Chapter 10 of 17 · 3992 words · ~20 min read

Part 10

’t Was een ruime winkel met slechts éen breed raam, maar als men er voor stond kon men duidelijk bespeuren, dat Mozes in alle zaken handelde; want wat daar al niet in bonte wanorde door elkander voor de glazen lag, is schier niet te gelooven. Rudolf zag daar onder andere ook eenige zilveren en gouden horloges liggen. Met een kloppend hart stapte hij den stoep op, deed de onderdeur, waarvan de bovendeur wijd aan stond, open en trad, terwijl een veerschel een vreeselijk gelui aanhief, het met blauwe tegels bevloerde voorhuis binnen. Van de helder-lichte straat zoo op eens in het betrekkelijk donkere voorhuis komende, kon hij geen hand voor de oogen zien, toen een schelle stem, die van achter de toonbank scheen te komen, hem, zoodra de voorschel had opgehouden te luiden, tamelijk onbeleefd toeriep:

„Wat mot je? Verkoopen of beleenen?”

„Beleenen,” antwoordde Rudolf, die nu eerst een mageren, tamelijk haveloozen jongen van een jaar of zestien achter de toonbank zag zitten.

„Ga dan het trapje maar op, die dubbele deur door; daar is de patroon,” antwoordde de knaap, op een knop drukkende, waardoor een schel op de opkamer werd gehoord. De porte-brisée was voor de helft van kleine ruiten voorzien, die met groen gaas bespannen waren, zoodat men er doorheen kon zien. Nauwelijks stond hij op de bovenste trede, of de deur werd van binnen opengetrokken en hij bevond zich in een donker, smerig vertrek, van een groot raam voorzien. Aan de wanden waren kasten en laden. Vóor het raam zat aan een lessenaar de eigenaar van den winkel, Mozes Zadok, een man van in de zestig jaar, met grijze lokken, een paar listige oogen en een sluwen glimlach om den mond. Zijn magere gestalte was in een soort van tabbaard of kamerjapon gehuld en op ’t hoofd had hij een zwartfluweelen kalotje.

„Waarschijnlijk de jongeheer, die van wege meneer Zalmvoort komt,” zei Mozes sluw en nederig. „Kom nader, jongmensch.”

„Ik kom in ’t geheel niet van wege Gerrit Zalmvoort,” antwoordde Rudolf trotsch. „Ik kom voor mijn eigen zaken.”

„Nu, ja, zoo meende ik ’t ook niet,” antwoordde Mozes. „Ik meende, de jongeheer, die door meneer Zalmvoort aan me gerecommandeerd is.”

„Niemand behoefde mij aan u te recommandeeren,” hervatte Rudolf. „’t Schijnt echter, dat Gerrit Zalmvoort bijzondere connectiën met u onderhoudt, daar hij u vooraf van mijn komst onderricht heeft.”

„Alles in mijn voordeel, beste jongeheer,” antwoordde Mozes. „Wij arme lieden zijn zoo dikwijls de dupes van ’t bedrog van vreemden, dat we blij zijn, als iemand ons een fatsoenlijk mensch recommandeert, die ons niet bedriegt, zooals met die vreemden dikwerf het geval is.”

Rudolf, hoe onbekend hij ook met de wereld was, begreep zeer goed, dat Mozes Zadok er de man niet naar was, om zich te laten beetnemen en wist niet, wat hij er van maken moest dat Gerrit aan Mozes vooraf van zijn komst bericht had gegeven. Hij bleef daar echter niet lang over denken, maar haalde zijn horloge voor den dag en zeide:

„Ik wou op dit horloge dertig gulden te leen hebben. ’t Zal waarschijnlijk slechts voor weinige dagen zijn, dat ik het geld noodig heb.”

Zadok nam ’t horloge aan, bekeek het, woog het op de hand en zeide minachtend:

„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard—uit de mode.”

„’t Heeft pa toch geld genoeg gekost,” zei Rudolf.

