III.
„WAT NU WEER!”
’t Was in de eerste dagen van December. De heer en mevrouw Holmer waren uitgereden om den dag door te brengen bij een paar oude vrienden, die pas daar in de buurt waren komen wonen, en Corrie had afgesproken met een goede vriendin dat ze dien middag bij haar zou komen. Ze had toestemming gekregen Jo mee te brengen, daar ’t een Woensdag middag was; en ze stelde zich voor na ’t eten, dat ze dien dag heel vroeg te zamen hadden gebruikt, eerst nog een paar brieven te schrijven, vóórdat ze hem het pretje meedeelde, dat hem te wachten stond, want hij hield van de aardige, vroolijke Florence Elmslie bijna evenveel als Corrie zelf.
„Probeer je nu in huis maar eens een uurtje te amuseeren met ’t een of ander, hoor Jo,” zei ze, terwijl ze zich gereedmaakte de eetkamer te verlaten: „en als je goed oppast, dan wacht je voor de rest van den dag een heerlijk pretje.”
Jo’s oogen schitterden. Bijna elke halve vacantie-dag werd voor hem tot een soort van feest gemaakt, maar natuurlijk bestonden die pretjes gewoonlijk uit zaken van weinig beteekenis: toestemming om den tuinman bij ’t rooien van aardappelen te helpen, of om zijn vader van ’t station af te halen, en dan de leidsels te mogen vasthouden bij ’t naar huis rijden. Maar dit was blijkbaar iets van meer gewicht. Hij snelde naar zijn zuster toe, en greep haar bij den arm toen ze de kamer verliet.
„Bedoel je werkelijk iets heel, heel erg prettigs?” vroeg hij, met grooten ernst.
„Werkelijk iets heel, heel erg prettigs, als je goed oppast,” luidde ’t lachende antwoord; en toen ging Juffrouw Holmer heen om haar brieven te schrijven, terwijl haar broertje naar de eetkamer terugkeerde, waar hij gedurende eenige oogenblikken in gedachten verdiept bleef staan.
„Wees nu een zoete jongen vandaag, en maak ’t je zuster niet lastiger dan noodig is,” had zijn moeder gezegd, toen hij dien morgen naar school ging. En nu beloofde Corrie hem een belooning, als hij goed oppaste.
Alles bij elkaar was ’t bepaald de moeite waard nu eens te probeeren iets heel, heel prijzenwaardigs te doen. Als hij zich had neergezet met zijn verfdoos om prenten te kleuren, of hij was kalm wat in een verhaaltjes-boek gaan zitten lezen, dan zou zijn zuster hem een bijzonder zoete jongen hebben gevonden, aangenomen ten minste dat hij niet een boek van iemand anders had genomen om te kleuren, of een boek van iemand anders om vlekjes van vuile vingers in te maken. Maar deze manier van goed oppassen was niet voldoende om de verlangens van kleine Jo op dat oogenblik te bevredigen. Eindelijk viel hem een denkbeeld in. Een prachtig denkbeeld, vond hij.
„Ik ben er,” riep hij uit, terwijl hij een soort van oorlogsdans begon te dansen om de meid heen, die juist binnen was gekomen om de tafel af te nemen. „Ik ben er, Anne. Ik heb iets heel moois bedacht!”
Anne gaf hem een ongeduldig duwtje.
„Kom, Jo, laat me los; ik heb vandaag toch al zóóveel te doen, dat ik niet weet hoe ik ’t gedaan krijg.”
„Arme Anne,” zei Jo, op een toon van medelijden. „Maar je krijgt de volgende week een vrijen dag, hoor, dat heb ik mama hooren zeggen.”
En na ’t uiten van die vertrouwelijke mededeeling snelde Jo de gang door en draaide den deurknop om van een groote kamer aan ’t eind. ’t Volgende oogenblik stond hij binnen, met de deur achter zich dicht. ’t Was geen kamer waar hij zich in den regel heel veel om bekommerde, want ’t was zijn vader’s bibliotheek; en de eikenhouten paneelen, de lange rijen boeken, de zware meubelen, dat alles te zamen maakte een indruk van ontzagwekkendheid, dat voor vriend Jo altijd eenigszins drukkend was. Bovendien had hij een vrij duidelijk besef, dat de levenmakerijen en rumoerige grappen, die elders met geduld werden verdragen, binnen die geleerde muren niet zouden worden toegestaan.
Maar dien dag was ’t Jo’s wensch eens buitengewoon ijverig te zijn en goed op te passen, en zijn ijver en oppassendheid aan te wenden in den dienst van anderen. Met dat doel voor oogen had hij zich naar de bibliotheek begeven. Had Corrie maar geweten waar hij was, dan zou ze stellig niet zoo rustig zijn voortgegaan met ’t schrijven van haar brieven!
