V.
EEN ONRUSTIGE OCHTEND.
Corrie Holmer had tot nog toe ’t logeeren bij haar oom altijd heel aardig gevonden. Alles ging daar even rustig, stil en geregeld zijn gang. Geen van de dienstboden scheen ooit krakende laarzen te dragen, en zelfs de zwartzijden Zondagsche japon van de huishoudster scheen er in geoefend te zijn volstrekt niet te ruischen. Maar als een korte afwisseling van haar eigen vroolijk, druk tehuis, had Corrie die rustige, ongewone omgeving wel prettig gevonden. Nu ze er echter te zamen met haar broertje was, voelde ze, hoeveel ze ook van hem hield, zich er niet zoo volkomen zeker van of zijn tegenwoordigheid daar haar wel zoo héél gewenscht voorkwam; en die twijfel rees onwillekeurig opnieuw bij haar op, toen ze, den derden dag van hun bezoek, vriend Jo de trap hoorde afglijden, onder luid gefluit en gestommel.
„Wat een ellende toch, die winter, en die vorst, en alles,” bromde de heer Holmer, toen hij dien ochtend binnenkwam om te ontbijten. Hij was buiten geweest op het achtererf, om, zooals hij gewoonlijk deed, zijn lievelingshond goeden morgen te zeggen, en als bewijs van zijn genegenheid had hij aan Trust een been gebracht. En in zijn haast om te toonen dat hij de vriendelijkheid van zijn baas op prijs stelde, had die groote, brave, domme oude Trust, zich verslikt. En daarna had hij, in zijn benauwdheid, zijn bak met water omgegooid.
„Arme stumperd!” zei de heer Holmer, en hij raapte den bak op en liep er mee naar de waterkraan op het erf om dien op nieuw te vullen. Maar door den vorst, of de roest, of doordat er nooit gebruik van gemaakt werd, of door welke reden dan ook, in elk geval bleek de kraan vast te zitten. Hij draaide er eenige malen aan, van rechts naar links, en van links naar rechts, maar ’t hielp niemendal; hij kon er niet de minste beweging in krijgen. Dus gaf hij aan den knecht order den bak van Trust te vullen, die in den tusschentijd al zonder water van zijn benauwdheid was bekomen; en toen trad de heer des huizes de ontbijtkamer binnen, brommende en pruttelende over ’t weer en over alles, totdat hij ’t vriendelijke, opgewekte gezichtje van zijn nicht in ’t oog kreeg, en toen verdwenen op eens alle rimpels, en hij riep uit:
„Och, och, wat een oude knorrepot van een oom heb-je toch, kind-lief! Ik zal nog maken dat je bang voor me wordt en naar huis terugloopt, als ik niet oppas. Schenk me maar eens een kop koffie in, misschien is dat wel geschikt voor iemand die uit zijn humeur is.”
Corrie voldeed lachende aan dat verzoek, en toen ze den bedarenden drank aan haar oom bracht, vroeg ze naar de meer speciale oorzaak waarom hij op dat oogenblik zoo ontstemd was.
„’k Wed dat ik die kraan wel zou kunnen omdraaien,” riep Jo, toen ’t verhaal uit was, en hij sprong van zijn stoel.
„Jawel, natuurlijk, en tegelijk de tafel ondersteboven gooien,” zei zijn oom wrevelig, want elk kopje en bordje, dat op tafel stond, rammelde, en de helft van zijn koffie was op ’t schoteltje gemorst.
„Corrie, beste meid,” voegde hij er bij, „je zult dit zeker wel willen schoonmaken; en zou je dan alsjeblieft ’t bord van je rumoerigen broer eens willen vullen met alles wat je maar denkt dat hij lekker vindt, zoodat er kans bestaat dat jij en ik eens tien minuten rust hebben.”
„Bedoelt u terwijl ik eet, oom?” vroeg Jo.
„Ja, jongen, terwijl je eet. Je praat toch niet terwijl je eet, hoop ik?”
Jo hield zijn hoofd op zij, met een nadenkende uitdrukking.