„Wel mogelijk. Een twintig, dertig jaren geleden misschien.”

„En rekent u de juweelen dan niet waarmee ’t bezet is?”

„Als die er niet op waren gaf ik er geen drie gulden op pand voor,” antwoordde Zadok.

„En dan de gouden ketting?” vroeg Rudolf.

„Nu, weet je wat: omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd ben, zal ik er je dertig gulden op voorschieten—anders kreeg je er niet meer dan twintig, zoowaar ik Mozes Zadok heet. Hier is ’t geld. Je naam is...”

„Rudolf Nederhorst.”

„Nu meneer Nederhorst,” ging Zadok voort. „Teeken nu dat kleine papiertje, waarbij je bekent, dat je me dertig gulden schuldig bent. Je kunt het aan kleine payementen af doen, als je wilt. Hier heb je van mij het bewijs, dat je me een gouden horloge verpand hebt.”

Rudolf teekende het briefje en ontving het bewijs. Met een verruimd hart ging hij de deur uit, nam weder den weg, waar hij de minste kans had van door bekenden gezien te worden en kwam zoo aan ’t station, waar hij nog eenigen tijd op ’t vertrek van den trein moest wachten.

Wie dien morgen in de wachtkamer derde klasse had gekeken zou daar een in rouw gekleeden, ongeveer zestienjarigen knaap hebben zien zitten, op wiens bleek gelaat de sporen van angst te lezen waren en die zijn oogen meestal strak op den grond gevestigd hield. Hij zou misschien medelijden met hem gekoesterd en gemeend hebben, dat hij voor zijn vervolgers vluchtte. Maar wie in de ziel van dien knaap had kunnen lezen, zou daarin reeds de eerste zaden van innig berouw hebben gevonden over een daad, wier afschuwelijkheid hij, nu ze bedreven was, eerst in al haar laagheid zag. ’t Had weinig gescheeld, of diezelfde knaap had zich naar de Keizersgracht begeven, had daar aan ’t huis van den rijken meneer Walburg gescheld, was zijn oom te voeten gevallen, had hem alles bekend en gesmeekt, met hem naar Mozes Zadok te gaan om ’t horloge van meneer Walburgs overleden zuster voor ’t ontvangen geld terug te eischen. O, had hij ’t gedaan—hij zou zich zelf en zijn brave zuster vrij wat verdriet bespaard hebben. Maar valsche schaamte deed hem daar in de wachtkamer toeven, valsche schaamte deed hem ’t eenige redmiddel verwerpen—daar ging de bel... Rudolf spoedde zich in den trein, de conducteur knipte ’t retourkaartje, sloeg ’t portier toe... daar klonk nog even de bel, de fluitjes der conducteurs lieten zich hooren, en met hijgend geluid voerde de locomotief hem weg van de plaats, waar hij ’t verraad aan zijn zuster gepleegd had.

NEGENDE HOOFDSTUK.

LENTEKNOPPEN.

Het wordt tijd, dat we naar die zuster terugkeeren, welke we ’t laatst ontmoetten, toen ze den draad van het voor Rudolfs ziekte begonnen verhaaltje weder opvatte. Maar ’t wou niet lukken. Ze was het vroeger door haar geweven verband kwijtgeraakt, en zag er geen kans op de los daar neder geschreven, schetsachtige aanteekeningen weer zoo juist bij elkander te brengen. Ze begreep, dat het een mislukte arbeid zou worden, nam een kort en moedig besluit en scheurde al wat ze geschreven had aan stukken. Nu zette ze een nieuw plannetje op het touw, veel eenvoudiger in verbinding en ontwikkeling, schreef haar schets op, verdeelde haar hoofdstukken en begon te schrijven. Zoo wonder wel gelukte haar dit, dat ze menigen avond een uurtje langer opbleef, om een of ander hoofdstuk af te werken, en ’t was dan ook spoedig gereed. Nu schreef zij een brief aan meneer Radinus, pakte het in en schreef het adres van den redacteur van het Tijdschrift nogmaals op ’t pakket.

