II.
HET METEN VAN GOTEN.
„Niet dat ik nu zooveel geef, dat weet je wel, Corrie—zoo echt en echt veel geef—om sprookjes; maar dat was toch nog al een slimme kleine jongen, vind ik, waar je van verteld hebt. Ik wou dat ik ’t het eerst had bedacht, dat plan van hem.”
„Welk plan?” vroeg Corrie, eenigszins verbaasd.
Maar vóórdat Jo die vraag kon beantwoorden, deed de stem van Mevrouw Holmer, die aan de tafel zat te schrijven, zich hooren.
„Kom, Jo,” riep ze, met een blik op de pendule. „’t Is meer dan tijd voor je. Als je je niet haast, zal je nog te laat op school komen, jongen.”
Jo vloog heen, en Corrie’s oogen richtten zich weer op de bijna afgebreide kous, die voor haar broertje was bestemd. Maar op haar gezicht stond nog een uitdrukking van verwondering te lezen, en telkens en telkens weer probeerde ze voor zichzelf de vraag te beantwoorden, die ze aan Jo had gedaan, wat hij toch bedoelde omtrent ’t plan van dien kleinen jongen.
Terwijl Jo boven was geweest om zijn handen te wasschen en zijn haar te borstelen, had Corrie een deel van de sprookjes van Andersen opgenomen en de bladzijden doorloopen om een geschikt verhaaltje te bedenken. Maar ze had een beetje hoofdpijn, en haar verbeeldingskracht liet haar dezen keer heel en al in den steek. Haar broertje kwam terug, vóórdat ze iets had kunnen bedenken dat hem kon amuseeren, en ’t was in den tusschentijd al vrij laat geworden.
„Zeg eens, Jo,” waagde ze eindelijk voor te stellen, „als ik je nu eens een van de sprookjes uit dit boek voorlas, totdat de etensbel luidt, en als ik dan na het eten eens probeerde je iets uit mijn hoofd te vertellen, hoe zou je dat vinden?”
„’t Is goed,” luidde ’t antwoord van den jeugdigen gebieder, „voor dezen eenen keer kan ’t wel; maar dan moet je er op rekenen dat ik voor een anderen keer een echt, mooi verhaal van je te goed heb, hoor! Lees maar op!”
En met den blonden krullebol op haar knie geleund, begon Juffrouw Holmer heel gehoorzaam „op te lezen”, ’t eerste ’t beste stuk uit het boek, dat zich toevallig voordeed. ’t Was het verhaal van den Vlierboom. Een kleine jongen krijgt natte voeten, door ’t loopen in een goot, hij vat kou, wordt naar bed gebracht, zijn moeder geeft hem warme vlierthee te drinken, en een oude vriend van de familie komt bij zijn bed zitten en vertelt hem verhaaltjes, totdat hij in slaap valt; en daarna droomt hij voor zichzelf verhalen, die nog vreemder en wonderlijker zijn dan wat ze hem hebben verteld.
„Een volkomen onschadelijk verhaaltje,” mompelde Corrie, op nadenkenden toon; „er is heelemaal niets in, dat Jo op de gedachte zou kunnen brengen van iets ondeugends.”
Maar hoewel Juffrouw Holmer dit in den loop van den namiddag telkens en telkens weer tot zichzelf zei, voelde ze zich toch door onrustige gedachten geplaagd, als in haar ooren de echo weerklonk van de woorden: „Dat was wel een slimme kleine jongen. Ik wou dat ik ’t het eerst had bedacht, dat plan van hem.”
In den regel hield Jo zich niet veel op met ’t maken van plannen, dan alleen in die gevallen dat ze met ’t een of ander kattekwaad in verband stonden. Toen hij na ’t eten boven was gekomen, had hij aan zijn zuster meegedeeld dat ze wel met ’t sprookje kon doorgaan, omdat ’t hem zóóveel te denken had gegeven, dat hij geen ruimte meer in zijn hoofd had voor nieuwe gedachten. Maar Corrie had die mededeeling op rekening gesteld van zijn belangstelling in de reisavonturen, door den koning der sprookjes-schrijvers te boek gesteld. Om de waarheid te zeggen, had Jo daar nauwlijks naar geluisterd.
Tegen vier uur was de kous af, en Corrie legde haar breinaalden neer en nam op nieuw het sprookjesboek op.
„Ik zou denken dat Jo ’t plassen in de goot in zijn hoofd moet hebben gehad,” mompelde ze, met een angstig voorgevoel, nadat ze ’t heele verhaal nog eens had doorloopen, zonder één ander punt te vinden, waarbij van ondeugendheid sprake was. „Maar hij sprak van een plan, en ik zie in dat loopen door de goot niets, dat hem op de gedachte van een of ander plan kan hebben gebracht.”
