over, den kant van ’t dorp op.”
De heer Holmer stond plotseling stil, terwijl de jongen sprak, en hij wendde zich tot zijn vriend, met zóó’n zonderlinge uitdrukking op ’t gelaat, dat deze van zijn kant hem verschrikt aanstaarde.
„Wat scheelt er aan, Holmer?” vroeg hij, op bezorgden toon. „Voel-je je niet wel?”
„Neen, maar ik ben bang; dat gebeurt me niet dikwijls,” luidde ’t antwoord, hard en koel. „Maar kom, we verliezen hier maar tijd. We kunnen den kleinen waaghals misschien nog wel inhalen, vóórdat hij bij den boom is, als we ons haasten.”
„Den boom?” hijgde de predikant, ademloos, niet omdat hij den angst van zijn vriend eenigszins deelde, want hij wist dien volstrekt niet te verklaren, maar alleen omdat ’t hem moeite kostte diens snellen pas bij te houden.
Maar al had hij nog zoo verstaanbaar gesproken, dan zou hij toch, hoogstwaarschijnlijk, op dat oogenblik geen volkomen duidelijk antwoord hebben gekregen, want de heer Holmer sprak de eenvoudige waarheid, toen hij zei dat hij bang was. Hij had dadelijk begrepen wat dat touw beteekende, en in welke richting er naar zijn neefje moest worden gezocht.
Eindelijk, toen hij den boom in ’t gezicht kreeg, bleef hij even stilstaan, en, zich naar den predikant wendende, zei hij, terwijl hij naar den boom wees, met heesche stem:
„Robinson, je kunt beter in de verte zien dan ik—zeg eens, zie-je ’t kind?”
Eindelijk begreep de predikant zijn bedoeling. Maar hij voelde zich bijna geneigd om den angst van zijn vriend te lachen.
„Of ik het kind zie!” riep hij uit. „Je neefje, bedoel-je immers, Holmer? Wel neen, natuurlijk niet. Je veronderstelt toch niet, dat die kleine jongen ’t zou durven wagen in zóó’n boom te klimmen, vooral met een weer als dit!”
„Hij waagt en durft een heeleboel. Waar had hij anders het touw voor noodig, als om te doen wat ik opperde?”
De beide heeren waren weer voortgegaan, en bevonden zich nu dichter bij den boom. Op eens kwamen twee boerenarbeiders van uit een ander veld naar hen toesnellen.
„Menheer,” riep de een, „daar zit een jongen in dien boom daarginder. Wat hij er doet, begrijp ik niet, want er zijn nu geen vogelnesten om uit te halen; maar als hij geen armen of beenen breekt, is ’t een wonder.”
Er was nu geen twijfel meer mogelijk, en alle vier snelden ze vooruit naar de bewuste plek, juist toen een luid en vroolijk „Hoera! ik heb ’t gedaan!” van uit ’t midden van den boom weerklonk.
’t Volgende oogenblik hoorde men een luid gekraak, een schreeuw, een schuren tusschen de takken, een bons, en vóórdat de vier mannen de plek konden bereiken, lag de arme kleine Jo naast den afgebroken tak op den grond, bleek en bewegingloos, met een gebroken been, een gebroken arm, en een bloedend hoofd.
„Waar zullen we hem heenbrengen, mijnheer?” vroegen de mannen, zich meer tot den predikant richtende dan tot den doodelijk ontstelden bloedverwant, die met een zoo droevige uitdrukking op het bleeke gezichtje van den armen kleinen knaap staarde. Maar de heer Holmer zei snel:
„Waar! Wel, naar huis, natuurlijk.” En toen voegde hij er, op een anderen toon en als tot zichzelf sprekend, bij: „Maar, o! wat zal Corrie zeggen; wat zal Corrie zeggen?”
’t Herhalen van dien naam trok blijkbaar de aandacht van den half bewusteloozen knaap, want op eens openden zich de stijfgesloten blauwe oogen; de bleeke lippen bewogen zich, een zachte kreet deed zich hooren, gevolgd door de smeekend gedane vraag:
„Och! Oom—vertel ’t niet—aan Cor.”
De heer Holmer boog zijn gelaat nog dieper over het kind, terwijl hij op zachten, vriendelijken toon zei: „Waarom niet, beste jongen? Je denkt toch niet dat ze nu boos op je zal zijn?”
Even vertoonde zich een blos op ’t bleeke gezichtje, en Jo riep, met al de kracht waarover hij nog beschikken kon: „Maar oom!! Cor is immers nooit boos! Ik—ik—ben,” hier klonk zijn stem weer heel zwak, „alleen bang—dat—ze ’t zoo naar—zal vinden—die arme—”
Hij kon niet meer spreken; opnieuw verloor hij ’t bewustzijn.