„N—een, dat geloof ik niet; niet als de dingen lekker zijn ten minste. Maar ik schop onder ’t eten wel eens met mijn voeten tegen de tafel—Corrie en moe zeggen ’t ten minste—en u weet niet hoe de dingen dan soms rinkinkelen. Kijk, zoo!”
En vóórdat de arme Corrie een waarschuwing kon doen hooren, of om de tafel heen naar haar broer kon toevliegen, had Jo de daad bij het woord gevoegd, en een heel duidelijk voorbeeld gegeven van wat hij bedoelde. De heer Holmer sprong overeind, met, voor ’t oogenblik, een uitdrukking van bepaalde woede op ’t gelaat. En Corrie stond, bevend en met in elkaar geklemde handen, toe te kijken. De kleine schuldige staarde met ernstigen blik naar den inhoud van zijn kopje, die over het tafelkleed stroomde, en toen merkte hij, op een toon van diepe afkeuring en ergernis, op:
„Hè, oom, wat is dat een vrééselijk waggelachtige tafel! Hè, u is nog ouder dan papa, en papa zou zoo’n waggelachtig ding niet in zijn ontbijtkamer willen hebben, dat weet ik zeker.”
„Maar, Jo, hoe durf-je toch?” riep Corrie hem met gedempte stem toe. Verbazing over de vermetelheid van haar broertje, en vrees voor de straf, die daarvan een noodzakelijk gevolg zou wezen, streden in haar binnenste om den voorrang. ’t Was een beproeving getuige te moeten zijn van Jo’s onbehoorlijk gedrag, maar er getuige van te moeten zijn dat hij gestraft werd en zich verdrietig en ongelukkig voelde, was een nog zwaardere beproeving. Nog eenmaal wierp ze een blik op ’t gelaat van haar zeer stipten, nauwgezetten oom. En de uitdrukking, die ze daarop las, verbaasde haar nóg meer dan ’t gedrag van haar broertje. Gedurende één oogenblik was de heer Holmer letterlijk sprakeloos geweest van boosheid, maar in ’t volgende oogenblik barstte hij in een onbedwingbare lachbui uit. Bij dat volkomen onverwachte geluid zonk Corrie weer in haar stoel neer, terwijl haar oom uitriep:
„Zeg eens, vriend Jo, ik heb wel eens van brutale menschen gehoord, en ik heb er ook wel eens een paar ontmoet in mijn leven, maar ik heb er nooit een ontmoet, die met jou te vergelijken is! Dat gaat me daar, in de eerste plaats, uit louter baldadigheid tegen mijn arme tafel schoppen, en mijn mooi wit tafellaken totaal vuil maken, en nu wordt van mijn meubilair waarachtig nog kwaad gesproken op den koop toe!”
Snel hief Jo zijn hoofd op.
„Maar ik zal van ú nooit kwaad spreken, Oom Johan,” stamelde hij haastig. „U is een vreeselijk leuke, gezellige oom. Ik dacht dat ik een klap om m’n ooren zou krijgen, en—en—” de krachtige jongensstem begon een héél klein beetje te trillen—„ik had ’t bijna maar liever gewild. Wat ziet dat schoone tafellaken er uit! Als ik een beetje verstand van wasschen had, dan zou ik probeeren om die vlekken er voor u uit te krijgen.”
„Probeer ’t dan maar niet, alsjeblieft,” zei zijn Oom lachend. En toen stond hij op, en, onder voorwendsel van ’t met koffie overstroomde bord van zijn jeugdigen gast voor een ander te verruilen, boog hij zich over hem heen, en voor de eerste maal sinds Jo ’t zich kon herinneren, raakte hij diens voorhoofd met zijn lippen aan. Zijn neefje mocht dan ondeugend en al te vrijpostig wezen, terwijl die plek op zijn hoofd, waar de knobbel van den eerbied moest zitten, wel totaal afwezig scheen te zijn; maar wat zijn hart betrof, dat scheen toch blijkbaar op de rechte plaats te zitten; en daar de heer Holmer zelf, ondanks zijn uiterlijke deftigheid en strengheid, een heel goedhartig man was, was ’t niet onmogelijk, dat zich in den loop der jaren, een meer innige band tusschen hem en zijn petekind zou ontwikkelen, dan als vriend Jo een neefje was geweest, heelenal naar ’t eigen model van zijn peetoom geknipt, en zoo beleefd en onderdanig als er maar één bestaan kon.
