VIII.
EEN VERRASSING.
Bij Oom Holmer was ’t de gewoonte het brood in huis te bakken. De heer des huizes had een vooroordeel tegen ander brood, en dat vooroordeel was bepaald een van zijn stokpaardjes. Toen zijn nichtje als klein meisje voor ’t eerst bij hem kwam logeeren, had hij zijn keukenmeid op ’t hart gedrukt haar vooral in te wijden in de geheimen van ’t broodbakken, en bij elk volgend bezoek had ze daaraan meegedaan, om haar kennis er van niet te vergeten.
„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?” vroeg de heer Holmer, op een morgen aan ’t ontbijt, toen ’t logeeren van zijn nicht en neefje op ’t eind begon te loopen. Sinds het voorval met de gebroken kraan voelde hij altijd een zekere mate van belangstelling in de plannen die voor dien dag werden gemaakt, al wist hij ook bij ondervinding, dat op de uitvoering van die plannen nooit zoo heel vast kon worden gerekend, daar zijn jeugdige neef en naamgenoot nog al geneigd was een of andere variatie in ’t programma te brengen. Maar toch gaf ’t hem een zekere gerustheid als hij eenigszins op de hoogte werd gebracht, en dus had hij, sinds de bewuste overstrooming van het achtererf, de gewoonte aangenomen elken morgen te vragen, zooals hij nu deed:
„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?”
Corrie keek hem glimlachend aan.
„Ik ben van plan me van ochtend verdienstelijk te maken, Oom, want ik ga brood bakken. En dan zal ik, als Marian er ten minste niets tegen heeft, wat geslagen room voor u klaarmaken, of een blanc-manger.”
„Alsjeblieft geslagen room, hoor, Corrie,” zei de heer Holmer, met een goedkeurenden blik. „Dat is een tractatie, die ik alleen krijg als jij ze voor me klaar maakt. Maar als je van plan bent zoo in de keuken bezig te zijn, wat moet er dan in den tusschentijd van dezen jeugdigen uitvinder van kattekwaad worden?”
„Ik ga ook mee naar de keuken, om te kijken,” antwoordde vriend Jo dadelijk.
„Zóó!” luidde ’t eenigzins twijfelachtige antwoord. „’t Zal me benieuwen, baasje, hoe lang die bezigheid van toekijken je bevallen zal.”
Jo hield zijn hoofd weer op zij, op papegaaien-manier, zooals altijd als hij over iets nadacht.
„Wel, Oom, ik denk net zoolang totdat Corrie ’t brood in den oven heeft gezet.”
„En de geslagen room heeft klaar gemaakt?”
„Neen, zóólang niet, want ik ben er niks benieuwd naar hoe geslagen room gemaakt wordt. Mannen, die in woeste bosschen of in mijnen leven, zullen wel nooit geslagen room eten, denk ik.”
„Neen, dat denk ik ook niet,” zei de heer Holmer droogjes. „Maar zou je ons niet eens even een verklaring willen geven, jongeheer, van ’t geen je vertelt? Wat heb jij daarmee te maken, met den smaak van mannen die in woeste bosschen en in mijnen leven, zeg?”
„Wel, héél veel, Oom Johan,” luidde ’t bedaarde antwoord. „U herinnert u dat boek wel, dat u me verleden week heeft gegeven? Nu, als ik groot ben, dan wou ik worden net als de mannen in dat boek, dan wou ik in een woest bosch gaan wonen, of goud-delver worden, of zoo iets. Ziet u, dáárom wou ik leeren hoe je brood moet bakken; die mannen kenden ’t niet, en toen werden ze ziek omdat ze allerlei ongaar goed aten. Als Corrie ’t erg graag wil, mag ze later met me meegaan, en dan moet zij natuurlijk alles koken en zoo. Maar ik ben wel een beetje bang dat papa en mama ’t niet goed zullen vinden.”
„Dat ik het eten klaar maak voor de expeditie, bedoel-je?” vroeg Corrie, die moeite had haar gezicht in een ernstige plooi te houden.
