Chapter 9 of 13 · 2772 words · ~14 min read

IX.

ONTDEKKING.

’t Gebruik van de middagthee was in ’t rustige buitenhuis van den heer Holmer evengoed een vaste gewoonte geworden, als ’t dit in groote steden tegenwoordig in de meeste huishoudens geworden is. En aan zijn beide jeugdige gasten beviel die gewoonte heel goed. Corrie was een even groote liefhebster van thee, als de meesten van ons zich tegenwoordig verbeelden ’t te zijn; en Jo had ontdekt dat zijn peetoom, gedurende dat rustige middaguur, gewoonlijk in zijn meest opgewekte, gezellige stemming verkeerde, en dan heel dikwijls ’t een of andere prettige plannetje opperde, of iets aardigs te vertellen had. ’t Gebeurde dan ook maar heel zelden dat Jo, tusschen half vijf en zessen, zich niet in de zitkamer vertoonde. Maar op elken regel bestaan uitzonderingen.

Dien dag van ’t broodmaken had Juffrouw Holmer voor haar oom en zichzelf al een paar kopjes thee geschonken, en de heer Holmer was op onrustige manier al van den eenen stoel op den anderen gaan zitten, vóórdat vriend Jo voor den dag kwam. En hij zou zelfs toen niet gekomen zijn, als zijn oom hem geen boodschap gezonden had, om te vragen waar hij toch bleef. Met de benijdenswaardige vergeetachtigheid, aan zijn leeftijd en zijn karakter eigen, had Jo al zijn zorgen en verdriet betreffende de gezouten lekkernijen totaal vergeten, weinige minuten nadat zijn geheimzinnige poging om den ouden tuinman om raad te vragen op niets was uitgeloopen. ’t Mennen van een ezel, ’t helpen met het opladen van hout, en daarna ’t naar huis rijden en ’t weer afladen van den wagen, dat waren nieuwe en heerlijke bezigheden, die weldra alle onaangename tobberijen van vriend Jo op de vlucht joegen. Zelfs aan ’t koffiemaal herinnerde hij zich niet wat hij dien morgen had gedaan, en de gevolgen daarvan, want zijn oom gaf hem, toen hij naar binnen kwam loopen, permissie zoo gauw mogelijk voort te maken, en dan weer naar buiten te gaan om John te helpen met ’t opladen van een vrachtje brandhout, dat aan een arme, oude vrouw moest worden gebracht, die een eind buiten ’t dorp woonde. Jo had geen tijd gehad om aan iets anders te denken als aan ’t prettige werkje dat hem wachtte.

„Ziezoo, jongeheer,” zei John, toen ze tegen ’t donker eindelijk terugkeerden. „Je hebt me vandaag uitstekend geholpen, dat moet ik zeggen. Ik hoop dat de thee goed zal smaken.”

„Eten en drinken smaakt me altijd goed,” luidde ’t rondborstige antwoord. „Maar wat je me van middag hebt laten doen, vond ik toch nog veel prettiger. Toe, bedenk tegen morgen weer eens zoo iets. Dag, John!”

En toen rende Jo het huis in, waar Corrie hem beetpakte en hem met opgetrokken wenkbrauwen aanstaarde. „Maar, jongen, wat zie-je er uit!” riep ze.

„Dat wil ik wel gelooven, Cor,” luidde ’t antwoord, „je hadt ook eens moeten zien wat ik gedaan heb. ’t Was heerlijk! Ik zal aan John vragen of jij morgen ook eens mee mag helpen met hout laden; hij is erg goedhartig, dus ik denk wel dat hij ’t zal willen hebben, al zegt hij ook wel eens dat hij ’t gescharrel van vrouwen om hem heen maar lastig vindt.”

„Zoo, zegt John dat?” zei Corrie lachend. „Nu, denk er om, kereltje, dat jij van ’t gescharrel van één vrouw om je heen veel last zou krijgen, als je niet zoo gauw als je kunt naar boven gaat om je flink op te knappen, vóórdat oom je in ’t oog krijgt. Ik heb andere kleeren voor je klaargelegd, en een schoone kraag. Allo, vlug, kleine baas!”

Een kwartier later, toen Jo de trap afkwam, deed ’t zien van een schotel kleine, lichtbruine, smakelijk uitziende koekjes, waarmee Jane, de meid, op weg was naar de zitkamer, hem zóó hevig ontstellen, dat hij plotseling stilstond en, na een paar seconden, weer terugrende naar zijn eigen kamer, waar hij bleef totdat Jane hem, uit naam van den heer Holmer, kwam roepen.

„En ik zou me maar wat haasten, Jo, als ik jou was,” voegde ’t goedhartige meisje er bij, „want die koekjes van juffrouw Corrie zien er uit, neen maar—”

„Afschuwelijk!” schreeuwde Jo, terwijl hij Jane met zóó’n vaart voorbij stoof, dat ze er werkelijk van schrikte.

