Chapter 2 of 17 · 3978 words · ~20 min read

Part 2

„U mag u wel gaan wasschen, juffrouw Leonie,” zei Rika. „Anders is uw ondertoilet niet in orde, wanneer de kapper komt, en hij met uw zuster klaar is.”

„Dan moet hij maar wachten; dat is ’t eenige wat er opzit,” zei Leonie trotsch. „Hij wordt er immers voor betaald, en ’t is beter dat hij op mij wacht, dan dat ik ’t op hem doe.”

„Maar je weet, dat hij het druk heeft, Leonie,” zei Helène, „en dan zou hij immers anderen laten wachten. Wat de japonnen aangaat, die zul je nog gelegenheid genoeg hebben, om te bekijken.”

„Nu, cathecheseer-juffrouw,” hernam Leonie. „Ik zal me dadelijk gaan wasschen.”

Inderdaad deed ze wat ze zei, en juist was ze er mee gereed en zou Rika aan haar ondertoilet beginnen, toen de kapper aan de deur tikte en op het „Binnen!” van Helène de kamer intrad.

Na ’t garneersel der japon van Helène gezien te hebben, waarnaar hij zijn kapsel moest inrichten, begon hij zijn kunst aan haar lokken uit te oefenen, en, gelukkig voor hem, behoefde hij niet te wachten, want juist toen Helène’s kapsel klaar was, was ook Leonie gereed.

Beide meisjes zagen er inderdaad uit om te stelen in haar élegant toilet, en met welgevallen beschouwde mevrouw Nederhorst haar beide dochters, en wist bij zich zelf niet te bepalen, wie van beide de schoonste was: Helène met haar tenger en fijn figuurtje en haar vriendelijk gezicht, of Leonie, die, voor haar leeftijd meer ontwikkeld, ’t in ronding van vormen van haar zuster won en wier trotsche trekken en levendige oogen haar zoo verleidelijk goed stonden.

„Is Rudolf nog niet beneden, ma?” vroeg zij. „Nu, die heeft ook lang werk aan zijn toilet.”

„Hij zal hebben moeten wachten tot meneer Courtier hem onder handen kon nemen, Leonie,” zei mevrouw Nederhorst.

„O, neen, ma, die kwam juist van hem vandaan, toen hij ons kwam kappen,” zei Helène. „Maar daar komt hij zingend de trap af.”

Inderdaad ging een oogenblik later de kamer open en daar trad Rudolf binnen, geheel in gala gekleed. Hij zag er keurig uit en mevrouw Nederhorst kon niet nalaten, een blik van welgevallen op haar oudsten zoon te slaan, zooals hij daar stond in zijn nieuw pak, met zijn helder linnen, zijn keurige witte glacé handschoenen, ’t gefriseerde haar, en de vroolijke oogen, die van genoegen schitterden. Inderdaad zag hij er alleraardigst uit en mevrouw mocht met recht wel eenigszins grootsch op haar zoon zijn.

„Is ’t rijtuig nog niet voor, ma?” vroeg hij. „’t Wordt zoo laat.”

„Mij dunkt, dat je reden hebt, om blij te zijn, dat het er nog niet is,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „anders kwam je zeker te laat.”

„O, o! Dan had het maar wat op mij moeten wachten,” zei Rudolf. „Maar ik hoop, dat het gauw komt. Louise heeft gevraagd, of we wat vroeger komen. U weet, ma, ik zal een van de ceremoniemeesters zijn, om de dames te ontvangen.”

„O, heb je daarom dien strik op je borst,” zei Leonie. „Ik dacht eerst, dat je ridder geworden was of voor een paard van den koning wou spelen.”

„Die hebben in alle gevallen de strikken aan hun kop,” zei Rudolf.

„De ridders of de paarden van den koning?” vroeg Leonie.

„Daar is ’t rijtuig!” riep Helène uit, die vol ongeduld aan een der ramen stond.

Mama werd nu goeden dag gekust; door Rika geholpen, stapten ze in de vigilante en reden met een vroolijk hart naar ’t huis van oom Walburg, voor wiens deur ze weldra stilhielden.

’t Was een prachtige, rijk verlichte zaal, waarin de danspartij zou plaats hebben.