„Neen, Corrie, dat niet; als je meegaat, zullen ze ’t, denk ik, heel goed vinden dat je ons wat helpt. Maar, natuurlijk, ’t zal wel een beetje eenzaam voor hen zijn zonder mij, en dus—”
„En dus—en dus, baasje,” viel de heer Holmer lachend in, „zal ik je, als je niet oppast, eens helpen aan die gelukkige eenzaamheid, door je op te pakken en je in een waschtobbe te laten verhuizen naar die mijnen daarginder, aan den overkant van den vijver.”
„Mij niet er bij, alsjeblieft, Oom,” zei Corrie vroolijk, terwijl ze haar stoel achteruit schoof, „want als dat de manier van reizen is van de expeditie, dan zou ik maar liever papa en mama in hun eenzaamheid gezelschap blijven houden.”
„Och, als je twee of drie waschtobben aan elkaar bondt, en je hadt wat zeilen en roeispanen, dan zou ’t haast net zoo goed zijn als een schip,” zei haar broer, half tegen zichzelf, op nadenkenden toon, terwijl ook hij zijn stoel achteruitschoof en zich gereed maakte met zijn zuster naar de keuken te gaan.
Een kwartier later stond Juffrouw Corrie, met een groote huishoudschort voor en morsmouwen aan, voor de keukentafel, waarop zich de verschillende artikelen bevonden, die ze voor haar werk noodig had. Alles stond daar bij de hand, met uitzondering van de witte suiker, die voor de geslagen room was bestemd. Deze was in een grijs steenen pot weggezet op de aanrechtbank, uit vrees voor vergissingen, omdat het zout, dat voor ’t brood noodig was, zich in zoo’n zelfden grijs steenen pot bevond, en ’t dus volstrekt niet onmogelijk was zich in die twee te vergissen. Maar nu de suiker veilig was weggezet, kon daar geen sprake meer van zijn.
Juist wilde Corrie aan ’t gewichtige broodmaken beginnen, toen de stalknecht haastig binnenkwam, om haar de boodschap over te brengen dat zijn heer al in ’t rijtuig zat, maar dat deze haar graag nog even iets zou willen zeggen vóórdat hij naar de stad reed.
Snel wierp de jonge dame een half onrustigen blik op ’t gereed liggende meel en op haar broertje, terwijl ze haastig vroeg: „Ga-je ook niet even mee, Jo?” en toen snelde ze heen om aan ’t verzoek van haar oom te voldoen. Aan háár uitnoodiging werd door Jo evenwel niet voldaan. Hij gaf er op dat oogenblik verre de voorkeur aan te blijven waar hij was; en hij vond dat dat wegroepen van zijn zuster al op een buitengewoon geschikt oogenblik was gebeurd.
Waarom de menschen toch zout in ’t brood deden, als ze ’t in hun macht hadden er suiker in te doen; dat was iets dat hij maar niet kon begrijpen.
„’t Is niets anders, wed ik,” mompelde hij in zichzelf, op nadenkenden toon, „als een van die dingen, die, zooals papa dikwijls zegt, alleen uit gewoonte worden gedaan, en ik geloof dat meisjes en vrouwen dat nooit goed kunnen begrijpen. Ik wed dat die goede Cor er niet van zou willen hooren, suiker in haar brood te doen in plaats van zout, maar ik vind ’t vreeselijk aardig dat ik dat nou net eens doen kan. En wat zal Oom ’t een tractatie vinden!”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Fluks zette hij den suikerpot op de plaats waar de zoutpot had gestaan, en van den inhoud van eerstgenoemden strooide hij zoowat de helft over het meel, dat in de groote kom gereed lag, waarna hij met een houten lepel, die er in stond, ’t geheel even omroerde. En nadat die menschlievende arbeid ter wille van ’t genoegen en plezier van de heele familie was afgeloopen, nam Jo een oud kookboek terhand, met de bedoeling daaruit nog wat wetenswaardigs op te doen, dat hem misschien later in zijn bosschen kon te pas komen. Hij had zich juist, met ’t boek op zijn knieën, neergezet, toen Marian, de keukenmeid, uit de achterkeuken kwam, om eens naar haar jeugdige gasten te kijken, en tegelijk het zout even te leenen, dat ze voor ’t een of ander, dat ze daar klaarmaakte, noodig had.