De heer Holmer keek zijn jeugdigen gast aan toen deze binnenkwam; en de ernstige uitdrukking van zijn gezicht en de ongewoon langzame, bedaarde manier waarop hij naderde, wekten bij zijn oom eenige ongerustheid op.

„Zeg eens, baasje, wat scheelt er aan?” zei hij. „Ik heb gehoord dat je vandaag den heelen dag zoo prachtig hebt opgepast, dat ik daar juist een brief aan je mama heb geschreven om te vragen of je tot na Donderdag mag blijven, zoodat je ’t schoolfeest nog kan bijwonen. Maar als je ziek gaat worden, of verdrietig, zie-je, dan pak ik je zoo gauw mogelijk in en ik zend je weg.”

Jo naderde de theetafel, terwijl hij een haastigen blik wierp, eerst op de schaal met koekjes, en daarna op ’t schoteltje van zijn oom. „Ik ga niet ziek worden, Oom, ten minste dat geloof ik niet, en ik ben niet bepaald verdrietig, maar ik heb iets heel ernstigs in mijn hoofd om over te denken, en John kon me niet helpen, zei hij. Ik wou dat hij ’t gedaan had.”

De heer Holmer lachte. „Zoo, tot welk soort van kattekwaad heb-je John willen overhalen, vertel me dat eens?”

„O! ’t was niet John die ’t doen moest,” zei Jo snel. „Ik vroeg alleen maar hoe hij over iets dacht, en hij zei dat hij geloofde dat hij er niks geen licht in kon zien, en ik kon ’t ook niet.”

„Zou ik ’t misschien kunnen?” vroeg de heer Holmer, zonder recht te weten of hij zou lachen of ernstig kijken. Zijn neefje keek in elk geval ernstig genoeg, terwijl hij antwoordde:

„Ja—o—ik denk dat u ’t wel zou kunnen. Maar u zou dan, denk ik, alles er van willen weten, ziet u; en ik had gedacht dat John me zonder dat wel een beetje had kunnen helpen.”

„Och, jou dwaze kleine Jo,” viel Corrie lachend in, toen ’t raadselachtige gesprek zoover was gevorderd. „Wat voor wonderlijke, gewichtige dingen heb-je toch in je hoofd? Zou je, voordat je verder gaat, mijn koekjes niet eens proeven? Oom heeft bedankt, en nu wou ik graag eens weten hoe ze jou smaken.”

Al pratende trok ze hem mee naar een stoel, dicht bij ’t vuur, want hij was zoo lang boven in de kou gebleven, dat hij er bepaald verkleumd uitzag. Maar hij openbaarde niet veel neiging om de bewuste koekjes te proeven, en de heer Holmer legde zijn boek neer, en begon zich extra veel moeite te geven om zijn neefje weer vroolijk te doen kijken. Eindelijk slaagde hij daarin, maar nog altijd bleef een half afgebeten koekje onaangeroerd op Jo’s schoteltje liggen. De heer Holmer begreep er niets van, en Corrie vond ’t ook vreemd, al was ’t waar dat er op haar schoteltje ook een klein bruin voorwerp lag, waar ze niet naar omkeek.

Verscheiden malen staarde ze haar broertje met wijdgeopende oogen aan, terwijl deze naar de vertelsels van zijn oom luisterde, en dan wierp ze weer een blik op de schaal met koekjes; maar telkens schudde ze ontkennend ’t hoofd, in antwoord op haar eigen gedachten. ’t Was totaal onmogelijk, dat hij ze kon hebben aangeraakt. Hij was bijna voortdurend in ’t kookboek verdiept geweest, terwijl zij ze klaarmaakte, en ze was geen minuut uit de keuken geweest, van ’t oogenblik af dat zij er mee begon, totdat ze uit den oven waren gehaald.

„Oom,” begon ze eindelijk, op bedrukten toon, „als ik weer eens iets voor u klaarmaak, mag ik dan versche boter gebruiken?”

„Ja zeker, kind-lief,” zei de heer Holmer, op de afgetrokken manier, die bij hem gewoonte was als hij over andere dingen dacht. Op dat oogenblik voelde hij zich niet gerust omtrent zijn neefje. Zijn schoonzuster had hem dringend verzocht op te passen dat de jongen niet ziek werd; en toch, ondanks alle goede zorgen, was de oom bang dat zijn kleine gast op de een of andere manier van streek was geraakt. Hij wendde zich weer van Corrie af, en zei:

„Jo, mijn jongen, je vordert niet met je koekjes. Hoe komt dat zoo? Wat heeft Corrie er mee uitgevoerd?”