Toen Rudolf met zijn beide zusters kwam, was er echter niemand in de zaal dan meneer en mevrouw Walburg en hun drie kinderen, van welke Louise vrij wat in leeftijd verschilde met haar twee zusjes, waarvan de oudste eerst acht jaren oud was. Natuurlijk werd eerst Louise geluk gewenscht en met een cadeautje verrast; daarna maakte men zijn compliment voor oom en tante.

„’t Speet me, dat ma er tegen had, om Dora en Alfred mee te sturen,” zei mevrouw Walburg tegen Helène.

„Ma vond ze nog te klein, om naar zulk een groote partij te gaan, tante,” antwoordde Helène. „Alfred is nog maar acht en Dora zeven jaar. Ze zouden u maar tot last zijn, en daarenboven misschien onder den voet raken.”

„En dan Anne en Emmy?” vroeg mevrouw Walburg. „Anne is ook pas acht jaren en Emmy nog maar zes.”

„O, tante, dat maakt een groot verschil,” antwoordde Helène. „Die zijn hier thuis en zullen wel, als het wat vol wordt, bij u blijven zitten. Daarenboven, als ze slaap krijgen, kunnen ze naar bed gebracht worden; terwijl Dora en Alfred zouden moeten wachten, tot ze, al was ’t dan ook vroeger dan wij, werden gehaald.”

„’t Is waar,” hernam mevrouw Walburg. „Je ma heeft groot gelijk, en ik zou in haar geval evenzoo gehandeld hebben. Maar dat ze zelf niet meegekomen is, heeft me zeer teleurgesteld. Vroeger hield ze er wel van, zulke partijen te zien.”

„Ma zei, dat ze te zwak was, om zich in zulk een gewoel te wagen,” antwoordde Helène. „Ze vond het voor haar verstandiger om maar stil thuis te blijven.”

„Wel, Rudolf,” zei oom Walburg tegen zijn neef, „je ziet er kranig genoeg uit. Al de meisjes zullen zin in je krijgen en met je willen dansen.”

„’t Is niet te hopen, oom!” antwoordde Rudolf. „Als dat het geval was, dan mocht ik wel tien lichamen hebben meegebracht, om met elk van haar een dans te kunnen doen. Maar zoo’n vaart zal ’t niet loopen, denk ik.”

„Nu, dat is maar goed ook,” hernam meneer Walburg. „Want anders vrees ik, dat je hier niet heelhuids van daan zou komen, daar men je stuk zou trekken. Je bent gisteren met vacantie thuisgekomen, niet waar?”

„Ja, oom! Gisteren na den middag.”

„En gaat het altijd nog goed op school?”

„O, ja, oom, heel goed. Ik kan met de meesters goed overweg, en met de jongens ook.”

„Dat doet me pleizier,” antwoordde meneer Walburg. „Je papa krijgt dan ook telkens van meneer Voornvisser de gunstigste getuigenissen. Ga zoo maar voort, Rudolf, en je zult er plezier van hebben. Een mensch die wat weet, kan vooruitkomen in de wereld—een botterik en een weetniet wordt door iedereen geschuwd.”

„O, wat zijn je jurken allerliefst gegarneerd!” zei Louise tot haar nichtjes. „Dat heeft Rika zeker gedaan.”

„Natuurlijk,” antwoordde Leonie. „Maar ik heb haar eerst de les moeten lezen. ’t Is of die soort van menschen uit zichzelf geen smaak hebben. Je had eens moeten zien, hoe stijf ze ’t eerst gedaan had. Gelukkig dat ik nog juist bij tijds boven kwam om ze eens te zien, anders hadden we er uitgezien als een paar vrouwen uit een hofje.”

„Dat zou zoo’n vaart niet geloopen hebben,” meende Louise.

„Maar nu zie je er allebei uit om te stelen; dat moet ik zeggen.”

„Maak Leonie maar niet hoogmoediger dan ze al is,” zei Helène lachend. „Wat mij aangaat, ik ben dankbaar dat ik zoo’n ingénieus zusje heb, maar ik pas er wel op, haar in haar gezicht te prijzen; want dan zou ze nog trotscher worden dan ze al is.”