De bewijzen daarvan zouden evenwel pas in de toekomst kunnen blijken. Intusschen ging het ontbijt zijn gang en kwam tot een eind, zonder dat er verder iets meldenswaardigs voorviel, met uitzondering van een kort, half fluisterend uitgesproken praatje tusschen Corrie en haar broer, toen ’t maal bijna afgeloopen was. De heer Holmer had zijn bord en kopje achteruit geschoven, en was bezig zijn courant te lezen, naar allen schijn doof voor al wat hem omringde.
„Zeg, Corrie! Waarvoor doe-je dat?”
„Wat bedoel-je, Jo?”
„Wel, om de gelei daarginder te zetten? Ik zou zeggen dat je al moe genoeg moet zijn van ’t koffieschenken en al die dingen, en dat je je dus geen moeite hoeft te geven voor niemendal.”
„O, dat was zoo heel veel moeite niet om dien pot hier te zetten.”
„Neen—maar om ’m dan ook weer terug te geven, zie-je.”
Na dit op veelbeteekenenden toon geuite gezegde volgde er zulk een ongeduldig geritsel met de courant, dat Corrie een oogenblik wachtte, vóórdat ze, met gedempte stem en op gedwongen kalmen toon, antwoordde:
„O, natuurlijk zou ik den gelei-pot niet aan dezen kant van de tafel hebben gezet, als ik gedacht had dat die aan den anderen kant nog noodig kon zijn. Ik heb ’m niet verzet voordat ik zag dat je genoeg hadt gehad.”
„Voordat je dat zag?” zei Jo, terwijl hij heel ernstig zijn hoofd schudde. „Dan kan ik je zeggen, Corrie, dat je je totaal vergist hebt. Ik heb nog niet eens half genoeg gehad, en omdat ik de andere helft ook graag hebben wou, zal-je je de moeite moeten geven den pot nog even hier neer te zetten, waar hij gestaan heeft.”
Corrie schudde haar hoofd. „Onmogelijk. Die extra inspanning zou net ’t laatste stroohalmpje kunnen zijn, zie-je, waardoor mijn arm, die nu al zoo moe is, pijn zou gaan doen.”
„Goed,” zei Jo; „dan zal ik ’m zelf dienen te gaan halen; maar je hebt me gezegd dat oom ’t liever niet had dat ik van mijn stoel opstond als we aan tafel zitten.”
„Dat heeft hij ook niet,” zei Corrie, die eindelijk in ’t nauw gebracht werd en zich genoodzaakt voelde ronduit te spreken. „Er is volstrekt geen reden voor dat je nu zou opstaan, dan alleen om te gaan spelen, want je hebt overvloedig genoeg gelei gehad, eigenlijk al meer dan goed voor je is.”
„Neen, hoor eens, Corrie, dat is ’t nu juist waar je je in vergist,” bracht Jo hier op dringenden toon tegen in. „Ik heb nog altijd een bepaalde leegte binnen in me—en, je weet wel, oom heeft gezegd dat ik hier pleizier moest hebben.”
Daar kwam de ritselende courant naar beneden, en Oom sprong van zijn stoel op, met een nieuwe uitbarsting van gelach. „Jou lastige kleine woelwater, waarom kan je je ouden oom niet rustig zijn courant laten lezen, zeg?”
„’t Spijt me erg, Oom,” luidde ’t berouwvolle antwoord. „Maar ’t is ondeugend van Corrie, is ’t niet, dat ze me niet laat doen wat u me gezegd hebt?”
„Natuurlijk,” zei Oom, „bijna zoo ondeugend als dat ze zelf ongehoorzaam was. Maar omdat ik gezegd heb dat je hier plezier moest hebben, en je gehoorzaamheid aan die order blijkbaar in het eten van gelei schijnt te bestaan, wat zou je er nu van denken als we omtrent dat punt eens een afspraak maakten, terwijl Corrie je uit dien pot nog één lepeltje-vol geeft.”