„Breng dat even naar dokter Faminga, Trui,” zei ze.

„Heel goed, juffrouw,” antwoordde de meid. „U hebt al lang geen pakjes naar den goeden dokter gestuurd. Hij zal wel gedacht hebben dat u dood was.”

„Die pakjes zijn niet voor hem, Trui,” antwoordde Helène. „Ik zou niet graag een pakje voor hem sturen; want pa mocht er eens achterkomen. Hij bezorgt ze slechts aan hun adres.”

„Zoo,” zei Trui droog, en ze snelde heen, om het pakje te bezorgen. Het duurde niet lang, of Helène kreeg een antwoord van meneer Radinus, een antwoord, dat menig ander voor goed uit het veld geslagen zou hebben, doch haar juist aanspoorde, om andermaal haar krachten te beproeven. Dat antwoord, hetwelk met de terugzending van haar copie vergezeld ging, luidde aldus:

„Mejuffrouw. Met veel genoegen ontving ik van u een oorspronkelijk verhaaltje, en ik heb mij de moeite gegeven, het geheel te doorlezen en van aanmerkingen te voorzien.

Het geheel toont, dat ge wel aanleg hebt. Lees nu mijn aanmerkingen oplettend na, neem ze niet aan, voor u begrepen hebt waarom ik gelijk heb, en werk dan ’t zelfde idée nog eens geheel om; misschien is het dan de plaatsing in mijn tijdschrift waard. In dat geval kunt ge daarop, als ook op een behoorlijk honorarium rekenen; want het is mij van hoog belang, van tijd tot tijd nieuwe, frissche krachten onder mijne medewerkers op te nemen. Wat ik u vooral moet aanraden: werk niet met overhaasting. Aankomende talenten moeten langzaam en bedaard arbeiden en er wel over denken, eer ze een zin neerschrijven. Daarna leest ge ’t geheel nog eens over, besnoeit hier het overtollige en zet daar het ontbrekende bij. Eindelijk schrijft ge alles nog eens over. ’t Is zeker een lange en omslachtige weg, dien ik u voorschrijf—’t is de eenige, die tot het doel kan leiden.

Geloof mij, Mejuffrouw,

uw toegenegen vriend A. D. Radinus.”

’t Was inderdaad een lange weg, dien meneer Radinus haar voorschreef. Maar ze was niet zoo verwaand, om den raad in den wind te slaan van een man, die zeker beter dan iemand op ’t punt van lektuur voor de jeugd beoordeelaar en raadsman tegelijk was. Ze volgde dus zijn raad en hoopte nu, dat haar verhaaltje zou worden geplaatst. Wel eenigszins ontmoedigend mocht het heeten, dat ze het terug kreeg, nu met aanmerkingen over stijl en constructie. „Thans,” schreef hij, „hebt ge ’t alleen oplettend te corrigeeren en dan nog eens in ’t geheel over te schrijven; want bij ’t overschrijven zult ge steeds nog iets te veranderen vinden, als ge ten minste geen bloote copiïst zijt.”

Ten derde male zond onze geduldige schrijfster haar werk in, en nu volgde het antwoord, dat het verhaaltje weldra geplaatst en dat haar bij ’t afdrukken ’t honorarium ter hand gesteld zou worden. Had ze eens geweten, dat meneer Radinus daar ginds op de villa aan den weg woonde, en dat hij het was, die zich een moeite gaf, welke niemand voor haar zou over gehad hebben! Welke redacteur toch zou zich de moeite hebben getroost, om zoo het werk eener aankomende schrijfster na te zien en nogmaals te herzien? Wie zou het ontluikende talent, dat nog in de windselen lag, zoo aangemoedigd hebben, als ’t niet iemand was, die in de jeugdige auteur belang stelde als in een dochter? Zeker waren haar dan de aanmerkingen van den pseudoniem Radinus des te aangenamer en nog meer waard geweest.

