VII.
CORRIE IN VERLEGENHEID.
„In orde, hoor,” antwoordde de heldere, flinke stem van den eersten den besten persoon, tot wien Jo Holmer ’t verzoek richtte zijn zuster te gaan helpen. En als de eigenaar van die stem zei „In orde,” dan meende hij dat ook, en dan nam hij in den regel de meest vlugge en practische maatregelen, om datgene, wat ’t ook was, waar zijn hulp bij gevraagd werd, in orde te krijgen.
Jo zou onmogelijk een betere keus met zijn verzoek hebben kunnen doen, al had hij uit een paar duizend menschen te kiezen gehad. En toch is ’t óók waar, dat, als Juffrouw Corrie de zaak in handen had gehad, ze stellig en zeker nog liever tweemaal zoo nat en koud zou zijn geweest als ze nu was, dan te moeten ondervinden dat die onverwachts opgeroepen vreemdeling haar te hulp kwam, terwijl ze daar op ’t met water overstroomde achtererf stond, met slappe, druipnatte kleeren, bleek van de kou, en met in den wind fladderende haren.
Nog altijd stond Corrie gebukt over de gebroken pijp, met de palm van haar hand zoo stevig op de opening gedrukt als de verkleumdheid er van ’t toeliet, toen op eens een stem, vlak bij haar, op een toon van oprecht medelijden, zei:
„U mag daar niet zoo blijven staan in dat ijskoude water, en in dien scherpen wind.”
Ze had héél bleek gezien toen de spreker haar voor het eerst in ’t oog kreeg, maar ’t gaf hem een gevoel van verlichting, toen hij den frisschen blos zag die haar gelaat overtoog, nu ze haar verbaasden blik tot hem ophief, en in haar verwarring haar hand van de gebroken pijp terugtrok.
’t Was een vreemde die naast haar stond, een jonge man, met een flink, prettig gezicht, die er bovendien keurig uitzag, wat zijn kleeding betrof, zooals juffrouw Corrie, zelfs bij dien eersten, verschrikten blik opmerkte. Vol medelijden met haar verlegenheid en verbazing, haastte de vreemdeling zich zijn verontschuldigingen te maken dat hij zoo onverwachts te voorschijn was gekomen.
„Uw broertje—ik veronderstel ten minste dat ’t uw broertje was—zond me hierheen om u te helpen.”
„O!” zei Corrie, en onwillekeurig voegde ze er bij, „’t is ook zoo’n lastige jongen altijd!”
De vreemdeling kon niet laten even te lachen.
„Toch niet, hoop ik, omdat hij zoo goed is geweest mij gelegenheid te geven u te helpen?” vroeg hij, terwijl hij nu, op zijn beurt, naar het bewuste schuurtje snelde, om naar een of ander geschikt gereedschap om te zien.
Binnen vijf seconden keerde hij terug, met een voorwerp in de hand, dat voor zijn doel even geschikt was als Jo den hamer voor zijn doel geschikt had gevonden. En binnen nog weer vijf seconden had zijn stevige hand, met behulp van een stevige nijptang, de gebroken pijp voldoende dichtgeknepen om den verderen aanvoer van water tegen te houden. Er druppelde nog maar een klein straaltje uit de twee hoeken, toen de heer Holmer voor den dag kwam. Deze stond met zóó’n verbaasd gezicht ’t heele tooneel aan te staren, alsof hij zich van klinkklare verbazing tot spreken niet in staat voelde.
„Corrie,” riep hij eindelijk, „wat beteekent dit toch allemaal? Jij en Jo zien er uit als een paar verdronken ratten, en waar komt hier al dat water vandaan? En—en—waar is de kraan gebleven?”
„Ik weet ’t niet, Oom,” stamelde Corrie, terwijl ze zich omkeerde en haar best deed haar druipnatte japon wat uit te slaan, en haar verwaaide haren achter haar ooren te strijken.
De heer Holmer liet haar een oogenblik begaan, en hij wendde zich nu, nog altijd in de grootste verbazing, tot den vreemdeling, met de vraag:
„En hoe kom jij, in ’s hemels naam, hier, Russell? Ik had er volstrekt geen idée van dat je mijn nichtje kende.”
„Ik ook niet. Of ten minste”—dit werd er aarzelend en glimlachend bij gevoegd—„ik had er geen idée van tot vóór drie minuten. Maar ongevallen zijn prachtige dingen, geloof ik, om kennissen in eens in vrienden te veranderen. En omdat dit hier nu ’t geval is, en juffrouw Holmer en ik dus vrienden zijn geworden, een paar minuten nadat we elkaar voor ’t eerst hebben gezien, mag ik nu van ’t recht van een vriend gebruik maken en haar verzoeken onmiddellijk die natte schoenen en kleeren te gaan uittrekken? Ze zijn werkelijk gevaarlijk, met zulk weer als dit.”
