XII.
JO MAAKT ZICH VERDIENSTELIJK.
’t Was in de allereerste dagen van April. Zacht, liefelijk, helder, heerlijk weer—kortom, juist ’t soort van weer, om iemand er toe te brengen allerlei bijvoegelijke naamwoorden ter eere er van opeen te stapelen. Juist ’t soort van weer, om hoopvolle menschen met een opgewekten glimlach tegen elkaar te doen zeggen:
„Wat een prachtigen zomer zullen we hebben!”
„Hoor eens, Oom,” begon Jo Holmer, „’t is toch eigenlijk nog zoo kwaad niet geweest, dat ik mijn arm en mijn been heb gebroken, want, ziet u, u zou er anders nooit over gedacht hebben Corrie en mij zoo lang hier te houden.”
De jeugdige patiënt lag, door kussens gesteund, op een canapé vlak, voor een groot, openslaand raam, dat uitzicht gaf op een ruim grasveld, waarin kleine bloemperken waren aangelegd, vol frissche crocussen, madeliefjes en hyacinthen.
Niet ver van die canapé zaten de vader en moeder van Jo, zijn oom, de heer Holmer, Corrie natuurlijk, en de heer Russell. ’t Heele gezelschap had gedurende eenige oogenblikken gezwegen, toen Jo aan de kalmte en stilte op eens een einde maakte door zijn, op heel beslisten toon, geuite opmerking. Na een oogenblik gewacht te hebben, voegde hij er bij:
„Is ’t wel, Oom? Zou u wel?”
De heer Holmer lachte.
„Nu, als ik je op een of andere manier hier had moeten houden, dan zou ik toch liever een gezonden logé hebben gehad.”
Jo schudde, met een heel wijs gezicht, zijn hoofd.
„Ja, Oom, ik geloof wel dat u dat denkt. Maar u zou ’t nooit hebben uitgehouden, ziet u. Dat heeft Marian, de keukenmeid, me gezegd. Ze zei vroeger eens, vóórdat ik gevallen ben, tegen me, dat u, als ik nog een week langer bleef, zóó mager zou zijn geworden van al ’t getob met me, zóó mager—ze zei dat u al zoo afgevallen was, sinds ik hier logeerde, en ze zei—”
„Houd nu je mondje maar eens, kleine babbelkous,” zei zijn moeder, lachend, terwijl ze haar hand op zijn mond legde. „Je mag al die vertrouwelijke mededeelingen van Marian zoo maar niet verklappen. Vertel ons liever eens waarom je ’t zoo’n speciaal goed ding vindt, dat je oom je zoo lang hier heeft moeten houden.”
„O! mama, dat is heel makkelijk te vertellen,” antwoordde hij dadelijk. „’s Winters vind ik ’t nu niet zoo’n vreeselijk prettig buiten hier, om op te wonen, behalve, ziet u, wat de ezels betreft, die zijn erg aardig, en de varkens ook. Maar nu ik ’t in de lente gezien heb, nu weet ik dat ’t hier erg mooi is. En dan is er, natuurlijk, nog die andere reden.”
„Is die evengoed als de eerste, kleine baas?” vroeg de heer Holmer lachend. „Kom, laten we ze eens hooren.”
„Dat ’s goed,” zei Jo kalm. „En die reden is eigenlijk nog beter dan de andere, omdat ze mezelf niet aangaat. Als ik niet uit dien boom was gevallen, dan zouden Corrie en Menheer Russell niet zoo dikwijls te zamen bij me hebben gezeten, en ik weet zeker dat ze ’t allebei heel plezierig—O!”
Wel mocht Jo „o!” zeggen, want ’t spreken werd hem dezen keer onmogelijk gemaakt door een plotseling naar boven duwen van zijn kin, waardoor hij zich in zijn tong beet, terwijl Corrie, werkelijk boos, met verontwaardigde blikken en hoogroode wangen, op gedempten toon zei:
„Hoe durf je, Jo? Hoe durf je zulke dingen zeggen!”
En toen werd Jo’s kin losgelaten, en weer uitte hij een benauwd „o!” terwijl Corrie van haar stoel opsprong, en door de openstaande glazen deur naar buiten liep, waar ze dadelijk om den hoek van het huis verdween.
’t Volgende oogenblik was ook de heer Russell opgesprongen, en, blijkbaar aangemoedigd door de lachend geuite opmerking van den heer Holmer:—„Ik zou je maar raden je wat te haasten, Frank, als je die vluchteling nog wilt inhalen”—vloog ook hij naar buiten en verdween om den hoek van het huis.
Sprakeloos van verbazing staarde Jo een oogenblik den tuin in. Toen hief hij zich op zijn elleboog op en keek zijn moeder aan, om op haar gezicht eenige opheldering van de zaak te lezen. Maar ’t gezicht van Mevrouw Holmer leverde voor haar jeugdig zoontje op dat oogenblik al een even groot raadsel op als al het overige. Hij had er nooit zoo’n zonderlinge uitdrukking op gezien. Ze keek volstrekt niet verdrietig, en toch stonden er tranen in haar oogen. ’t Was wonderlijk, heel wonderlijk! Voor kleinen Jo was de zaak in elk geval een ondoorgrondelijk raadsel.
„Wat mankeeren ze toch allemaal?” mompelde hij zacht in zichzelf. Toen keek hij naar zijn vader en zijn oom, die, hoewel ze allebei glimlachten, toch ook op een eenigszins zonderlinge manier elkaar stonden aan te kijken.
