IV.
BOETE.
Gewoonlijk maken de dingen zoo’n geheel verschillenden indruk, op verschillende menschen, en onder verschillende omstandigheden. Toen Corrie Holmer kort na half vier de bibliotheek was binnengetreden om haar broertje te zoeken, vond ze dat die kamer ’t naarste, meest ontmoedigende schouwspel opleverde, dat ze ooit in haar leven had gezien. En toen Florence Elmslie er omstreeks half vijf binnentrad, met Jo aan de hand, zei ze, op opgewekten toon, en met een vroolijke tinteling in haar grijze oogen:
„O, hoe kluchtig!”
„Noem-je dat kluchtig?” zei Corrie, met een uitdrukking van groote neerslachtigheid in haar stem. „Ik noem ’t heel, heel goed en vriendelijk van je om hier te komen en ons te helpen in onze ellende, maar ik zie volstrekt niet in dat een totaal bedorven middag iets kluchtigs kan hebben.”
De arme, geplaagde, verdrietige, teleurgestelde Corrie sprak op zóó’n treurigen toon, dat Jo zich eindelijk totaal overwonnen voelde. Hij trok zijn hand uit die van Juffrouw Elmslie, en, om zijn gezicht te verbergen, bukte hij zich en begon Anne te helpen met ’t oprapen van de boeken, die hij over den grond had verspreid. Weldra was Jo de éénige werkelijk verdrietige persoon in de kamer, want in ’t gezelschap en met de hulp van haar opgewekte, vroolijke vriendin, en nu ’t gas was aangestoken en in den haard een lekker vuurtje brandde, begon Corrie al heel gauw haar gewone opgeruimdheid terug te krijgen, en handig en vlug te doen wat ze kon om alles weer in orde te brengen.
Bij slot van rekening, al werd ’t dan ook algemeen als zeker aangenomen dat de heer Holmer ’t meest van zijn boeken hield, na zijn vrouw en kinderen, toch was dit in elk geval maar na hen, en met een heel groote ruimte er tusschen. Er bestond dan ook heel weinig kans, al waren de omslagen van een half dozijn deelen losgeraakt, en van een paar andere de bladen of ruggen gescheurd, dat de heer Holmer vriend Jo daarom tot een achtdaagsch verblijf in ’t kolenhok, of voor een maand tot de water-en-brood straf zou veroordeelen, of dat hij op Corrie zelf heel ernstig boos zou wezen, omdat ze den kleinen man zoo lang alleen had gelaten en hem daardoor voor dit nieuwe staaltje van ondeugendheid gelegenheid had gegeven.
En wat de stof en de wanorde betrof, het jeugdige dagmeisje Anne openbaarde, nu de nood aan den man was, meer vlugheid en handigheid dan waartoe ze zichzelf ooit in staat zou hebben geacht. Toen ’t tegen half zeven liep, liet de toestand van ’t geheel zoo weinig meer te wenschen over, dat Corrie verklaarde, dat zij en Juffrouw Elmslie de rest nu wel in orde konden brengen; en ze zond Anne dus heen om voor ’t theemaal van hen allen te zorgen, en zei tegen Jo dat hij zich boven wat moest gaan opknappen.
Jo kwam naar haar toe, terwijl ze op ’t trapleertje stond voor een der kasten, waarin de boeken alle weer netjes op een rij waren neergezet.
„Weet-je zeker dat ik niets meer doen kan om je te helpen, Corrie—heelemaal zeker?”
„Heelemaal zeker, Jo. Loop nu maar gauw heen, en knap je wat op, en borstel je haar eens flink.”
„Ja, Corrie.” Maar Jo bleef nog eenige oogenblikken naast het trapje staan talmen, totdat zijn zuster er af kwam. Toen fluisterde hij gauw: „Geef me een kus, Corrie.”
„Wel twee, als je wilt, jou kleine, lastige jongen,” luidde ’t glimlachend geuite antwoord, terwijl de beide kussen werden gegeven.
„Zoo’n arme kleine man, hij is er bepaald heelemaal van terneergeslagen! Hij kijkt zoo ernstig als een rechter,” zei Corrie, toen de deur achter hem dicht was.
Juffrouw Elmslie glimlachte.
„Ja. Ik heb hem nog nooit zoo’n diep ongelukkig gezicht zien zetten, als toen hij me kwam vertellen in wat voor ongelegenheid zijn ijver om iets nuttigs te willen doen hem had gebracht. Maar hij zal na ’t thee-uur wel anders kijken, dat zal je eens zien!”