Terwijl hij sprak, keek hij niet Corrie aan, die rood zag van verlegenheid, maar haar oom. En deze voegde zich dadelijk naar den raad van den vreemdeling, en gaf zijn nichtje de welkome order onmiddellijk naar binnen te gaan.
„Ik heb Jo naar bed gestuurd,” zei hij, „en ik geloof bepaald dat ’t maar ’t best zou zijn aan jou dezelfde order te geven, Juffrouw Corrie.”
„Ja, Oom,” mompelde Corrie, en ze begon, over ’t met water overstroomde erf, den terugtocht te aanvaarden naar de deur, die wel tienmaal zoo ver af leek als werkelijk ’t geval was. Ze had menigmaal tegen Jo gezegd dat hij een lastige jongen was, maar nog nooit had ze de volle beteekenis van dat gezegde zóó gevoeld als op dit oogenblik, terwijl ze vergeefsche pogingen deed om zich met nog eenigen schijn van waardigheid aan den blik van den vreemdeling te onttrekken. Sloep, sloep, klits, klats ging ’t door het water, terwijl haar druipnatte kleeren haar bijna ’t voortgaan beletten, en ze elk oogenblik gevaar liep haar doorweekte schoenen te verliezen. De arme Corrie voelde zich diep vernederd; ze was altijd uiterst keurig en precies omtrent dergelijke dingen, en ’t besef dat de heldere oogen van dien vreemden jongen man thans waarschijnlijk op haar rustten, maakte dat ze Jo’s laatste staaltje van ondeugendheid hoe langer hoe erger begon te vinden. Dat hij naar bed was gezonden, was een dubbel en dwars verdiende straf, vond ze.
„Maar, juffrouw!” riep de tweede meid ontsteld uit, toen ze binnenkwam, „u is net zoo doornat als Jo zelf! Marian is met hem naar boven, en ze heeft een warme kruik meegenomen. En wat zal menheer wel zeggen, juffrouw, als u met die druipnatte kleeren de trap opgaat? Neem me niet kwalijk dat ik ’t zeg, juffrouw, maar menheer is zoo erg precies, ziet u.”
„Ja, ja,” zei Corrie haastig, „ik weet ’t wel, ik zal hier maar binnen gaan.” En daar ze haar oom en den heer Russell hoorde naderen, wipte ze gauw ’t kleine zitkamertje van Marian binnen, naast de keuken, en, de meid met zich meetrekkende, deed ze de deur dicht, totdat de heeren veilig voorbij waren. Toen zond ze Sarah naar boven om een andere japon voor haar te halen, en alles wat ze verder noodig had. Marian’s kamertje werd tijdelijk in een kleedkamer veranderd; en een kwartier of zoo later begaf Corrie zich opweg naar de ochtend-zitkamer, met een ongewoon hooge kleur, gedeeltelijk veroorzaakt door de koude buitenlucht, waar ze in was geweest, en gedeeltelijk doordat ze er tegen opzag den vreemdeling weer te ontmoeten, dien Jo gezonden had om haar te helpen, waar ze dezen alles behalve dankbaar voor was.
„Zeg eens, juffertje,” riep haar oom uit, toen ze de kamer binnentrad, waar de twee heeren bij ’t vuur zaten te praten. „Zeg eens, is dat nu gehoorzamen aan mijn orders? Maar, dat ’s waar ook, hier, Menheer Russell, zei al, dat dat gedweeë „Ja, oom” van jou heel wat anders beteekende als naar bed gaan.”
De jonge man sprong op, en terwijl hij zijn stoel achteruitschoof, riep hij uit:
„O, juffrouw Holmer, neem me niet kwalijk, maar dat moet ik toch beslist tegenspreken. Uw oom beweerde ’t, en toen zei ik alleen dat ik ’t óók dacht.”
De heer Holmer lachte.
„Nu ja, je hebt in elk geval toch toegestemd, dat jij haar ook beschouwde als een echt exemplaar van ’t stijfhoofdig vrouwelijk geslacht. De jongen, hoe ondeugend en lastig hij ook is, heeft zich hierin veel beter gedragen, dat zie je, want die is ten minste naar bed gegaan.”
„Ja, oom, dat ben ik ook,” liet een schelle jongensstem zich hooren, in antwoord op die verklaring; en niet alleen de heer Holmer, maar ook juffrouw Holmer en de heer Russell keken hoogst verbaasd om zich heen bij dat geluid.
Vóórdat ze een van allen iets konden zeggen, ging de deur weer open, en Marian, de keukenmeid, stak haar hoofd naar binnen, met den onrustigen, zenuwachtigen uitroep: „Och, menheer, juffrouw, nou is hij weer weg!”