’t Bleek intusschen dat de opinies van broer en zuster dienaangaande volstrekt niet overeenstemden.
Corrie legde ’t boek weer neer en liep naar het raam. Ze had daar nauwelijks twee minuten gestaan, eenigszins afgetrokken starende in den tuin en over de velden in de verte, of die afgetrokken uitdrukking veranderde plotseling in een uitdrukking van verbazing en schrik.
„Dus was ’t toch de goot!” riep ze hardop uit, terwijl ze van ’t raam wegliep en de kamer uitvloog.
Mevrouw Holmer, die op de canapé zat te lezen, liet, door dien uitroep nu op haar beurt verschrikt, haar boek vallen, en snelde naar het raam, waar haar dochter zooeven van was weggeloopen. En al gauw genoeg begreep ze Corrie’s haast en opgewondenheid.
„Och! Och!” riep ze uit, niet recht wetende of ze moest schreien of lachen. „Wat moeten we toch met zoo’n jongen beginnen?”
De heer en mevrouw Holmer en hun oudste dochter hadden een dergelijken uitroep al menigmaal doen hooren. En op dit oogenblik althans bestond tot ’t slaken van zulk een uitroep alle mogelijke reden. ’t Jongetje, dat daar op dien killen November-middag door den tuin naderde, zonder schoenen of kousen, van ’t hoofd tot de voeten één massa druipende modder, leverde waarlijk al een heel weinig fraaie vertooning op. En toch was er iets in zijn manier van loopen, en in de houding van den blonden krullebol, dat van triomf getuigde, zelfs vóórdat de schelle jongensstem den uitroep deed hooren:
„O, Corrie! Je raadt nooit wat ik gedaan heb!”
„Daar hoef ik niet naar te raden, jou vuile, morsige kleine vagebond,” viel zijn zuster, op verontwaardigden toon, in. „Je hebt van alles gedaan wat je niet hadt mogen doen, zou ik zeggen. En,” dit werd er op zachter toon bijgevoegd, „ik denk dat je morgen zóó verkouden zult zijn als een kleine jongen maar met mogelijkheid wezen kan.”
„Dat ’s niks,” luidde ’t wijsgeerige antwoord. „Ik heb vandaag zóóveel pret gehad, dat ’t me niet zoo erg veel schelen kan wat er morgen gebeurt. Ik heb de diepte geprobeerd van elke goot aan dezen kant van de stad. Fred Mackenzie heeft ook een heelen tijd meegedaan, maar toen ik in een er van uitgleed, zei hij dat ik er te vuil uitzag om met me te loopen, en toen ging hij naar huis. Ik begin hem toch wel een beetje een flauwe jongen te vinden, jij ook niet?”
„Neen, zeker niet,” zei Corrie, terwijl ze de hand van haar broertje, modderig en wel, vastgreep, en hem gauw mee naar binnen trok.
De proefnemingen van vriend Jo hadden hem wel eenigszins koud en huiverig gemaakt, zoodat hij zich vrij geduldig aan de behandeling onderwierp, die door zijn moeder, dadelijk toen hij in huis kwam, werd voorgeschreven—onmiddellijk een warm bad, en daarna naar bed.
„En dan komt Corrie bij me zitten totdat ze gaat eten; dan kan ze me dat verhaaltje vertellen, dat ik nog te goed heb,” aldus vulde de kleine schuldige het programma aan, zonder zich door zijn misdaden eenigszins uit ’t veld geslagen te voelen.
„Maar ik vind dat Corrie toch niet zeggen mag dat ’t iets héél ondeugends was, vindt u wel, Pa?” vroeg Jo, op een toon van diepe overtuiging, toen zijn vader een uur later boven kwam, om eens naar den kleinen lastpost der familie te kijken.
„U hebt zelf zoo dikwijls tegen me gezegd, Pa, dat we, zelfs als we spelen, flink moeten zijn en ons best moeten doen; en wat ik wou weten van die goten vond ik zoo’n prettig spel als ik in lang niet heb gehad, en daarom deed ik er zoo mijn best bij als ik maar kon.”
„Dat schijnt wel,” zei zijn vader, en toen barstte hij in lachen uit. Hij was naar boven gegaan om zijn zoon een ernstige vermaning toe te dienen, maar hoe was ’t hem mogelijk een jongen te beknorren, die nog lof verwachtte voor zijn betoon van gehoorzaamheid, zelfs nu hij zichzelf en zijn kleeren een modderbad had doen ondergaan?
„Maar wat was eigenlijk de aardigheid van ’t spelletje?” vroeg Mevrouw Holmer. „Want ik moet bekennen dat ik de zaak nog niet recht begrijp.”