„Ben-je hier zoo alleen, beste jongen?” zei ze verwonderd. „Waar is je zuster? Heeft ze ’t broodbakken voor de verandering eens aan jou overgelaten?”
„Neen, ik wou dat ’t waar was,” luidde ’t besliste antwoord. „Ze is alleen maar even weggegaan omdat Oom haar wou spreken. Ze zal wel dadelijk terugkomen.”
„En weet-je soms ook of Juffrouw Corrie klaar was met ’t zout, vóórdat ze heenging?” vroeg Marian verder, terwijl ze den pot met suiker opnam van de plaats waar Corrie, even van te voren, in haar bijzijn het zout had neergezet.
„Ik—ik—neen—ja—ik weet ’t niet,” stamelde Jo, terwijl hij zijn gezicht weer haastig over zijn boek heenboog, met zooveel schijnbare belangstelling, dat de goede Marian over zijn schouder keek om te zien wat hij toch zoo ijverig zat te bestudeeren. Ze had niet verwacht dat Jo’s verlangen om van ’t brood maken op de hoogte te komen, van heel langen duur zou wezen, en toen ze zag dat hij aan de inleiding van ’t kookboek bezig was, dat heel aardig en in den vorm van een verhaaltje was geschreven, begreep ze de oorzaak van zijn afgetrokkenheid volkomen. Ze had zelf menigmaal om die inleiding gelachen.
Er stond een glimlach op haar goedhartig gezicht te lezen, toen ze de suiker meenam en daarmee een wildpastei, die voor ’t middagmaal was bestemd, overvloedig besprenkelde. En die glimlach was nog aanwezig, toen ze den pot terugbracht, op ’t zelfde oogenblik dat Corrie in de keuken terugkeerde, en, half lachend half angstig, uitriep:
„Zoo, kleine Jo, hoeveel ondeugends heb-je, in dien tijd dat ik weg ben geweest, wel uitgevoerd, zeg? Laat me ’t eens hooren.”
Jo hief zijn oogen op van ’t kookboek.
„Ik dacht er over om poppetjes te maken van de gist, Cor, maar ik heb ’t niet gedaan.”
„Neen, hij heeft nu toch zoo goed opgepast als ’t maar wezen kan,” zei de niets kwaads vermoedende Marian, en, terwijl ze den suikerpot weer op tafel zette, voegde ze er bij:
„Ik heb u niet van al ’t zout beroofd, Juffrouw Corrie, maar ik wou mijn pastei graag gauw klaar hebben, daarom heb ik voor ’t gemak hier maar een beetje van genomen.”
„Een flink beetje,” dacht Corrie, met eenige verbazing, toen haar scherpe blik de groote vermindering, die de inhoud van ’t zoutvat had ondergaan, opmerkte. Genoeg zout om wel een vijftig wildpasteien te kruiden was verdwenen. Enfin, ’t ging haar niet aan, en ze stond er dan ook nauwlijks één oogenblik bij stil, toen zij, op haar beurt, een theelepeltje zout over het meel sprenkelde, en eindelijk met het maken van ’t flink gesuikerde brood begon. Toen alles in den oven was gezet, wilde Jo de keuken uitgaan, maar Corrie zei:
„Hoor eens, Jo, ik zou nog een oogenblikje wachten als ik jou was, anders weet-je nog niet half wat je weten moet voor ’t leven in je bosschen. Ik ga nu wat koekjes maken voor bij de thee, en ’t is bepaald noodig dat je ook weet hoe dat gebeuren moet, zeg.”
Jo, die al bij de deur was, keerde zich om en keek haar verwonderd aan.
„Waarom denk-je dat, Cor?”
„Waarom! Wel, omdat ik gezien heb in dat boek, dat in de laatste dagen hier overal in huis lag te slingeren, dat de held, Jim Slapdash—”
„Cor!” klonk ’t op verontwaardigden toon, „je weet niet eens zijn naam. ’t Is Dashwood. Maar wat zou dat met hem? Hij bakte toch geen koekjes, wel?”
