Chapter 6 of 13 · 1944 words · ~10 min read

VI.

EEN MOEILIJK OOGENBLIK.

Op een tentoonstelling heeft eens een schilderij gehangen, met den titel die boven dit hoofdstuk staat. Een klein kind, dat in een hoogen stoel zijn boterham zit te eten, ziet zich, tot zijn grooten schrik, op eens belegerd door een ontelbare massa kippen en ganzen en dergelijke indringers. „Een moeilijk oogenblik,” inderdaad!

Maar als de knappe maker van die schilderij een tweede voorbeeld van een moeilijk oogenblik noodig had, dan is ’t jammer dat hij niet op het erf achter het huis van den heer Holmer tegenwoordig was, drie dagen nadat diens neef en petekind, dien hij in een ondoordacht oogenblik te logeeren had gevraagd, bij hem was gekomen.

De heer Holmer was de ontbijtkamer binnengetreden, al brommende en pruttelende over een waterkraan, die niet open wou gaan, en hoewel de daarop gevolgde wanorde en strubbelingen aan zijn anders zoo rustige ontbijttafel hem de zaak voor ’t oogenblik hadden doen vergeten, was dit met zijn neefje niet ’t geval. Lekker eten deed Jo heel graag, maar ’t genot daarvan was niets, vergeleken bij ’t genot dat hij zich voorstelde te zullen smaken, door die kraan eens flink onderhanden te nemen, en de koppigheid er van te overwinnen. Water was een element, waar Jo een bepaalden hartstocht voor had, en al menigmaal had die hartstocht hem in allerlei ongelegenheid gebracht. Ook nu zou dit weer ’t geval zijn.

Van uit de ontbijtkamer ging Corrie Holmer naar de zitkamer, om een halfuurtje aan ’t instudeeren van een zangstukje te besteden, dat haar oom haar den vorigen avond gegeven had; en de heer Holmer zelf ging een bezoek brengen aan zijn stallen.

„En daar zal hij wel een goede poos blijven, zooals altijd,” zei Jo tot zichzelf, terwijl hij heel wijs met zijn hoofd knikte, in antwoord op ’t verzoek van zijn zuster om niet ondeugend te zijn. En dadelijk toen hij haar de zitkamer had hooren binnengaan, vloog hij naar het achtererf, dat ’t tooneel moest worden van zijn overwinning. Hij was vol verlangen zijn oom eens een dienst te bewijzen; maar de ondervinding had hem geleerd, dat de menschen uit zijn omgeving wat al te veel geneigd waren bij dergelijke menschlievende plannen tusschenbeide te komen, als ze die ontdekten vóórdat hij tijd had gehad ze in praktijk te brengen.

„Oom zal heel blij zijn, als hij merkt dat ik die kraan voor hem open heb gekregen, dat ’s natuurlijk,” zoo luidde Jo’s alleenspraak, toen hij er een oogenblik vóór bleef staan, voordat hij met zijn werk begon. „Maar als ik er eerst iets van gezegd had, dan zouden hij of Cor stellig gedacht hebben dat ik me zeer zou doen, of ’t een of ander kapot zou maken, of zoo iets, dat is wel zeker.”

En Jo moest stellig wel gelijk hebben. Trust was in die paar dagen bijzonder goede vrienden met hem geworden, maar zelfs hij kwam, met zijn ketting rammelend, uit zijn hok te voorschijn, en legde zijn grooten, harigen kop tusschen zijn twee voorpooten, terwijl hij met ernstigen blik den kleinen indringer aanstaarde, toen deze met alle macht aan de waterkraan begon te wrikken.

„Hè! wat zit dat ding vast!” zuchtte Jo, nadat hij gedurende een minuut of tien vruchteloos bezig was geweest, en zoo rood zag als een boos kalkoensch haantje.

Hij richtte zich overeind en nam een oogenblik rust, om weer op adem te komen, en terwijl hij wachtte, vóórdat hij zijn werk hervatte, keek hij om zich heen, keek naar Trust, keek naar het klimop op den muur, en ’t zou maar goed zijn geweest als hij niet verder had gekeken. Maar ongelukkig kreeg hij ’t in zijn hoofd ook in een berghok te gaan kijken, dat zich op het erf bevond, en daar zag hij, zooals hij met een juichkreet uitriep, „precies ’t ding dat hij noodig had.”