„Ja,” voegde Corrie er bij, „en hoe liep je zoo zonder schoenen en kousen?”
Hier kwam zijn moeder hem te hulp. „Och, zie je, Corrie, dát begrijp ik nu wel. Natuurlijk heeft hij die uitgetrokken om ze niet nat te laten worden.”
„Maar ze zitten tóch vol modder,” bracht Corrie tegen deze opvatting van de zaak in.
„Natuurlijk zitten ze vol modder,” riep Jo, weer verontwaardigd, uit. „Och, ik merk wel dat niemand de manier waarop ik ’t gedaan heb begrijpt. ’t Was alleen maar jammer dat die kleine jongen uit ’t sprookjesboek ’t plan had uitgevonden, want papa zei laatst dat er niet veel knapheid voor noodig is om een uitvinding, die eenmaal gedaan is, nog een beetje te verbeteren. Hij bedacht ’t plan om met zijn schoenen te meten hoe diep de goot was, en ik meette met mijn schoenen en mijn kousen en mijn eigen beenen. Eerst meette ik met mijn schoenen, en toen ik aan een goot kwam, die daar te diep voor was, trok ik ze uit en meette alleen met mijn kousen aan. En toen ik aan de goot kwam bij den hoek, die groote steenen, je weet wel, toen kwam ’t water tot boven mijn kousen, dus toen trok ik ze uit en merkte met krijt een streep op mijn been, en toen gleed ik over iets uit en ik viel er in; dus van dat merk kon je niks meer zien, en toen ik er daarna nog twee had geprobeerd, ben ik naar huis gegaan. Maar de merken zitten nog op een van mijn schoenen en op een van mijn kousen; en de steenen goot is de diepste, en daarop volgt die bij de brug, en de goot in die zijstraat, hier achter, is de vuilste.”
„En de jongen, die Jo Holmer heet, is de kluchtigste,” zei zijn vader lachend, „en de domste er bij; en ik hoop dat hij een volgenden keer, als hij goten wil meten, zoo slim zal wezen ’t te doen met een stok, in plaats van met zichzelf, anders zou hij kans loopen den stok eens op zijn rug te voelen, om hem er aan te herinneren.”
„Hé! Daar heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, aan een stok!” riep Jo, met nieuwe opgewondenheid, uit. „Hoe dom van me! ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht!”
„Denk er dan nu, in vredesnaam, ook maar niet meer aan,” zei zijn moeder haastig, terwijl een visioen van nieuwe proefnemingen in den modder, met verkoudheden tot slot, in haar geest oprees.
Maar de heer Holmer ging naar beneden om te eten, met een glimlach op ’t gelaat. Zijn jongste kind was bepaald een heel lastige jongen; maar ’t leek zoo’n vroolijk, door en door eerlijk kereltje, zooals hij daar, met verwarden krullebol en frissche roode wangen, in bed overeind zat. Wat hij ook deed, hij deed ’t in ’t volle daglicht.
Mevrouw Holmer bleef een oogenblik achter om haar jongen nog eens goed in te stoppen en hem, met een kus, een paar vriendelijke woorden toe te fluisteren. Corrie bleef nog een oogenblik langer, nadat haar mama al was heengegaan. Ook zij bukte zich om het blozende jongensgezichtje een kus te geven, maar ze deed ’t heel bedaard en zonder een woord te zeggen, en toen keerde ze zich om, om de kamer uit te gaan.
In ’t volgende oogenblik, zonder zich om ingestopte dekens en voorschriften om zich warm te houden te bekommeren, was Jo opgesprongen en had hij zijn armen om zijn zuster’s hals geslagen.
„Corrie, zeg eens, je bent toch niet boos, echt boos op me? Je vindt toch niet dat ik héél erg ondeugend ben geweest, is ’t wel?”
Er klonk oprechte ernst in den toon waarop die vraag werd gedaan, oprecht, onrustig verlangen naar een antwoord. Wat kon Corrie zeggen? Ze aarzelde een oogenblik. Ze wist zelf nauwlijks of ’t héél erg ondeugend was goten te meten en modderbaden te nemen, en onder de oogen van alle mogelijke fatsoenlijke menschen op bloote voeten naar huis te loopen. Eindelijk gaf ze hem een tweeden kus en zei: „Toe, doe ’t niet meer, kleine vent; je zou er ziek van kunnen worden; en als je nu je best doet om morgen niet verkouden te zijn, dan zal ik je een mooi verhaaltje vertellen.” Toen stopte ze, op haar beurt, hem flink toe, terwijl ze hem influisterde: „Slaap lekker, beste jongen,” en toen ging ook zij naar beneden om te eten. Jo deed zijn oogen dicht en sliep weldra als een roos.