„Dat zou ik ook zeggen, Marian,” antwoordde de heer Holmer. „Maar hoe is ’t mogelijk dat je ’m hebt laten wegloopen?”
„Ja, ziet u, menheer, hij was zoo huiverig, en toen dacht ik, ’t zou maar goed zijn als ik de kachel aanmaakte; en toen, ik was nog geen minuut weg om ’t hout en de kolen te halen, daar is hij me weggeloopen, niemand weet waar naar toe.”
„O, ja, ze weten ’t al, Marian,” liet de schelle jongensstem zich weer hooren. „Oom zei dat ik naar bed moest, maar hij zei niet wáár, en daarom ben ik maar naar bed gegaan hier onder de tafel. Ik lig hier heel gemakkelijk en lekker, en ’t bespaart jou een heeleboel moeite, zie je.”
Marian bukte zich om onder de tafel te kijken, en toen nam ze haastig, onder den gesmoorden uitroep: „Och, och, hoe komt zoo’n jongen er bij!” den terugtocht aan, om buiten in de gang in lachen uit te barsten.
Intusschen hadden de heer Holmer en de anderen zich ook gebukt en onder de tafel gekeken, en allen uitten hun opmerkingen naar gelang van hun speciale gevoelens omtrent de zaak.
„Heel gemakkelijk, dat is zeker,” merkte de heer Russell droogjes aan.
„Maar, Jo! Jou ondeugende jongen! Hoe durf je?” stamelde Corrie, die zich door de vermetelheid van haar broertje heelenal uit ’t veld geslagen voelde. Hoe ’t hem mogelijk was ergens op zijn gemak te zijn, met de gedachte aan die gebroken pijp op het achtererf, ze kon er zich geen denkbeeld van maken. Maar dan nu hier, in een deken gerold, op zijn gemak te liggen onder de tafel van de zitkamer! Neen, tot zoo iets onbeschaamds had Corrie zelfs Jo niet in staat gerekend.
„Kom er eens uit, vriendje,” zei de heer Holmer, met een vertoon van gestrengheid, dat niet veel beteekende. „Was je niet bang voor straf, na al wat er gebeurd is, dat je zoo maar dadelijk weer een van je onbeschaamde streken gaat uithalen, zeg? Vertel me dat eens.”
Jo hief zich op zijn elleboog op en keek van uit zijn schuilplaats naar boven.
„Neen, oom; ik was niet bang meer voor u, na dat bemorste tafellaken van van ochtend, en die zes potten bessengelei. En, weet u, toen Sarah daar net tegen Marian zei: „Och, och! wat zal menheer toch boos zijn!” toen zei Marian: „Nou ja, hij kan den jongen in elk geval toch niet opeten, dus zoo’n vrééselijk gezicht hoef je niet te zetten.” En toen dacht ik, u zal me ook wel niet opeten, ook al ging ik niet heusch naar bed. Ziet u, zoo vóór ’t eten, en vóórdat ik de konijnen en ’t varken eten gegeven heb, en al die prettige dingen meer, dat zou ik zoo erg akelig hebben gevonden. En och, oom, zou u niet denken, dat ’t beter voor me zou zijn, als ik nu maar onder de tafel vandaan kwam, en liever daar wat op het haardkleedje ging liggen?”
Die vraag werd op zóó overredenden toon gedaan, dat de heer Russell zich tot zijn gastheer wendde, en zei:
„Iemand zou bepaald een hart van steen moeten hebben, om zóó’n nederig verzoek te weigeren. U heeft er zeker niets tegen, dat ik den kleinen smeekeling een meer gemakkelijke positie bezorg?”
En daar zijn gastheer toestemmend knikte, knielde de heer Russell op den grond en haalde een pakje deken en jongen te voorschijn, waarmee hij zich in een fauteuil neerzette, vóórdat hij ’t op het haardkleedje neerlegde.
„Ben ik niet nog al zwaar, zoo ingepakt?” vroeg Jo, toen zijn nieuwe vriend den deken terugtrok en hem ’t verwarde haar uit de oogen streek. „’t Zou, geloof ik, maar beter zijn als u me neerlei. Ik weeg heel wat, dat weet ik, ook zonder dat ding om me heen.”
„Ja,” zei de heer Russell, „nu je ’t zegt, merk ik ook dat je aardig zwaar bent; en toch wil ik dat vrachtje wel eens even vasthouden om je wat beter te bekijken, want je lijkt me een wonderlijke jongen. Wat was je idée daarmee, zeg, om voor je eigen plezier een ondeugende streek uit te halen, en dan weg te loopen en je zuster met half-bevroren handen en voeten aan haar lot over te laten, terwijl je zelf heel makkelijk in een wollen deken onder de tafel ging liggen? Was dat niet een klein beetje leelijk van je?”
