X.
EEN ONGELUKKIG GEZEGDE.
„Zoolang ik leef, zal ik nooit, nooit meer in ’t bijzijn van kinderen iets opperen, noch in ernst, noch in gekheid, dat ik ze niet graag zou laten doen.”
Aldus sprak de heer Holmer, op zekeren dag, tot zijn schoonzuster en haar man, en, te oordeelen naar de uitdrukking van zijn gezicht op dat oogenblik, meende hij ’t geen hij zeide heel ernstig. Maar we zullen beginnen met naar Jo terug te keeren, en naar den dag, volgende op ’t feest van de verongelukte pastei.
Het ontbijt was afgeloopen. Jo had het laatste stukje van zijn gesuikerd brood opgegeten, in alle stilte in zichzelf denkende dat zijn aandeel in de kook-aangelegenheden toch, bij slot van rekening, bepaald een verbetering zou zijn geweest van de gewone manier; maar daarna hadden Marian en Corrie de zaak eigenlijk bedorven. Hij stond nu door ’t raam van de eetkamer naar buiten te staren, met zijn hoofd op zij, op een manier, die, zooals zijn zuster wel wist, voor de toekomstige rust en vrede in huis nooit heel veel goeds deed verwachten.
„Wat voor stoutigheid ben-je nu weer aan ’t bedenken, kleine baas,” zei ze, terwijl ze achter hem ging staan en zijn hoofd recht trok.
Jo draaide zich om.
„Cor,” zei hij, ernstig, en op een toon vol verwijt; „weet je dan niet dat mijn stoutheden dingen zijn die altijd in eens opkomen? Ik denk er nooit van te voren over. Gelukkig niet. Als je ziet dat ik over iets sta te denken, dan is ’t altijd dat ik bezig ben iets goeds of iets prettigs te verzinnen, maar nooit iets stouts. Begrijp-je dat nu nog niet, Corrie?”
„Nu—j—a,” zei Corrie, eenigszins aarzelend. „Ik geloof wel, Jo, dat je er meer over denkt iets goeds of aardigs te doen dan iets stouts. Maar, zie-je, je ondernemingen vallen meestal zoo ongelukkig uit, dat—”
„O!” viel Jo bedaard in, „dat komt alleen, zooals papa altijd van de dingen uit de geschiedenis zegt, door de macht van de omstandigheden. En je kunt van mij toch niet verwachten dat ik daar veel aan doen kan, Cor.”
Corrie barstte in zoo’n hartelijk gelach uit, bij ’t hooren van dat antwoord, dat haar jeugdige broer op ’t punt stond ernstig boos te worden. Maar ze bedwong zich en zei:
„Kom, kom, kereltje, wees nu maar niet boos omdat ik zoo lach. Je weet wel dat ’t heel gezond is voor een mensch, nu en dan eens hartelijk te lachen, dus je moest blij zijn dat je ’t mij hebt laten doen. En nu zal ik weer heel ernstig zijn, dat beloof ik je, terwijl je me vertelt welk plan je bezig was te verzinnen.”
Jo staarde met een eenigszins onzekere uitdrukking voor zich heen. Hij voelde zich in zijn waardigheid gekwetst, maar toch vond hij ’t verschrikkelijk vervelend, en lastig ook, om op Corrie boos te blijven.
„Ik zou zeggen dat je volstrekt geen reden hebt om me uit te lachen, Corrie, en—”, dit werd er met een heel ernstig gezicht bijgevoegd, „ik vind dat ’t voor papa ook niet prettig is, dat je zoo lacht om iets wat hij gezegd heeft. Als je me zoo blijft plagen, dan kan ik niks meer verzinnen, en ik was juist zoo aan ’t bedenken van iets waar ik oom eens pleizier mee zou kunnen doen, omdat hij gisteren niet erg boos is geweest om die pastei en dat allemaal.”
„O—o!” zei Corrie, terwijl haar lachlust verdween, en ze haar broer met een blik vol bezorgdheid aankeek. „Dus heb ik toch gelijk gehad, klein papegaaitje, dat je bezig was iets te bedenken, dat misschien weer slecht zou kunnen afloopen. Ik zal je eens iets veel beters vertellen. Wees zoo voorzichtig als je ’t maar met mogelijkheid zijn kan, om niet ’t minste of geringste meer te ondernemen van die dingen, die jij verrassingen noemt, maar waarvan de gevolgen meestal lastig en onpleizierig zijn. Dat zal een veel betere manier zijn om Oom Johan te bedanken dan iets anders, geloof me.”
„Zou-je dat denken?” luidde ’t gemoedelijke antwoord, terwijl de blonde krullebol weer op zij werd gehouden. „Maar, zie-je, Cor, jou plannen zijn allemaal om niets te doen, en ik vind ’t veel aardiger om wél iets te doen.”
Vóórdat Juffrouw Holmer haar spijt kon uitdrukken omtrent dat laatste, welbekende feit, stak de heer Holmer zijn hoofd naar binnen, terwijl hij haastig zei:
„Jo, ik ga vandaag niet naar mijn kantoor, dus als je dadelijk je muts opzet, kan-je met me meegaan om de boerderij rond te gaan; en misschien kunnen we daarna nog wel even een kijkje nemen in de school, en den Kerstboom zien, als we Corrie daar gaan afhalen.”