’t Gezicht van Jo helderde op, en hij reikte zijn zuster zijn bord toe. „Flink zoo, Oom. U begrijpt me, dat merk ik wel—u is niet zoo krenterig als een meisje. Hè, Cor! je hadt dien langen straal wel op mijn bord kunnen laten vallen, in plaats van weer terug in den pot. Dat zou een man nooit gedaan hebben, dat weet ik zeker.”
„En een man zou er niet zooveel spijt van hebben als je ziek werdt,” zei Corrie, verwijtend. „Werkelijk, Oom, ik ben bang dat hij nog ziek zal worden, als u hem zoo overlaadt met lekkernijen. We leven thuis zoo eenvoudig.”
De heer Holmer trachtte een heel ernstig gezicht te zetten, en streek Corrie bemoedigend over ’t blonde haar.
„Kijk eens, kind-lief, je hoort wel dat Jo en ik een afspraak samen zullen maken, en omdat ik zeker weet dat we ons daar allebei aan zullen houden, hoef-je je, dunkt me, niet langer ongerust te maken. Je logeeren hier, Jo, zal, dat weet-je, nog elf dagen duren, als alles goed gaat; dus nu zal ik tegen de keukenmeid zeggen dat ze zes potjes gelei apart zet, die speciaal voor jou zijn bestemd—Corrie en ik zullen van een ander gebruik maken. Zoolang die zes potjes gelei niet op zijn, kan je hier blijven; je zult er heelenal de vrije beschikking over hebben, maar als ze op zijn, vóórdat de elf dagen om zijn, dan is ’t met logeeren hier ook uit.”
„’t Is te hopen waarlijk, dat ze dan nog niet op zullen zijn!” riep Corrie uit. „Meer dan een halve pot per dag!”
„En massa’s en massa’s andere lekkere dingen nog er bij,” zei Jo, met een zucht van tevredenheid.
„Jawel,” stemde de heer Holmer toe, „maar, je begrijpt, geen andere soort van gelei of jam, of zoo iets van dien aard.”
„O, neen. Natuurlijk niet,” antwoordde Jo, met een nadenkend gezicht. „Maar zes potten voor elf dagen—ik zal maken dat ik daarmee toekom. En, ziet u, dan zal ik er nog wel eens met de keukenmeid over spreken ook. Ze zal stellig wel groote voor me uitzoeken, als ze hoort dat ’t voor een pleiziertje moet dienen. Ze zei gisteren nog, dat een beetje pleizier maken en lekker eten wel eens goed was nu en dan, voor jongens die in hun groei zijn. Uw keukenmeid is aardiger dan die bij ons thuis, Oom Johan. Ze maakt ’t heelemaal goed dat u een meer waggelachtige tafel heeft!”
„Maar Johan, houd-je mond toch!” riep Corrie.
Oom Johan zei niets; hij was de kamer uitgegaan.
„’t Is wel aardig een oom te hebben, vind-je niet, Corrie?” zei Jo.
„Heel wat aardiger dan een zuster te hebben, geloof ik dat je denkt,” zei Corrie Holmer, met een halven zucht. En toen verliet ook zij de kamer, om te probeeren, vóór haar broertje, onder vier oogen een woordje te hebben met de al te gulhartige keukenmeid.
Corrie had zich niet zoo behoeven te haasten. Jo’s kleine krullebol was gedurende de laatste twintig minuten heelenal vervuld geweest van nog een andere gedachte, behalve die omtrent de lekkere dingen die hij bij zijn ontbijt kreeg; en, om hem recht te doen weervaren, moet gezegd worden, dat die andere gedachte voor hem verreweg de meest belangrijke geweest was van de twee. Hij zou zelfs zijn twee laatste boterhammen met gelei hebben opgeofferd, om zijn plan gauwer ten uitvoer te kunnen brengen, als hij kans had gezien zijn oom en zijn zuster vóór dien tijd uit den weg te krijgen.
Maar die nieuwe plannen van hem vereischen een nieuw hoofdstuk.