Met een driftige beweging trachtte Jo zich uit den deken en uit de armen van den vreemdeling los te wringen, welke poging met een tuimeling op den grond eindigde. Maar vóórdat hij kon opstaan en iets had kunnen zeggen, boog Corrie zich voorover, en, met een zweem van verontwaardiging in haar stem, zei ze:
„Werkelijk, u hoeft mijn partij niet te trekken, dank u. Jo mag ondeugend zijn, maar iets leelijks zal hij nooit doen, dat heeft hij nog nooit in zijn leven gedaan.”
Jo keek naar Corrie om, met den glimlach vol beteekenis, waarmee hij die veelgeliefde zuster een heel enkele maal vereerde. En toen hij zich daarna tot den vreemdeling wendde, stond op ’t schalksche jongensgezicht een ongewoon ernstige uitdrukking te lezen.
„Leuk, hé, om zoo’n zuster te hebben?” zei hij. „Als u Cor maar kende, dan zou u wel begrijpen dat ik tegen haar nooit iets leelijks zou kunnen doen. Ik liep alleen maar weg omdat ze ’t tegen me zei, en omdat ik dacht dat ik haar al meer dan genoeg last bezorgd had. En, ziet u, u is zooveel grooter en handiger dan ik, en daarom zond ik u zoo gauw als ik kon naar haar toe.”
„Waar Juffrouw Corrie je alles behalve dankbaar voor was, kleine plaaggeest, dat kan ik je vertellen,” zei zijn oom lachend, terwijl hij zijn nichtje aankeek, die bij de herinnering aan die eigenaardige ontmoeting op nieuw een kleur kreeg. Algemeen werd de heer Holmer beschouwd als een deftig, tamelijk afgemeten man, maar zoo nu en dan had hij zijn plaagachtige buien, evengoed als zijn kleine neef en naamgenoot.
„Je hebt op school dansen en buigen en al die soort van dingen geleerd, hé, Corrie?” Verwonderd keek Juffrouw Holmer haar oom aan; maar vóórdat ze gelegenheid had iets te antwoorden, ging deze voort:
„’t Zou bepaald een idée wezen, dat voor een dansonderwijzeres geld waard zou zijn, als ze nu en dan haar leerlingen zich liet oefenen om in druipnatte kleeren netjes te loopen. ’t Vereischt veel talent om dat met eenige waardigheid te doen, heb ik gemerkt. Vind-je ’t ook niet, Russell? Ik zag dat je er ook de noodige aandacht aan wijdde.”
De heer Russell wierp een vluchtigen blik op ’t blozende meisjesgelaat tegenover hem, en toen zei hij, op een eerlijken, rondborstigen toon, die Corrie aangenaam in de ooren klonk:
„Foei, foei, Menheer Holmer, u heeft ’t plagen nog niet verleerd, merk ik. Weet u nog wel hoe wanhopig u me indertijd kon maken met uw geplaag? Ik weet ’t nog heel goed. Ik keek Juffrouw Holmer na toen ze heenging, dat ’s waar, maar ik deed ’t alleen omdat ik werkelijk bang was dat ze vallen zou. En hoewel ik heel veel houd van mijn vak, vind ik, als ik eens een dag vacantie heb, ’t zetten van gebroken beenen zoo heel prettig niet.”
„Gebroken beenen! O, dan is u zeker een dokter?” riep Jo uit, terwijl hij zijn nieuwen vriend met meer belangstelling dan te voren aanstaarde. „En waarom vindt u ’t niet prettig om op een vacantiedag gebroken beenen te zetten?”
„’t Is bepaald jammer voor Jo, dat hij u niet in uw waardigheid heeft kunnen zien optreden,” viel Corrie lachend in, om aan ’t gesprek over dat onderwerp een einde te maken. „Misschien hoopte hij wel zelf een of ander drankje van u te krijgen, na ’t koude stortbad van van morgen.”
’t Deed den bezoeker veel genoegen te zien, dat de verlegen blos van daareven verdwenen was, en dat de spreekster haar zelfbeheersching geheel had teruggekregen.
„Ik geloof ’t bepaald ook, Juffrouw Holmer,” riep hij vroolijk uit. „Nu, als ik hem daarmee plezier kan doen, dan wil ik hem wel eens een heel leelijk drankje ingeven. Zou u me den inktkoker even willen aanreiken?”
En in ’t volgende oogenblik lag Jo op zijn rug, over de knieën van den jongen dokter, als voorbereiding tot een zóó luidruchtige stoeipartij, als tot nog toe ooit in ’t huis van den heer Holmer had plaats gehad.