„O!—’t is—’t is niet bepaald de schuld van Corrie,” stamelde Jo, terwijl hij moedig de versmade snoeperij oppakte en zich gereedmaakte er in te happen.

Maar juffrouw Holmer nam ’t hem uit de hand en zei haastig:

„Neen, oom, ’t is mijn schuld niet, maar hij kan ze bepaald niet eten. Ze zijn zoo zout als iets. ’t Komt alleen omdat er vatboter voor gebruikt zal zijn; dat is goed voor vleeschgerechten, en zulke dingen, maar voor taarten en andere zoetigheden is ’t afschuwelijk. Die heele verzameling koekjes is er door bedorven.”

Corrie keek erg verdrietig en ontstemd, gedeeltelijk omdat ze wist dat haar moeder haar zou hebben gezegd dat ze de boter had moeten proeven, vóórdat ze die gebruikte, als ze eenigszins aan de kwaliteit twijfelde. De heer Holmer was ontstemd omdat zijn nichtje ’t was, en omdat Jo ’t zonder de beloofde lekkernijen moest stellen.

Toen Corrie had uitgesproken, stond hij haastig op en zei:

„Kind-lief, je vertelt me bepaald iets nieuws. Ik had er volstrekt geen idée van, dat Marian ooit kocht wat jij vatboter noemt, en ik ben in de hoogste mate verbaasd dat ze je iets anders als de beste materialen geeft, als je zoo vriendelijk bent iets te willen klaarmaken. Ik zal—”

„Bellen en er haar naar vragen,” wilde de heer Holmer zeggen, maar Jo viel haastig in:

„En Corrie heeft ook ’t beste van alles gehad, Oom, om in die koekjes te doen. Geconfijte oranjeschillen, u weet niet hoe lekker ze er uit zagen; en die smaken zelfs zout, dat weet ik, want ik heb er een stukje uitgehaald om te probeeren. Maar al heb-je nu ook alles van de beste soort, dan kan zout toch niet als suiker smaken, en, ziet u, ik heb—”

Maar hier werd aan Jo’s mededeelingen een plotseling einde gemaakt door ’t binnentreden van Jane, die aan den heer des huizes meedeelde dat in de ontvangkamer een vreemde bezoeker op hem wachtte; en op het meegegeven kaartje las de heer Holmer den naam van een kennis van hem, een vrij gewichtig en voornaam man, zoodat de behandelde keuken-aangelegenheden totaal vergeten werden, en de heer Holmer zich, gedurende een oogenblik, uitsluitend met de vraag bezighield, of het menu van dien middag geschikt zou zijn om Dr. Barton, die nogal een fijnproever was, zonder bezwaar aan tafel te ontvangen. Na zijn gast even te hebben verwelkomd, liet hij dezen weldra aan de zorg van Corrie over, en ging naar beneden om wijn uit te zetten, en tevens met Marian de kwestie van ’t middagmaal eens te bepraten. Haar meening was gelukkig zeer bemoedigend.

„We hebben van middag ook nog die wildpastei, mijnheer. En natuurlijk, ze kan tegenvallen, maar dat ze er prachtig uitziet, is zeker. En dan hebben we den geslagen room van Juffrouw Corrie, ziet u, en die kleine geraspte broodjes, die altijd heel goed staan op een tafel, niet waar, en—”

„En die vandaag puik-puik lekker zullen zijn, dat weet ik zeker,” viel Jo in, die ook het deftige gezelschap in de ontvangkamer was ontvlucht, en die er nu weer heel opgewekt uitzag. Al waren de koekjes dan ook bedorven geworden, hiervan voelde Jo zich in elk geval zeker, dat de broodjes heel lekker zouden smaken.

„Kostelijk!” dacht hij in stilte, toen hij zijn plaats aan tafel innam, en met een blik vol welgevallen naar de schaal met kleine, bruine broodjes keek.

Maar de glimlach op Jo’s gezicht zou, helaas, al heel spoedig worden verjaagd. De soep werd gediend, een smakelijke, krachtige soep, die Marian alle eer aandeed. Dr. Barton proefde er van, en blijkbaar voelde hij zich zeer voldaan. Toen nam hij een stuk van zijn broodje, maar bijna op ’t zelfde oogenblik riep hij, op scherpen toon:

„Een stuk gewoon brood, alsjeblieft.”

De woorden waren nauwelijks gesproken of hij bedacht zich, en wendde zich lachend en met een verontschuldigend gebaar tot zijn gastheer.

„Neem me toch niet kwalijk, Holmer! Je maakt dat ik me hier zoo thuis voel, dat ik waarlijk een oogenblik vergat dat ik niet aan mijn gewone tafel zit in Oxford.”