’t Eerste werk van Jo was naar zijn vader’s schrijftafel te gaan en een vel postpapier, van ’t grootste formaat dat hij vinden kon, daarop uit te spreiden; daarna doopte hij een pen héél diep in den inktkoker, en schreef op ’t papier, in groote, ronde letters, met eenige inktvlekken als versiering er tusschen in, het woord
„Kaataalooges.”
Tot zoover ging alles best, naar Jo’s meening althans. „Wat zal papa dát prettig vinden,” mompelde hij, met een stralend gezicht. „Hij heeft al zoo dikwijls gezegd dat hij er graag een wou hebben.”
’t Was waar, papa hád meer dan eens gezegd dat hij toch eens een catalogus moest laten opmaken van zijn boeken. Maar hij zou er heel wat liever nimmer een hebben bezeten, dan aan de handen van zijn zoontje dat werk toe te vertrouwen. Dit feit was echter aan Jo onbekend; en ’t gevoel van onbegrensde voldoening, dat hem in ’t eerstvolgende uur bezielde, bewees dat hij er niets van vermoedde.
„Eerst al de A’s, en dan al de B’s, en zoo verder,” zei Jo, met een heel zwaarwichtig gezicht. „Dus nu eerst maar al de A’s voor den dag gehaald!”
Een half dozijn boeken werden uit de kast getrokken en op een stoel gelegd, die er voor was klaargezet. Er was geen enkele A bij te vinden. Weer een half dozijn, met ’t zelfde resultaat. Jo wachtte een oogenblik.
„Stil, ik weet wat. Ik ga er eerst een heelen troep tegelijk uithalen en ze hier ergens neerleggen, dan kan ik daarna naar de letters kijken.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Aan dat prachtige denkbeeld werd onmiddellijk uitvoering gegeven. Vriend Jo zette ’t kleine trapleertje voor de kast, klom er op en begon zooveel boeken te grijpen als hij maar grijpen kon. Bij de onderste planken ging dat tamelijk goed, maar toen hij eenige van de hooger staande boeken wegpakte, tuimelden er een stuk of wat naar beneden, op minder zachte manier dan wel gewenscht was.
„Maar och,” zooals Jo wijsgeerig opmerkte, „wat hinderden een paar losgeraakte omslagen, of een gescheurde bladzijde hier of daar, op zóó’n groote massa boeken?” Hij schrikte een beetje, toen een groote verraderlijke inktvlek juist op het titelblad viel van een in fluweel gebonden deel, dat hij naar de tafel had gedragen om er den naam van op te schrijven. Maar zelfs die opwelling van onrust verdween aanstonds bij de gedachte: „Als een ander dat werk had gedaan, ’t maken van zoo’n kaataalooges, dan zou hij toch ook wel een beetje met inkt hebben gemorst.”
’t Is bepaald verwonderlijk welk een grenzenlooze wanorde een sterke, ijverige jongen binnen den tijd van anderhalf uur in een kamer maken kan. Niemand zou ’t kunnen gelooven, die er nooit de proef van had zien nemen. Zelfs Corrie Holmer zou ’t niet hebben geloofd voordat ze ’t zelf ontdekte, en toch was zij wel eenigszins op de hoogte van ’tgeen een jongen op dat gebied kan uitrichten.
Juffrouw Holmer had heel wat te schrijven, o. a. lagen er een paar lange brieven van vroegere schoolvriendinnen vóór haar, waarvan ’t beantwoorden nog al wat tijd kostte. En daar Florence Elmslie hen niet voor vier uur wachtte, en Jo in een ongewoon rustige stemming scheen te verkeeren, bleef Juffrouw Holmer langer doorschrijven dan haar plan was geweest, totdat er eindelijk een heel stapeltje brieven naast haar gereed lag, die ze straks, als ze uitging, op de post wilde doen.
Eindelijk stond ze op, en terwijl ze even met haar hand over haar vermoeide oogen streek, kwam er voor de eerste maal een lichte zweem van ongerustheid in haar op, betreffende ’t ongewone feit, dat haar jeugdige broer zich in geen tijden had laten zien of hooren. Na haastig haar schrijfcassette te hebben gesloten, liep ze naar de zitkamer en riep:
„Johan—zeg, Jo—waar ben-je? Ik wou je iets vertellen. Waar ben-je, Jo?” en toen liep ze de trap op, waar ze haar geroep herhaalde.
Maar waar hij dan ook wezen mocht, er volgde geen antwoord. De lichte zweem van ongerustheid werd aanmerkelijk grooter.
„Anne, kan je me ook zeggen waar Jo is?”