Op een plank binnen in ’t hok lag een groote, zware oude hamer, en Jo pakte dien met gretige handen op. Toen hij, daarmee gewapend, weer naar buiten trad, drukten de oogen van Trust nog meer bepaalde afkeuring uit dan te voren, en hij uitte zelfs een gedempt gebrom, als wilde hij een soort van waarschuwing doen hooren. Maar zijn metgezel was heelenal doof voor dergelijke wenken.

„Nu zullen we eens zien wie ’t winnen zal, jou oude, koppige kraan, jij of ik,” riep hij uit, met de voldoening van iemand, die zich van zijn overwinning al zeker voelt. Te zeker, want bij slot van rekening bleef de kraan toch overwinnaar in den strijd. Hij liep er naar toe, hief den hamer op, met de bedoeling dien op het handvat van de kraan te doen neerkomen, maar, zooals gezegd is, ’t gereedschap was, zoowel wat omvang als gewicht betrof, bijzonder ongeschikt voor de handen die er op dat oogenblik gebruik van trachtten te maken.

Op echte werkmansmanier werd de hamer omhoog geheven, over zijn schouder, en met inspanning van al zijn kracht kwam die weer omlaag—maar niet tegen het handvatsel.

Bij ’t neerdalen ging de hamer, in de onervaren handen die hem bestuurden, een weinigje op zij, en hij kwam met een slag neer, niet tegen het handvatsel, maar op de pijp zelf.

„O—o—o!!” barstte Jo uit, toen de hamer met een tweeden slag uit zijn verkleumde handen op de steenen viel. Voor de eerste maal in zijn leven was hij ernstig ontsteld over de onmiddellijke uitwerking van iets wat hij had gedaan. Dat de benedenhelft van zijn lichaam al door en door nat was, beteekende niet veel. Maar wat zou zijn oom zeggen, wat zou Cor zeggen, wat zouden zijn vader en moeder zeggen, als ze hoorden wat hij had gedaan? Dat waren de vragen, die hem als een bliksemstraal door ’t hoofd schoten, terwijl het water uit de pijp hem overstroomde.

De hamer had aan het water den vrijen loop bezorgd, dat was zeker, want hij had, met dien ongelukkigen slag, de heele kraan, en een flink stuk looden pijp er bij, weggeslagen, en het water stroomde naar buiten met een kracht, dat ’t wel leek alsof ’t nooit meer te stelpen zou wezen. In zijn wanhopig verlangen om dien verschrikkelijken waterstroom tegen te houden, klemde Jo zijn handen, de een over de ander geslagen, tegen ’t gebroken stuk pijp aan, maar hij had even goed kunnen probeeren den waterstraal met een oud stukje spons tegen te houden. ’t Eenige resultaat dat hij bereikte was, dat de groote straal zich nu in kleinere stralen verdeelde, die naar alle kanten heenspatten, zoodat hij, binnen weinige oogenblikken, van zijn hoofd tot zijn voeten, druipnat was.

Met een gebrom, dat weldra in een droevig gejank over den jammerlijken stand van zaken veranderde, stond de arme oude Trust van de doornatte steenen op en trok zich terug in zijn hok, juist toen Corrie aan de achterdeur verscheen om naar haar broertje te zoeken.

„Maar, Jo,” riep ze verbaasd uit, toen ze de overstrooming zag, „wat ben-je nu toch begonnen?”

„’t Kwam niet door mij, maar door den hamer,” luidde ’t op treurigen toon geuite antwoord. „Kom maar eens kijken.”

En de niets kwaads vermoedende Corrie voldeed, onder den indruk van het oogenblik, aan die uitnoodiging. Ze snelde naar Jo toe, maar liet op haar beurt een heel verschrikt „O—o—o!” hooren, toen ze onverwachts een stortbad over zich heen kreeg. De vloed op den grond had ze getrotseerd als iets dat onvermijdelijk was, maar ze was in ’t minst niet voorbereid op den waterstroom, dien ze op zich kreeg, toen Jo op eens zijn handen wegtrok en, met de kalmte der wanhoop, opmerkte:

„Kijk, Cor, dat heeft die ellendige hamer nu gedaan! En ik denk dat er wel geen stelpen aan zal wezen.”