En toch was ’t vreemd, ofschoon wel begrijpelijk, dat ze zich meneer Radinus onder de gedaante van dokter Faminga voorstelde. Vooreerst in de brieven die zij van meneer Radinus ontving, dezelfde hartelijkheid als in de gesprekken van den dokter, en ten tweede had haar dwaze naamverandering, toen Rudolf haar vroeg, wie die heer was, dokter Faminga en meneer Radinus in haar idée langzamerhand tot éen en denzelfden persoon vervormd. Ondanks dat schreef ze toch aan den redacteur van het Tijdschrift anders dan ze zou gedaan hebben, wanneer ze geweten had, dat hij dokter Faminga in eigen persoon was.

Eén ding echter was er dat Helène gedurig bij haar werk hinderde en dat haar bijna ’t vroeger copieerwerk boven het tegenwoordige „stellen” zou hebben doen verkiezen: ze miste namelijk dat lieve, gouden horlogetje, dat als zoo’n prettige verdeeler en wijziger van haar tijd vroeger zoo gezellig naast haar lag. Doch ze troostte zich met de gedachte, dat ze ’t over weinige maanden weer in haar bezit zou hebben—gelukkig inderdaad, dat ze er onbewust van was, hoe de erfenis harer moeder onder allerlei prullen in ’t kantoor van een Amsterdamschen woekeraar lag!

’t Was op dit tijdstip, dat haar papa op zekeren middag aan tafel tegen haar zei:

„Helène! Overmorgen komt oom Walburg met Louise en Leonie hier voor een paar dagen logeeren. Zorg vooral dat oom een goede kamer heeft.”

Helène keek haar vader min of meer verlegen aan.

„Welke kamer zal ik oom geven?” vroeg zij. „Er is er maar éen: die waarin Rudolf geslapen heeft en de kinderkamer.”

Een wolk trok over ’t gelaat van meneer Nederhorst. Gewoon over tal van kamers te beschikken, had hij er niet aan gedacht, dat hij zoo klein behuisd was, en drie logé’s tegelijk verzocht.

„Laat oom mijn kamer dan maar betrekken,” zei hij, na eenige oogenblikken nagedacht te hebben; „dan kunnen Louise en Leonie die van Rudolf krijgen. Maak dan mijn bed maar op de kinderkamer.”

„Neen, pa,” antwoordde zij. „Dan weet ik beter. U zult op mijn kamer slapen; die is beter voor u.”

„Ook al goed,” antwoordde meneer Nederhorst onverschillig.

Hoe aangenaam ook voor Helène de afwisseling moest zijn, die drie logé’s haar zouden verschaffen, leverde hun verblijf voor haar een groote, geldelijke zorg op. ’t Waren toch weer nieuwe en voor haar verbazende onkosten. Met haar gewone huishoudgeld kon ze natuurlijk niet toekomen, haar vader om meer vragen, durfde ze niet; ’t honorarium voor haar verhaaltje had ze nog niet ontvangen;—wat bleef haar dus over, dan schulden te maken? Want ze moest haar gasten goed ontvangen; te meer daar deze aan allerlei gemakken gewoon waren.

„Ze zullen hier van middag dineeren,” zei haar vader. „Zorg ook, dat er op de logeerkamers vuur aanligt.”

„Ja, pa!” antwoordde Helène, maar in haar binnenste klonk de jammerkreet; „O, wat kost dat weer een kolen!”