„Ja zeker. In dat hoofdstuk, waar dat gevecht in voorkomt met de inboorlingen, herinner-je je niet hoe Dashwood daar zijn bevenden gevangene troost met een groote snee koek? En hoe zou hij op zoo’n oogenblik aan koek zijn gekomen, als hij ’t niet had gebakken?”
Hoewel de schrijver van ’t boek omtrent dat punt ongelukkig het stilzwijgen had bewaard, scheen Corrie’s redeneering toch afdoende genoeg, om Jo te bewegen naar zijn plaats naast de keukentafel terug te keeren. Weinig vermoedde hij aan welk een vuurproef hij zou worden onderworpen.
„Hè, Cor, wat zal dat lekker worden!” riep hij, terwijl hij er naar keek hoe eerst een opgestapeld bord vol glinsterende rozijnen in het beslag werd gedaan, en daarna een flinke hoeveelheid gesuikerde oranjeschillen. „Ik geloof niet dat Jim Dashwood zooveel rozijnen en oranjeschillen in zijn koek zal hebben gedaan, zou ’t wel?”
„Neen, misschien niet. Mogelijk deed hij er alleen maar suiker in. Dat ’s waar, ’t is goed dat ik daar nog net aan denk. Door ’t praten met jou zou ik bijna vergeten er suiker in te doen.”
Dit zeggende, keerde Corrie zich om, ging naar de aanrechtbank, en nam, tot Jo’s grooten schrik, den pot op dien hij had verwisseld. Suiker in ’t brood, in plaats van zout, zou een heerlijke variatie zijn, daarvan voelde hij zich overtuigd; maar zout, in plaats van suiker, in koekjes, kon niet anders als afschuwelijk wezen.
„Cor,” begon hij haastig, „ik geloof niet dat er suiker in die koekjes noodig is. Denk-je niet dat ze zóó zoet genoeg zullen zijn, met al die rozijnen en gesuikerde oranjeschillen?”
Corrie lachte. „Wat, zonder suiker!” riep ze uit. „Stel je eens voor! En oom Johan en jij, die allebei zooveel van zoetigheid houden! Neen, hoor Jo, ik wil mijn reputatie omtrent zulke dingen niet bederven, door de suiker te sparen, als ik iets lekkers voor jou of oom klaarmaak.”
En al pratende nam ze den pot op, en zoowat één half pond zout ging het beslag in. Een klein beetje werd nog achter gehouden voor de geslagen room. Maar Jo bleef niet wachten om naar ’t klaarmaken daarvan te kijken. Hij had genoeg gehad, en meer dan genoeg, van de keuken en de kook- en bakaangelegenheden, nu hij zag hoe zijn zuster, zonder aan iets kwaads te denken, haar koekjes bedierf; en hij uitte een zucht, half van verdriet, half van verlichting, toen John, de tuinman, aan de deur verscheen, en, zijn pet aanrakende, vroeg of de jongeheer soms lust had een ritje te maken in den ezelwagen, om hout te halen uit ’t bosch.
„John,” begon Jo op eens, „ik wou je iets vragen.”
Jo zat op ’t bankje in den wagen, die door vriend langoor bedaard en langzaam werd voortgetrokken. John, de tuinman, liep er naast, en hij had zich al eens verwonderd afgevraagd wat den kleinen jongeheer toch schelen zou, omdat hij zoo ongewoon stil was. Hij toonde dan ook aanstonds zijn bereidwilligheid om naar de vraag van zijn kleinen metgezel te luisteren.
„Is ’t iets over die konijnen, waarvan menheer zei dat je ze mee naar huis mocht nemen, jongeheer?”
„Wel neen, John,” luidde ’t half ongeduldige antwoord. „Ik wou wel eens weten, John, als je iets hadt gedaan met de bedoeling om een pretje er van te maken, en een gedeelte er van liep heelemaal in de war, wat zou je dan doen?”
„Wel, jongeheer, ik zou mijn best doen om den boel weer in orde te krijgen.”
„Ja maar, als er nu niks meer aan te doen was, als je den boel niet meer in orde kon krijgen, wat dan?”
Nu werd ’t vraagstuk John wat al te moeilijk, dus hij gaf ’t maar op.