„O, maar dat moet ook,” zei Corrie, heel beslist. „Ik zou niet kunnen hebben dat die arme kleine Jo zoo’n verdrietig gezicht bleef zetten, al moest ik ook den heelen nacht opzitten en hem vertelseltjes vertellen, om ’t te beletten. Zeg, als je er niet om geeft, laat ik je een oogenblikje alleen werken, dan loop ik even heen om wat haast te laten maken met de thee, en ’t een en ander te krijgen wat we noodig hebben. We zijn zooveel later dan anders, dus ik denk haast dat ’t gedeeltelijk door honger komt dat hij er zoo ongelukkig uitziet.”
De bibliotheek had nu weer een vrij ordelijk aanzien, en medelijden met den kleinen schuldige was bij zijn zuster nu het meest overwegende gevoel geworden. ’t Was meer om zijnentwil dan terwille van de gast, dat er tweeërlei soort van jam en een extra schaaltje koekjes op tafel werd gezet. In den tusschentijd waren Jo’s toebereidselen voor het maal van zeer bijzonderen aard.
Toen hij in zijn eigen kamertje was gekomen, begon hij, naar ’t voorschrift van zijn zuster, met grooten ijver zijn gezicht en zijn handen te wasschen, en zijn haar te borstelen, maar toen dat was afgeloopen, haalde hij zijn nachtgoed van onder zijn kussen te voorschijn, en begon hij zich uit te kleeden om naar bed te gaan.
Die bezigheid was zelfs nog gauwer afgeloopen dan met de andere ’t geval was geweest; en toen viel Jo op zijn knieën neer voor zijn ledikantje, en met één droevigen snik barstte hij uit—„Och, och! ik zou toch zoo graag willen, lieve Heer, dat u me wou leeren wat ik doen moet, om de menschen plezier te doen en ze ’t niet altijd lastig te maken. En zegen alsjeblieft onze Cor, en maak dat ik een goede jongen word.—”
Na die uitbarsting volgde er een korte pauze; Jo legde zijn wang een oogenblik tegen den deken aan. De kamer was heelemaal donker; er was niemand die ’t zien kon, toen er een paar tranen langs zijn pas gewasschen wangen rolden. Eindelijk stond hij uit zijn knielende houding op, in zichzelf mompelend:
„Zoo kan ’t nu misschien wel, voor zoolang. Mijn eigenlijk gebedje zal ik straks wel doen, als pa weer thuis is.”
En zoo, met de tranen nog op zijn wangen, en met een meer bezwaard hart dan hij nog ooit in zijn leven had gehad, stapte de arme, hongerige, vermoeide kleine Jo in bed, bijna twee uur vóór zijn gewonen bedtijd en zonder eten of drinken. Toen het theemaal gereed was, en Corrie en Florence Elmslie, met schoongewasschen handen en gezichten, er ook voor gereed waren, maakten ze elkaar, met eenige verbazing, opmerkzaam op den verbazend langen tijd dien Jo noodig had om zich netjes te maken.
„Hij is in zoo’n berouwvolle stemming, dat ik veronderstel dat hij zich extra veel moeite geeft om er héél keurig uit te zien, alleen om je pleizier te doen,” zei Florence Elmslie, terwijl ze zich bij den haard neerzette en zich amuseerde met ’t groote houtblok, dat er in lag, om en om te keeren, om ’t te laten knetteren.
Corrie vond ’t heel waarschijnlijk dat haar vriendin gelijk had in haar veronderstelling, maar ze dacht toch dat hij nu al den tijd had gehad om een model van netheid en keurigheid van zichzelf te maken; en dus zette ze den trekpot, dien ze juist had opgetild om er uit te schenken, weer neer, en liep naar boven om hem te halen, terwijl ze, al loopende, hem bij zijn naam riep.
Maar, zooals ze dien middag te vergeefs geroepen had, zoo ging ’t ook nu. Ze kreeg geen antwoord. Eindelijk kwam ze bij zijn kamer, waarvan de deur dicht was. „Jo, ben je daar?” vroeg ze.
„Ja, Corrie,” riep een heel ernstige jongensstem terug.
Corrie draaide den knop om en keek naar binnen, of liever tuurde in de duisternis. „Maar, Johan, jongen, waar blijf-je? Wat voer-je hier boven toch uit in ’t donker?”
„Ik ben in bed, Cor.”
Corrie Holmer naderde het bed, of eigenlijk ’t gedeelte van de kamer vanwaar haar broer’s stem tot haar doordrong, want ze zag niets; maar bij dat antwoord stond ze plotseling verschrikt stil. „Jo,” bracht ze met gedempte stem uit, „Jo, ben-je ziek?”
Het antwoord volgde gauw genoeg. „Ziek! Wel neen, Corrie, natuurlijk niet. Ik ben nooit ziek, dat weet-je wel. Maar ik heb je vandaag zóó’n naren middag bezorgd door alles heelenal verkeerd te doen, dat ik dacht, ik moest voor dezen éénen keer maar eens zonder eten naar bed gaan. Misschien kan ik mezelf dan wel leeren om niet zoo’n erg lastige jongen meer te zijn op een anderen keer. Ben-je daar, Cor?—hoor-je me?”