De gasten kwamen op hun tijd aan, en ’t scheen, dat meneer Nederhorst geheel en al opleefde. Sedert haar moeders dood had Helène hem zoo opgeruimd niet gezien. Hij kuste Leonie hartelijk en riep er over, dat ze zoo gegroeid was en er zoo goed uitzag. ’t Hinderde Helène wel eenigszins haar zuster, die niets voor haar vader deed, zoo met liefkozingen overladen te zien, terwijl er voor haar, die zoo zorgde en zwoegde, ter nauwernood een goed woord overschoot. Meneer Nederhorst was grootsch op zijn tweede dochter, die in haar sierlijk toilet hem de dagen van vroeger herinnerde en er inderdaad keurig uitzag; terwijl zijn oudste in haar eenvoudig gewaad en met haar treurig, somber gelaat hem dagelijks deed zien, tot welk een laagte hij gedaald was. Leonie, de jonge, levenslustige, dartele dame der wereld, met haar lachend gelaat, haar fladderende krullen, haar levendige oogen, vormde een schreeuwend contrast met haar, het sombere, nadenkende meisje, dat oud vóor haar jaren, daar in haar eenvoudige rouwjurk stond met groote holle oogen, en haar eenvoudig opgemaakt, glad weggestreken en in een bos krullen eindigend haar.

Hoe smartelijk Helène die onverdiende voorkeur van haar vader ook aandeed, ze liet er haar niets van bemerken en kuste haar even hartelijk welkom. Leonie beantwoordde dien welkomstgroet; doch toen, haar zuster aandachtig bekijkende, zeide zij:

„Ben je ongesteld geweest, Helène?”

„Hoe dat?” vroeg deze.

„Je ziet er alles behalve goed uit,” antwoordde Leonie.

„Je oogen staan hol en groot,” voegde Louise er bij.

„Je zult het je verbeelden,” zei Helène. „Ik heb ’t met de zieken, die er hier in huis geweest zijn, nog al druk gehad.”

Ofschoon ’t zonder erg gezegd was, voelde Leonie toch ’t verwijt, dat er in die woorden gelegen was. Noch tijdens de ziekte van haar vader, noch gedurende die van Rudolf had ze een enkele poging aangewend om Helène in ’t oppassen der zieken te ondersteunen. Ze wendde het dus terstond op een ander onderwerp.

„’t Zal wel tijd zijn,” zei ze, „om je voor het diner te gaan kleeden, Helène.”

„Ik ben al gekleed,” antwoordde Helène.

„Maar Helène!” riep Louise uit. „Is dat een japon om aan het diner te verschijnen?”

„Waarom niet?” vroeg Helène. „Je weet evengoed als ik, dat ik geen geld heb, om veel aan mijn toilet te besteden.”

„Vergeef me, dat ik het zei,” hernam Louise. „Ik wist niet, dat je zoo arm was. Jij wist dat, Leonie, en ’t had je mooier gestaan, dat je, in plaats van al je geld aan beuzelingen te besteden, een paar cadeaux voor je zuster had meegebracht.”

„Volstrekt niet; daar zou je me toch geen pleizier mee hebben gedaan,” zeide Helène blozende. „Ik ben heel tevreden met mijn eenvoudige jurk. Wat zou ik aan al die linten en strikken hebben?”

Een bittere glimlach trok over haar gelaat: ze bekeek Leonie van ’t hoofd tot de voeten en dacht, hoe ’t zou staan, als zoo’n dame de kinderen aan- en uitkleedde, kamers deed, bedden opmaakte, ja soms wel in de keuken hielp.

Sedert mevrouw Nederhorst gestorven was, was de piano schier niet open geweest. Een enkele maal had Helène er op gespeeld; maar ’t waren alle treurige en sombere stukken, welke zij koos en die, hoewel overeenkomende met haar gemoedsstemming, weinig geschikt waren om haar op te wekken. Zoodra ze vernomen had, dat haar zuster en haar nicht zouden komen, had ze den pianostemmer ontboden en hem ’t instrument in orde laten brengen. Toen nu ’t diner was afgeloopen, werd de medegebrachte muziek voor den dag gehaald, en speelden Louise en Leonie een paar quatremains; daarna zongen ze een paar vroolijke duetten, en ’t was of meneer Nederhorst geheel en al opleefde bij ’t hooren van die voor hem zoo vreemd geworden tonen.

„Wel, Leonie!” zei hij met blijkbaar welgevallen. „Wat ben je gevorderd. Kom, speel nog eens wat!”