„Neen, juffrouw, ik heb hem in ’t geheel niet meer gezien sinds hij uit de eetkamer wegliep, terwijl ik de tafel afnam, en dat is heel wat langer dan een uur geleden.”
Corrie’s ongerustheid werd hoe langer hoe grooter. Tot heel boven in huis liep ze om haar broertje te zoeken, maar te vergeefs. Toen snelde ze den tuin in, tot aan den vijver aan ’t eind, waar hij een half jaar geleden bijna verdronken was. Haar hart hield op te kloppen, toen ze zag dat er een dun laagje ijs bovenop lag. Maar ’t volgende oogenblik voelde ze zich al gerustgesteld, want de ijslaag was te dun om zelfs zijn op waaghalzerijen belusten geest in verzoeking te brengen. Bovendien was het ijs volkomen gaaf en heel, en de eerste aanraking van zijn voet zou ’t hebben doen breken, en tevens het feit hebben verraden.
Intusschen ging Jo, zonder aan den tijd te denken, zonder zelfs meer te denken aan ’t beloofde pretje, ter wille waarvan hij zoo druk bezig was, vol belangstelling en ijver voort met zijn arbeid. Terwijl hij allerlei boeken, door elkaar, van de verschillende planken en uit verschillende gedeelten van de kamer weghaalde, had hij een prachtig plan verzonnen. Hij had nu stapels A’s en B’s gevonden, en had één of twee titels opgeschreven. Maar over ’t geheel had hij zich tevreden gesteld met verschillende stapels te maken van deelen, waarvan de titels met denzelfden letter begonnen, omdat hij tot ’t besluit was gekomen, dat ’t opschrijven zelf maar liever door iemand anders moest worden gedaan, die van ’t hanteeren van stalen pennen meer handigheid had dan hij. De iemand anders, aan wie hij dacht, was thans heel dicht in zijn nabijheid.
Nadat ze haar broertje gezocht had, op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen die ze kon bedenken, richtte Corrie eindelijk, met looden schoenen en een angstig hart, haar schreden naar de bibliotheek. Ze begon zich langzamerhand op een treurige manier overtuigd te voelen, dat ze hem niet zoo lang aan zijn eigen lot had moeten overlaten. Ze draaide den deurknop van de bibliotheek om met bevende hand, nauwlijks zelf wetende of ze hem daar hoopte te vinden of niet. Was hij daar niet, dan moest hij met schoolkameraadjes zijn weggeloopen, en stellig en zeker zou hij dan iets ondeugends hebben uitgevoerd, ja, misschien op de een of andere manier zich in gevaar hebben gebracht, op dien korten, donkeren wintermiddag. Maar als hij wèl in de bibliotheek was, ook dan moest hij, dat was ontwijfelbaar zeker, iets ondeugends hebben uitgevoerd, want hij kon zich in die kamer nauwelijks bewegen zonder op de een of andere manier wanorde aan te richten.
Nog één oogenblik, zelfs terwijl haar vingers den knop al omsloten, bleef ze wachten. Toen deed ze de deur open, en bleef, sprakeloos van ontsteltenis, staan.
Van uit een dichte stofwolk, die in de kamer hing en Corrie’s oogen verduisterde, klonk haar een juichkreet te gemoet. „O! Cor, ben-jij daar? Dat doet me plezier. Ik had je net willen komen halen. Ik heb er al zoo’n massa bij mekaar die je op kunt schrijven. Kom gauw hier!”
Corrie kwam, over allerlei voorwerpen strompelend en struikelend, als liep ze over een pas beploegd veld. Ze kwam tot in ’t midden van de kamer, waar Jo, van ’t hoofd tot de voeten met stof bedekt, op den grond geknield lag en steeds meer boeken opstapelde. Ze keek hem één oogenblik aan; daarna wierp ze een blik door de kamer, op de volgeladen tafels en stoelen, de half leeggehaalde kasten, en den geheel met boeken overdekten vloer; toen keek ze Jo weer aan, en toen liet ook zij zich, tot zijn grenzenlooze verbazing en schrik, op den grond neerzinken en barstte ze in tranen uit.
Jo liet het boek vallen dat hij in de hand hield, en liep, met een heel verschrikt gezicht, naar haar toe, daarbij een paar hooge stapels boeken omvergooiende, die hem in den weg stonden.
„O, Corrie, wat is er? Ben-je ziek? Toe, zeg ’t me, wat is er?”
En terwijl hij bij haar neerknielde, trachtte hij zijn armen om haar hals te slaan; maar Corrie weerde hem af.
„Ga weg, Jo, ga weg,” snikte ze. „Och, och, ondeugende jongen, had ik je toch maar niet alleen gelaten!”
Met een blos van verontwaardiging op ’t gelaat sprong Jo overeind.