Maar Cor’s antwoord volgde niet zoo gauw als dat van haar broertje was gevolgd, want Cor schreide weer. Niemand van de heele Holmers familie was bijzonder zenuwachtig of schreiachtig. Maar het onaangename voorval in haar vader’s bibliotheek, ’t lange brieven schrijven, ’t missen van het gezellige middagje, waarop ze zich al dagen lang had verheugd, dat alles te zamen scheen Corrie Holmer een klein weinigje van streek te hebben gemaakt. Twee uur geleden was Jo, toen hij zag dat zijn zuster schreide, totaal in de war geraakt, en dit laatste, die zelf-opgelegde straf en die berouwvolle bekentenis, hadden nu op zijn zuster dezelfde uitwerking. Ze tilde den jongen boeteling op in haar armen, en stamelde snikkend:
„Och Jo, mijn beste, kleine Jo, hoe ben-je dáártoe gekomen? Wat een verschrikkelijke knorrepot van een zuster moet ik geweest zijn, om je op de gedachte te brengen jezelf op die manier te gaan straffen!”
„Neen, dat ben-je niet geweest,” bracht Jo halsstarrig daartegen in. „Je bent zoo’n aardige, gezellige zus als er maar ergens een bestaan kan; je zou geen knorrepot kunnen wezen, al probeerde je ’t. En ik geloof eigenlijk dat ik ’t wel een klein beetje wist, dat ik niet in de bibliotheek mocht komen, al was ’t ook dat ik papa een pleizier wou doen; want ik herinner me dat ik probeerde om den kruk héél zachtjes om te draaien, toen ik den eersten keer naar binnen ging, en ik heb ’t je nog niet laten zien van die groote inkt—”
Maar hier werd aan de bekentenis voorloopig een einde gemaakt, want er klonk een geratel van wielen, en Corrie vloog de trap af om haar vader en moeder te verwelkomen, en om van de tegenwoordigheid van haar vriendin, en van de oorzaak van Jo’s afwezigheid, een verklaring te geven.
De heer en mevrouw Holmer waren vroeger thuisgekomen dan hun plan was geweest, omdat de heer Holmer toevallig een ongetrouwden broer van hem had ontmoet, die ’t plan had geopperd met hen terug te gaan, om een paar dagen te blijven logeeren. Daar er dus voor ’t in orde maken van een logeerkamer moest worden gezorgd, had Mevrouw Holmer ’t beter gevonden wat vroeger naar huis terug te gaan; en ’t was nog geen zeven uur, toen Jo in ’t donker op zijn vader’s knie zat, om hem volledig en naar waarheid van de gebeurtenissen van dien middag verslag te doen.
„En vindt u nu ook niet, papa, dat dat naar bed gaan nog al goed van me bedacht was, om me er op een anderen keer aan te doen denken?” vroeg hij dringend, toen zijn verhaal uit was.
En de heer Holmer sloeg zijn armen nog een beetje vaster om zijn jongen heen, toen hij antwoordde:
„Ja, beste jongen, ik vind ’t zóó goed bedacht, dat ik er me bepaald dankbaar voor voel dat ik een zoontje heb, die bewijst dat hij zoo ernstig ’t goede wil. En nu, kereltje, wat zou-je er van denken als je je kleeren weer eens aantrok en beneden kwam, om te zamen met ons allen thee te drinken?”
Maar daar zoowel mama als Jo zelf om verschillende redenen bezwaren opperden tegen dat voorstel, eindigde de heer Holmer met, in plaats daarvan, een blad voor twee personen naar de slaapkamer te brengen, en daar voegde zich ook Oom Johan een poosje bij hen, die op die manier met zijn neef en petekind dien avond beter kennismaakte dan hij ooit te voren had gedaan.
„Denk er aan, William,” zei hij, een paar dagen later, bij ’t heengaan, „als Corrie over drie weken bij me komt, met Kerstmis, dat de jongen ook mee moet komen.”
„Wat!” riep de heer Holmer. „Wat!” riep Corrie. Mevrouw Holmer voegde er geen derde „Wat!” bij, maar ze zei: „Werkelijk, Johan, dat is onmogelijk. Onze Jo is zoo’n beste, goede, eerlijke jongen als er maar een op de wereld bestaan kan, maar hij zou veel hebben van een jongen wilden stier in een porceleinwinkel, als je hem daar bij je hadt in je mooi gemeubeld, keurig ingericht huis.”
„Als je hem niet zendt, zal-je me de moeite en den last geven dat ik hem zelf moet komen halen,” zei Oom Johan. En met dat beslissende antwoord nam hij afscheid, en ging heen.