Natuurlijk nam de heer Holmer de verontschuldiging dadelijk aan, maar juffrouw Holmer keek heel bevreemd op, en dat deed Jo van zijn kant ook. Die jongeheer waagde zelfs zijn gevoelens half fluisterend te uiten:

„Stel je voor, dat iemand méér van gewoon brood houdt dan van die lekkere dingen!”

Dr. Barton verstond die woorden van zijn jeugdigen overbuurman en lachte.

„Ja, vriendje, ik kan me voorstellen dat je je over mijn smaak verwondert. Op jou leeftijd hield ik ook meer van gesuikerde broodjes dan van gewoon brood.”

De heer Holmer keek zijn vriend eenigszins verwonderd aan. Hij had zelf de broodjes nog niet geproefd. Corrie brak nu een stukje af van het hare, terwijl een lichte blos van ergernis haar naar ’t hoofd steeg, omdat de voorname gast ze zoo versmaadde.

Een gedempte uitroep ontsnapte haar, terwijl zij ’t stukje brood in den mond stak, en snel wierp ze een blik op haar broer.

„O, Jo, nu weet ik ’t wel zeker dat jij er mee bezig bent geweest, en met die koekjes ook.”

„Nu, dit is ten minste iets goeds geweest, dat kan je toch niet anders zeggen,” fluisterde Jo, op triomfantelijken toon, terug.

Maar ’t was er nu de tijd niet voor om hem te antwoorden. Dr. Barton had zich weer tot Corrie gewend, en ze moest aan haar verplichtingen als tijdelijke gastvrouw denken. Ze wierp een haastigen blik naar de plaats waar haar oom zat, en merkte, tot haar groot genoegen, dat hij te zeer verdiept was in ’t gesprek, om er iets van te zien hoe ook zijn broodje voor gewoon brood werd verruild, op een teeken dat ze aan Jane had gegeven. Ze troostte zich dus met de gedachte, dat Jo’s bemoeizieke vingertjes bij slot van rekening toch nog niet zoo’n heel groot kwaad hadden aangericht. Maar hoe hij kans had gezien zich met de dingen te bemoeien, was haar bepaald een raadsel, want ’t was haar door ’t hoofd gegaan dat ze door haar oom even was weggeroepen.

Met groote voldoening en veel smaak at Jo zijn heele broodje op. Toen kwam de wildpastei aan de beurt.

Wildpastei was een lievelingsgerecht van den heer Holmer, en Marian, die dit wist, deed altijd haar uiterste best om dat speciale gerecht geheel naar den eisch klaar te maken. Ook Dr. Barton was er zeer op gesteld, en ’t was al meer dan eens gebeurd dat hij, onder ’t gastvrije dak van zijn vriend, daarvan had genoten. Er vertoonde zich dan ook een welbehagelijke glimlach op zijn gelaat toen de pastei op tafel verscheen.

’t Gerecht werd gesneden, rondgediend, en men begon er van te eten, en toen—legde Dr. Barton zijn mes en vork neer, terwijl zijn gezicht een zonderlinge uitdrukking aannam. Corrie en haar oom staarden hem beiden verschrikt aan.

„Barton, beste kerel, ben-je ziek?” riep de heer Holmer uit.

„Ziek! Neen,” antwoordde Dr. Barton, met een gedwongen lachje; „maar je weet, Holmer, ik ben een man van den ouden stempel—behoudend in alles—en dat zoet-gemaakte goed hier is—neem ’t een ouden vriend niet kwalijk dat hij ’t ronduit zegt—totaal verknoeid.”

De heer Holmer staarde zijn vriend nog even in groote verbazing aan, toen gebruikte hij haastig zelf wat van ’t gerecht, en zei:

„Probeer maar niet iets van dat afschuwelijke goed te eten, Barton. Hoe hebben ze me zóó’n poets durven bakken!”

Hij sprong op, en zonder één woord te zeggen tegen Jane, die ’t gezelschap bediende, stoof hij naar de bel. Maar iemand anders was hem nog voor. Een klein, gebruind handje deed een greep naar zijn groote hand, en een tamelijk benauwd stemmetje zei:

„Toe, wacht even, Oom. ’t Is alles mijn schuld. Daardoor is die narigheid nu allemaal gekomen, van den room, en de pastei, en de koekjes, en John zei dat hij me niet helpen kon, als de boel al heelemaal in de war was. En ’t was heusch niet om u of Cor te plagen, dat ik ’t zout en de suiker heb verruild—maar alleen om ’t brood lekker te maken. En nu ga ik naar bed—en—en—” met een hoorbaren snik—„ik heb ’t u nu allemaal verteld—en ik zal morgen den heelen dag in bed blijven, en nog langer, als u dat wil. Maar wees u alsjeblieft daarna niet meer boos op me.”