In de eerste oogenblikken scheen ’t wel alsof Corrie, in haar schrik, die laatste hopelooze veronderstelling volkomen deelde; ze deed werktuigelijk precies hetzelfde wat haar broertje had gedaan, en trachtte den waterstroom met haar handen tegen te houden, natuurlijk met hetzelfde resultaat, dat ze druipnat werd. Maar eindelijk viel haar toch, te midden van haar verwarring en ontsteltenis, één verstandige gedachte in.

„Ga eens iemand roepen, Jo, en vraag of ze zoo gauw als ze kunnen wat tobben en emmers willen brengen. Och, och! wat zal oom toch wel zeggen?”

„Dat is ’t juist waar ik ook over sta te denken,” zei Jo, met een uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij plan maakte zichzelf tot een levenslang in bed blijven en een levenslange water-en-brood straf te veroordeelen.

Intusschen vloog hij heen om aan ’t verzoek van zijn zuster te voldoen, maar in plaats van het huis binnen te gaan aan den kant waar hij er uit gekomen was, liep hij er om heen, om, zoo druipnat als hij was, geen grooter stuk gang vuil te maken dan noodig was. Juist toen hij den hoek van het huis was omgegaan, zag hij een man, en zonder te wachten om te zien wie ’t eigenlijk was, riep hij hem, vol haast en angst, toe:

„Loop alsjeblieft gauw naar ’t achtererf om Corrie te helpen! Haar handen zullen al wel half bevroren zijn, denk ik, net als de mijne.”

„In orde, hoor,” riep een stem terug. Maar die stem behoorde noch aan John, noch aan James, noch aan een van de andere bedienden, waarmee de jeugdige bezoeker tot nog toe had kennisgemaakt. Maar wie ’t dan ook wezen mocht, hij was in elk geval al verdwenen, toen Jo even stil stond en zich omkeerde, om den man, dien hij tot hulp van zijn zuster had afgezonden, wat nauwkeuriger te bekijken. Toen snelde hij voort naar de dienstboden-ingang. Weer zag hij twee mannen daar in de buurt, die samen stonden te praten. Ook nu weer was hij vlugger met zijn woorden dan met zijn oogen.

„Breng een troep emmers naar het achtererf,” gilde hij, „een heelen troep, anders verdrinkt Trust, en—en Corrie misschien ook—en alles.”

In ’t volgende oogenblik, toen hij zich wilde omkeeren, om naar ’t tooneel van het ongeval terug te rennen, werd hij door een van de twee mannen stevig bij zijn schouders gepakt, en merkte hij dat hij zich in de handen bevond van zijn oom. Met zijn druipnatte kleeren, zijn diep verslagen gezichtje, en zijn handen, die blauw zagen van de kou, leverde de arme kleine Jo in dat oogenblik een treurigen aanblik op.

„Of Corrie verdronken is, weet ik niet, maar ’t lijkt me dat jij ’t zeker wel bent,” zei de heer Holmer, op eenigszins strengen toon, hoewel dit voor ’t oogenblik meer ’t gevolg was van schrik dan van boosheid. ’t Volgende oogenblik keerde hij zich om, maakte de deur open, en riep naar binnen:

„Marian, kom eens hier!”

De keukenmeid snelde naar de deur.

„Och, mijn hemel!” riep ze ontsteld uit, toen ze Jo in ’t oog kreeg. „Die arme lieve jongen, hij zal zich nog een ziekte op z’n hals halen!”

„Daar heeft hij in elk geval z’n best voor gedaan,” antwoordde de heer Holmer; „neem hem dus maar gauw mee, en stop hem dadelijk in een warm bed, en verlies den kleinen deugniet geen oogenblik uit ’t gezicht, vóórdat ik je daartoe permissie geef.”

„Maar het eten, menheer!” waagde Marian even, op twijfelachtigen toon, te zeggen.

„Dat moet van zelf maar in orde komen,” luidde ’t antwoord. „James, breng een stuk of wat emmers naar ’t achtererf.”

En na dat bevel gegeven te hebben, begaf de heer Holmer zich haastig zelf daarheen, in de veronderstelling dat zijn ondernemend neefje er in geslaagd was de weerbarstige kraan open te krijgen, en dat de emmers noodig waren om het water op te vangen, totdat het handvatsel weer zou zijn teruggedraaid. Van de uitgebreidheid van de ramp had hij niet ’t minste vermoeden.