„Hoera!” schreeuwde Jo, terwijl hij naar de deur holde om zijn muts te halen. Maar opeens scheen hij zich iets te herinneren, en hij bleef met een eenigszins bedrukt gezicht staan.
„Dat ’s waar, oom, ’t spijt me erg, maar ik heb aan Cor beloofd dat ik met haar mee zou gaan om haar te helpen.”
„Wel, wel!” zei de heer Holmer, op een toon van ernst, die door de uitdrukking van zijn gezicht werd weersproken. „Dat is bepaald een lastig geval, jongen! Maar zou-je niet denken dat Corrie je misschien wel van je belofte zou willen ontslaan, als we ’t haar vroegen?”
Corrie trad naar voren, met een lachende uitdrukking in haar oogen, om voor zichzelf te antwoorden.
„Zeker, Oom, ’t zal me zelfs heel veel pleizier doen. Ik bedoel natuurlijk, Jo, dat ik ’t heel best vind, als je met Oom meegaat om al de dieren te bekijken, en ik hoop dat je een heel prettigen ochtend zult hebben.”
En zoo werd Jo door zijn zuster aan de hoede van haar oom overgegeven, terwijl ze niet kon nalaten een lichten zucht van verlichting te slaken, nu ze eindelijk eens in staat was vrij adem te halen, al was de deugniet ook uit ’t gezicht. Die arme Corrie! Weinige uren later schreide ze zich half blind, bij de herinnering dat ze er blij om was geweest haar kleinen, lastigen broer een poosje kwijt te zijn, en deed ze haar best, door middel van allerlei zelf-pijnigingen, uit die gedachte stof te putten tot bitter zelfverwijt.
Voor ’t oogenblik echter begaf ze zich vol opgewektheid op weg, om den zeer welkomen bijstand te verleenen van haar goeden smaak en vlugge vingers bij ’t versieren van den Kerstboom, die in de gemeenteschool dienst zou moeten doen; en Jo liep mee met zijn oom, om een flinke inspectie te houden over de paarden, varkens en koeien, en al het andere gedierte in die omgeving.
Jo was er bijzonder op gesteld niets over te slaan, en dus moest er ook een bezoek worden gebracht aan de geit, die op een veld op eenigen afstand van het huis te vinden was. Voordat oom en neef die plek hadden bereikt, werden ze ingehaald door den dorpsgeestelijke, die gekomen was om met den heer Holmer het een en ander omtrent de regeling van het schoolfeest te bespreken. Jo liep naast de beide heeren voort, nu en dan eens luisterend naar hun gesprek, en dan weer bezig met zijn eigen gedachten. Maar op eens scheen ’t hem toe, dat zijn eigen gedachten en ’t onderwerp van gesprek der beide heeren zóó wonderlijk in elkaar pasten, dat hij er bepaald verbaasd over was.
„Wat een prachtige oude boom!” had de predikant zoo juist gezegd, terwijl hij stil bleef staan onder een breedgetakten kastanjeboom, die er, zelfs in zijn wintersche kaalheid, indrukwekkend uitzag.
„Ja,” zei de heer Holmer, „die oude reus is een van de dingen hier, waar ik bijzonder veel prijs op stel. Maar tot mijn spijt heeft hij door ’t zware onweer van verleden zomer wat geleden. Daarginder zit een tak, zie-je wel, die door den bliksem is getroffen; hij is heelemaal dood.”
„Zoo!” zei de predikant, terwijl hij haastig eenige schreden achteruit trad. Hij was een eenigszins zenuwachtig man, en de getroffen tak was vrij groot.
„Zou ’t niet beter zijn dat hij werd weggenomen?” vroeg hij, met eenige onrust. „Bij harden wind zou hij bepaald gevaarlijk kunnen worden. Dunkt-je niet?”
De heer Holmer keek met onderzoekenden blik omhoog, en dat deed Jo ook.
„Jawel,” zei de heer Holmer; „daar heb ik zelf ook wel eens over gedacht. Maar de kwestie is dat John, mijn tuinman, zoo zwaar is, dat ik eigenlijk bang was hem zoo hoog te laten klimmen. ’t Zal ’t best zijn dat ik eens naar een of anderen jeugdigen schoorsteenveger uitkijk, om naar boven te klimmen en een touw om den tak te slaan. Die zou dan gauw genoeg beneden zijn, met één flinken ruk. En ik moet zeggen dat ik er blij om zou wezen, want ’t is niet alleen gevaarlijk, maar een leelijk gezicht ook.”
Dit zeggende, kwam hij van onder den boom uit en voegde zich weer bij zijn vriend, te zeer vervuld van ’t gesprek, dat tijdelijk was afgebroken, om de belangstellende, verlangende blikken op te merken, die door vriend Jo op den dooden tak werden geworpen, waarover zijn oom had gesproken.
„Ik ben geen schoorsteenveger,” zei Jo zacht in zichzelf, terwijl hij langzaam achter de beide heeren aanliep; „maar ik kan heel wat beter klimmen dan Fred Mackenzie, en ik geloof dat hij zelfs heel gemakkelijk naar boven zou kunnen klauteren om een touw te slaan om dien dooden ouden tak. Ik kan ’t in elk geval zeker.”