Helène gevoelde wel eenige jaloezie. Haar had vader nog nooit opgewekt om voor hem iets op de piano te spelen, en al had hij ’t gedaan, ze zou ’t nooit gewaagd hebben, voor hem een vroolijk stuk te kiezen. Toch deed het haar genoegen, haar vader in zulk een opgewekte stemming te zien—sedert hun het ongeluk trof, had zijn gezicht zoo vroolijk niet gestaan.

Leonie was dien avond al geest en opgewektheid, wat er aan was. Ze zong, ze danste, ze schertste, kortom ze vloeide over van vernuft en, zonder het te weten of te willen, stelde ze de sombere, stroeve Helène zoodanig in de schaduw, dat deze er zich verdrietig over gevoelde, ’t geen er toe strekte, om haar zuster nog meer op den voorgrond te doen komen. Steeds onder menschen verkeerende, had zij al de vrijheid van manieren, welk daar ’t gevolg van is, had ze de geestigste invallen, gaf haar vader de vleiendste namen en wist hem zóó in te nemen, dat hij geheel en al vergat, hoe hij zich meermalen over haar beklaagd had, dat ze zoo onverschillig was en zoo weinig schreef.

Toen de jongelui de kamer verlaten hadden, bleven de beide zwagers nog onder een glas wijn zitten, en begon meneer Walburg over de eigenlijke reden te spreken, die hem hierheen gevoerd had, namelijk over de toekomst van Rudolf.

„Met de aanstaande kerstvacantie komt hij voor goed van school,” zeide meneer Nederhorst. „En ik geloof, ofschoon ’t mij een groote opoffering geweest is, dat ik mij geluk mag wenschen, hem nog een jaar te hebben school gelaten. Al de berichten, welke ik van zijn onderwijzer krijg, luiden gunstig. Hij heeft zijn tijd goed besteed, en is, van nature vlug zijnde, zeer voldoende in alle zaken gevorderd.”

„En wat ben je nu voornemens, met hem te doen?” vroeg meneer Walburg.

„Dat is juist de zwarigheid, en ’t was daarom, dat ik je raad en voorlichting wenschte. Ik heb gedaan, wat ik kon; meer doen kan ik niet, daar mijn middelen ’t mij niet veroorloven. Helaas! ik had zulke schitterende plannen met hem; hij zal zijn toekomst nu zelf moeten banen.”

„In ’t geheel zoo kwaad niet,” hervatte meneer Walburg. „Veel beter voor jonge menschen, dat ze zich een toekomst moeten maken, dan wanneer ze haar als gesneden koek voor zich vinden.”

„Dat is zeker waar,” zei meneer Nederhorst. „Maar ik ben sterfelijk, en kan mijn kinderen nagenoeg niets nalaten. Als broeder zou dan de zorg voor zijn zusters en jongeren broer op hem rusten.”

„Ho, ho, wat!” zei meneer Walburg. „Leonie is bij mij, Helène zal zelf haar toekomst wel banen; dan blijven Dora en Alfred nog over, en wij zijn er ook nog. In alle gevallen trek je je ’t ongeluk te zeer aan. Je hebt je goeden naam aan de beurs behouden en je schulden tot den laatsten cent betaald. Zelfs je ergste vijand zou niet anders van je kunnen zeggen, dan dat je een eerlijk man bent.”

„Eerlijk, maar ten koste van mijn vermogen, Walburg,” antwoordde meneer Nederhorst. „Niemand weet het, hoe geldelijke zorgen mij steeds drukken.”