„Maar, Cor, wat bedoel-je? Ik heb vandaag nu toch niets ondeugends gedaan; ik heb zoo hard gewerkt als een man, alleen maar om papa met iets plezier te doen.”
Nu sprong ook Corrie overeind.
„Plezier te doen!” riep ze uit. „Bedoel je dat je papa hiermee plezier hadt willen doen!”
Met een gebaar van verontwaardiging en wanhoop sloeg ze haar beide handen uit naar al de vier hoeken van de kamer, en Jo, die zich omkeerde evenals zijn zuster, nam voor de eerste maal het geheele tooneel van verwarring in zich op. De uitdrukking van zelfvertrouwen verdween van zijn gezicht, en maakte plaats voor een uitdrukking van de diepste verslagenheid.
„Ik wist niet dat ik zóó’n ergen rommel had gemaakt,” zei hij eindelijk. „Maar—zie-je, Cor, zoo heel veel tijd heb ik er niet voor noodig gehad, dus zal ’t ook wel weer gauw in orde te krijgen zijn, vooral als jij me wilt helpen.”
„Helpen,” herhaalde Corrie werktuigelijk. Ze was weer op den vloer gaan zitten en bekeek een der hoopen boeken, die door Jo’s voeten zoo pas door elkaar waren gegooid.
„Neen maar, kijk toch eens, de rug van dat mooie boek is heelenal kapot, en ’t titelblad zit vol vlekken van vuile vingers. Och, och, wat moeten we toch beginnen?”
Jo gaf een practisch antwoord op die vraag.
„De boeken weer op z’n plaats zetten, zou ik zeggen,” zei hij, met een diepen zucht. „Ik zou wel graag eens weten, Cor, wat dat voor een pretje was, dat je me hadt beloofd?”
Door haar schrik over den toestand van haar vader’s bibliotheek, had Corrie haar afspraak voor dien middag heelenal vergeten.
„O ja!” zei ze, toen ze er op die wijze door Jo aan werd herinnerd. „Ik weet niet of ik ’t je kan toevertrouwen om even naar Florence Elmslie te loopen, en haar te zeggen dat we vandaag niet kunnen komen; ze wachtte ons om bij haar thee te drinken.”
„O—o—o!” riep Jo uit, met een héél lang gezicht, en op een toon van groote teleurstelling.
Nu wist hij welk pretje ’t was, waarvoor hij met zulk een verkeerd toegepasten ijver aan ’t werk was geweest, en hij wist ook—gedurende de laatste vijf minuten had hij dit al duidelijker en duidelijker ingezien—dat er voor hem en zijn zuster dien dag geen tijd zou overblijven om uit te gaan, als gevolg van ’t geen hij in het laatste uur had uitgericht.
„Kunnen de meiden”—begon hij. Maar hij bleef midden in die vraag steken, omdat hij dadelijk het onnoodige er van inzag.
De keuken- en de werkmeid, die zusters waren, hadden een halven vacantie-dag gekregen en waren dus uit, en het half volleerde dagmeisje, Anne, was tot nog toe nooit in haar meester’s bibliotheek toegelaten, zelfs niet om er te vegen of te stoffen, veel minder om een van de boeken in handen te nemen.
„Wat was je toch van plan met die boeken te gaan uitvoeren—er een vuurtje van te stoken?” vroeg Corrie eindelijk, met een zwakke poging om op haar gelaat een glimlach te voorschijn te roepen.
Maar Jo voelde volstrekt geen neiging om ook te glimlachen, toen hij antwoordde:
„Ik heb je al gezegd, Corrie, dat ik een kaataalooges wou maken voor papa. Papa heeft gisteren nog tegen mama gezegd dat hij er zoo graag een wou hebben.”
Terwijl hij praatte, sloeg ’t vier uur. Corrie nam haar door en door vuil broertje bij de hand en bracht hem naar de keuken; en toen ze hem daar voldoende had gewasschen en afgeschuierd, om op straat te kunnen loopen, zonder de aandacht te trekken van al de andere vuile en zindelijke jongetjes in de stad, zond ze hem naar de Elmslies. Daarna keerde ze, in gezelschap van de, door ’t gebeurde zeer verschrikte Anne, en gewapend met een heele armvol stofdoeken, naar de in wanorde gebrachte bibliotheek terug.
„Maar, juffrouw, juffrouw!” riep Anne uit, toen ze de kamer, waarin ze nog nooit een voet had mogen zetten, binnentraden. „Och, och, wat zal menheer daar wel van zeggen? Zoo’n jongen is toch nooit alleen vertrouwd, juffrouw!”
„Neen, dat is hij niet,” zuchtte Corrie, terwijl ze de boeken begon op te rapen, en pogingen begon aan te wenden om weer eenige orde in den chaos te brengen.