’t Duurde lang, heel lang, dat die kleine, lastige Jo er niet ’t minste besef van had, wie al of niet van zijn ongeluk hoorde en wie er al of niet bedroefd en verdrietig over was. Door Corrie Holmer was al menige bittere traan geschreid, naast ’t ledikantje waarin haar kleine broer lag, met kort afgeknipt haar en een koortsblos op de wangen, vóórdat een heel zwak stemmetje op een ochtend onverwachts vroeg:
„Corrie, waarom zit-je hier?—Heb ik me verslapen?—is ’t tijd om te ontbijten?”
’t Duurde een oogenblik voordat die vragen beantwoord werden, want juffrouw Holmer scheen niet onmiddellijk tot spreken in staat te zijn. Eindelijk zei ze, op gedwongen kalmen toon:
„Ja, beste Jo, ’t is tijd om te ontbijten. Maar je hebt wat hoofdpijn gehad, en daarom vindt mama ’t beter dat je nog een beetje in bed blijft.”
„Dat ’s goed,” zei Jo, half slaperig, en met een zucht van voldoening. „Dan geloof ik dat ik nog maar een beetje ga slapen.”
En vijf minuten later, toen zijn moeder in de kamer kwam, om Corrie naar beneden te zenden voor haar ontbijt, en zelf haar kleinen jongen te verzorgen, vond ze hem rustig slapende. ’t Was de eerste natuurlijke, verkwikkende slaap, dien hij sinds weken had genoten. De crisis was voorbij. De koorts had opgehouden, de gebroken ledematen begonnen goed te genezen, schrammen en builen waren sinds lang verdwenen, en die veelbeminde, lastige kleine jongen, Jo Holmer, had nu niets meer te doen dan zoo gauw als hij maar kon heelemaal beter te worden. En in den tusschentijd beschouwde hij ’t blijkbaar als een uitgemaakte zaak, dat in bed liggen, met een arm en een been in gipsverband, iemand ’t recht verleende onbegrensde eischen te stellen op ’t gebied van verhaaltjes.
Niet alleen Corrie, maar ieder ander, die zijn ledikantje naderde, werd voor dien dienst geprest, totdat eindelijk, op zekeren avond, Marian, de keukenmeid, die de trap op was gekomen, met ’t speciale doel den jeugdigen dwingeland haar hulde te bewijzen, met den verheugden uitroep werd begroet:
„O! Marian, ik ben erg blij dat je gekomen bent. Ik geloof dat Cor een klein beetje suf in haar hoofd is geworden van al ’t vertellen. Ze heeft vandaag niet heel veel kunnen bedenken, ten minste niks aardigs, dus wil je dat kookboek van je maar boven brengen, ik zou dat grappige begin nog wel eens willen hooren.”
„En ik hoop, baasje,” zei de heer Holmer, „als Marian zoo goed wil zijn je uit dat kookboek voor te lezen, dat jij dan nog eens even zult denken aan zekere gesuikerde pastei en flink gezouten koekjes. Kom, Corrie, kind-lief, ga maar mee naar de ontvangkamer, er is daar iemand, die, geloof ik, op je zit te wachten, en die niet, zooals Jo, je verhaaltjes niet aardig genoeg vindt.”
„Wie is dat, Cor?” vroeg Jo, toen zijn zuster zich, met een eenigszins verlegen uitdrukking, over hem heenboog om hem een kus te geven. „Wie zit er op je te wachten?”
„Ik—ik—weet ’t niet, beste jongen,” luidde ’t vrij haastig gegeven antwoord, dat wáár was ook, want juffrouw Holmer wist ’t werkelijk niet; ze had alleen een vermoeden. Tegelijkertijd ontsnapte ze aan de mogelijkheid nog verder ondervraagd te worden, zoo snel als ze kon, en Jo moest zich dus tot Marian wenden:
„Marian, wie is er beneden, weet je ’t soms, bij mama en Oom?”
Marian aarzelde een oogenblik, voordat ze antwoordde, en toen zei ze:
„Menheer Russell is een poosje geleden gekomen, Jo. Maar ik weet niet of hij er nog is.”
„Natuurlijk kan hij er niet meer zijn,” klonk ’t onmiddellijk, op heel beslisten toon. „Als hij gebleven was, zou hij natuurlijk wel boven zijn gekomen, want hij houdt ’t meest van mij, meer dan van iemand anders hier in huis.”
En daar die verzekering vriend Jo volkomen voldeed, had Marian geen lust er iets tegen in te brengen.