„Ik heb je een voorstel te doen, Nederhorst,” hervatte de andere: „Aan de Bank, waarvan ik directeur ben, komt met Januari een betrekking vacant. ’t Is natuurlijk een zeer inferieure, doch ze zal genoeg opbrengen om er in Amsterdam zuinig van te leven. Indien Rudolf goed oppast, zal hij, wanneer hij zich spoedig op de hoogte der zaken stelt, weldra verhoogd worden. Rudolf is een ferme jongen en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn best doen. Nu heb ik u ’t volgende plan gevormd. Ik heb, helaas! geen zoon. Welnu, als Rudolf goed oppast en zorgt, dat hij vooruit komt, dan neem ik zijn toekomst op mij en zal hem ’t noodige kapitaal verschaffen, om mij door den tijd als directeur van onze Bank op te volgen. Natuurlijk zal dat nog jaren duren; maar dan is ook zijn fortuin gemaakt.”

„Voor mij zelf zou ik niets willen aannemen,” zei meneer Nederhorst. „Voor mijn zoon alles. Ik ben je dankbaar voor je voorstel, en accepteer het met beide handen. Je ontlast me van een mijner meest drukkende zorgen!”

„Doch ik stel een voorwaarde. Rudolf mag van mijn plannen niets weten. Hij zelf moet er voor zorgen, om vooruit te komen, ook zonder ’t uitzicht van eenig kapitaal te zullen bezitten.”

„Natuurlijk, en ik zal mij wel wachten, er hem ook de mogelijkheid van te laten doorschemeren. ’t Zou zijn toekomst bederven, als hij wist, dat hem de weg al gebaand is.”

Met een opgeruimd hart wees meneer Nederhorst zijn zwager de voor hem bestemde kamer, en begaf hij zich naar de kamer van Helène. Hij kwam haar op den drempel tegen; want ze had nog ’t een en ander voor hem in orde gebracht.

„Hoe, nog niet naar bed?” vroeg hij.

„Ik had het een en ander te doen,” antwoordde zij.

„Hoor eens, Helène. Het diner was vandaag alles behalve in orde. Zorg, dat er morgen meer op tafel is. Als Trui ’t alleen niet af kan, geef haar dan iemand, die haar helpen kan. Wat zou je oom wel van ons denken?”

„Ik heb gedaan, wat ik kon, pa,” zei Helène, terwijl haar de tranen in de oogen schoten. „U weet zelf, hoe onze geldelijke middelen staan, en daar we maar één meid hebben.... Hij zal het ook wel begrijpen....”

„Wat je oom begrijpt, kan mij niet schelen. ’t Moet morgen beter zijn, ik wil het.”

„Hier is uw kamer, pa,” zei ze, de deur opendoende. „Ik hoop dat ze naar uw zin is.”

„Heel goed,” zei haar vader, terwijl hij met een tevreden blik de kamer rond keek. „Rust wel!”

De arme Trui had het den volgenden dag geducht druk met koken en braden en ofschoon ’t wel tegen den vorm streed, kwam Helène dien morgen niet voor den dag, daar ze de meid in de keuken hielp. Ze verontschuldigde zich, toen haar oom haar uitnoodigde, een rijtoertje mee naar Hilversum te doen en wist hem over te halen, Dora en Alfred in haar plaats mee te nemen, ’t geen een heele uitgang voor de beide kinderen was, wien zoo iets natuurlijk nooit ten deel viel. Het diner was dan ook dien dag rijkelijker voorzien dan den vorigen, maar ten koste van nieuwe schulden en een afmattenden arbeid van Helène. Hoe aangenaam haar ’t bezoek ook was, ze was toch blij, dat de gasten den volgenden morgen weer vertrekken zouden. Dien avond kwam Leonie bij haar op de kamer.

„Hoor eens, Helène,” zei ze. „Hoe staat het toch met pa’s zaken? Je schijnt hier nog maar altijd in dit kleine huis te blijven wonen. Zou er geen uitzicht zijn, spoedig een betere woning te betrekken?”

„Ik vrees van neen,” antwoordde Helène. „’t Valt mij al moeilijk genoeg, om van hem geld voor de noodzakelijkste dingen te krijgen.”

„’t Is miserabel,” zei Leonie. „Ik had nog al gedacht, spoedig weer thuis te komen.”