Jo raakte een beetje uit zijn humeur door al dat raadselachtige om hem heen.
„Oom Johan,” zei hij eindelijk, op een toon van verwijt, „dat is nu toch geen goede manier om een jongen van z’n hoofdpijn af te helpen, als al de menschen om hem heen een gezicht zetten, alsof iemand hun een massa raadseltjes heeft opgegeven, waar ze ’t antwoord niet van willen vertellen.”
Bij die beschuldiging begon de heer Holmer nog meer te lachen.
„Jij bent ’t zelf, kleine baas, die ’t raadsel hebt opgegeven, en Menheer Russell is nu gaan probeeren of je zuster ’t antwoord er op zou willen vertellen. Hij heeft ’t al eenige malen geprobeerd, geloof ik, maar ik heb zoo’n idée dat jij hem een heeleboel hebt geholpen, om ’t antwoord eindelijk te krijgen.”
„Welk antwoord, Oom?”
„Ja! Dat moet je Corrie zelf maar eens vragen, als ze terugkomt,” zei Oom Johan. „Ik kan ’t alleen maar gissen, en ik denk dat ze je liever ’t ware van de zaak zelf zou vertellen, dan dat ik ’t bederf, door je te zeggen wat ik er van denk.”
En toen, alsof ze ’t hadden afgesproken, stonden alle drie de groote menschen tegelijk op, en gingen te zamen naar een andere kamer. Jo werd alleen gelaten, om voor de raadsels, die zich voordeden, in stilte en eenzaamheid een oplossing te vinden.
De kwestie, die al zijn huisgenooten tegelijkertijd bezighield, was blijkbaar vrij gewichtig, want hij werd gedurende ruim een uur heelenal aan zijn lot overgelaten, een verwaarloozing, waar in de laatste drie maanden nooit van gehoord was geworden. Toch voelde Jo er zich niet door gekrenkt; ’t kon hem volstrekt niet schelen, bij deze speciale gelegenheid, hij had ’t veel te druk met ’t oplossen van zijn raadsel.
Om zijn gedachten een beetje te hulp te komen, maakte hij eindelijk van een potlood en een vel papier gebruik, en schreef, met een vrij beverig krabbelhandje:
„De narigeit begon zoo, ik zei dat ik zeker wist dat Cor en meneer Russell ’t erg plesieriger vonden om samen bij me te zitten, en daar begon de narigeit. Ik denk haas dat meneer Russell ’t alleen maar plesierig vond, en dat Cor ’t maar dee omdat ze niet stout wou zijn, en mama weet dat zeker, en die is blij omdat Cor zoo aardig is gewees. En nou is meneer Russell bang dat hij niet mag blijve eete omdat Cor boos is, en—”
„O!” luidde op eens zijn blijde uitroep, en hij liet het potlood vallen, toen zich een schaduw vertoonde tusschen hem en het licht. Daar stond Corrie zelf op den drempel.
„Hè, je kijkt nu in ’t geheel niet meer boos, gelukkig,” zei Jo, op een toon vol voldoening, nadat hij haar eerst met de noodige opmerkzaamheid had aangekeken. „Wil-je dit alsjeblieft nu eens lezen, Corrie, en me vertellen of ik goed geraden heb?”
Corrie nam ’t bekrabbelde papier aan en las, heel langzaam en met eenige moeite, wat hij geschreven had, en toen Jo daarna nog eens met aandrang zei: „Nou, Corrie?” toen liet ze zich op haar knieën vallen naast de canapé, en sloeg haar armen om den hals van haar broertje.
„Had ik gelijk, Cor?” vroeg Jo nog eens.
„Niet heelemaal, lieveling,” fluisterde ze hem in, terwijl ze haar hoofd op zijn schouder verborg.
„Hé!” zei Jo, op een toon van groote teleurstelling, en toen voegde hij er, met een zweem van onrust, bij: „Maar je bent toch in ’t geheel niet meer boos op me, hé, Cor?”
Met een nog warmer omhelzing dan te voren, en een hartelijken kus, werd die vraag in ’t eerst beantwoord, en toen volgde er: „Neen, in ’t geheel niet, mijn lieve Jo, heusch, in ’t geheel niet. Ik ben daarstraks óók niet boos, echt boos op je geweest, ik vond ’t alleen—maar—niet prettig. Want, zie je, beste Jo, je was toch heusch wel een vreeselijk lastige jongen, om zulke dingen zoo maar te zeggen.”
Jo trok zijn gezicht een eind terug, om zijn zuster met een heel ernstigen, onderzoekenden blik te kunnen aanzien.
„Maar je weet toch wel, Cor, toen ik dat allemaal zei, dat ik toen heusch dacht dat ’t waar was.”
„En dat was ’t ook, lieveling. Je hadt gelijk.”
„O, dat doet me plezier!” zei Jo. En toen legde hij gelaten zijn hoofd weer op ’t canapékussen en viel in slaap. Allerlei merkwaardige oplossingen van de „narigeit” kwamen hem in zijn droomen voor den geest, maar met de ware oplossing hadden ze geen van alle iets te maken. Cor was zijn Cor; en de mogelijkheid kwam niet in hem op, dat iemand ’t zou durven wagen hem van zijn eigendom te berooven.