Ze werden in haar gesprek gestoord door ’t binnentreden van een tweeden ceremoniemeester met zijn zuster, die Louise aansprak en haar gelukwenschte met haar verjaardag. Rudolf en zijn ambtgenoot begaven zich nu naar ’t voorhuis, om hun plichten als ceremoniemeester jegens de dames te vervullen, en weldra werd hun getal nog met twee vermeerderd. Ze hadden ’t alle vier braaf druk met de dames te ontvangen, binnen te leiden en aan de gastvrouw voor te stellen, en ik moet zeggen, dat ze den hun opgedragen post eer aan deden.

Langzamerhand vulde zich de zaal met keurig gekleede dametjes en jongeheeren, en ’t was een aardig gezicht, die bonte menigte door elkander te zien woelen. Nadat de thee gepresenteerd was, verscheen de dansmeester met zijn muzikanten, en nu repten de jonge voetjes zich tot den dans. Toen de pauze begon, verzocht de dansmeester, dat de jongelui zich twee aan twee zouden opstellen en maakte men een marsch door de zaal. Niemand begreep, wat dat eigenlijk te beduiden had, tot eensklaps de vleugeldeuren geopend werden en een zee van licht onzen jeugdigen gasten uit de aangrenzende zaal tegenstroomde. Daar toch stond een kolossale kerstboom, die tot aan de tamelijk hooge zoldering reikte, met ontelbare lichtjes versierd en met tal van cadeaux behangen was. Onder toezicht nu van Rudolf en een anderen ceremoniemeester werd er een tombola gehouden, terwijl de beide andere ceremoniemeesters, met haken gewapend, de getrokken prijzen uit den rijk voorzienen boom haalden. Er was natuurlijk veel plezier wanneer een jongen een werkmandje, of een meisje een sabel of een geweer trok. Door minnelijke wisseling echter kwamen al de getrokken prijzen in de rechte handen en keerden allen hoogst tevreden en vergenoegd naar de groote zaal terug, waar weldra het dansen op nieuw begon, en de massa limonade en ijs, welke er gebruikt werd, wel aantoonde, dat de jonge kelen droog van het dansen en het stof werden.

Toen onze jongelui thuiskwamen, alle drie met kleuren als rozen, gezichten gloeiend van de warmte en oogen flikkerend van de pret, vonden ze hun ouders nog op. Mevrouw Nederhorst had niet naar bed willen gaan, eer de kinderen thuis waren, hoe dikwijls haar man haar daartoe ook aangezet had.

„Plezier gehad?” vroeg ze, toen de drie jongelui binnenkwamen.

„O, ma! Dol veel!” riep Helène uit. „Ik heb geen enkelen dans overgeslagen. En we hebben een tombola gehad en nog een cadeautje op den koop toe gekregen. ’t Is maar jammer, dat zoo’n avond zoo gauw om is!”

„Ja, kindlief! Er is een eind aan alle dingen, ook aan de pret. En daaraan schijnt gauwer een eind te komen dan aan ’t verdriet; want als we plezier hebben, dan vliegen de uren om. En jij, Leonie?”

„O, zeker, ma,” antwoordde Leonie. „Wie zou zich niet amuseeren op een danspartij?”

„En heeft Rudolf zijn rol van ceremoniemeester goed vervuld?” vroeg meneer.

„Nu, dat zou ik zeggen!” antwoordde Helène. „Hij heeft de honneurs goed waargenomen. ’t Is hem wél toevertrouwd.”

„Maar ’t is hoog tijd, om naar bed te gaan,” zei haar vader. „Kom, kinderen! zeg nu ma en mij goeden nacht en zoek dan de slaapkoets op! Ma moest eigenlijk al lang te bed liggen. Het deugt voor haar in ’t geheel niet, om zoolang op te blijven.”

„En waarom is u niet naar bed gegaan, ma?” vroeg Helène.

„Omdat ik je zoo graag van een partij zie thuiskomen. En nu, goeden nacht!”

„Nacht, ma!” zei Helène. „O, dat zulke dagen zoo zelden voorkomen! Ik zou wel driemaal in de week zulk een partij willen bijwonen.”

Nadat ze pa en ma goeden nacht gezegd hadden, gingen de drie jongelieden de kamer uit om naar bed te gaan, en schelde mevrouw Nederhorst haar kamenier.

„Wat een verschil tusschen die twee meisjes!” zei meneer Nederhorst tot zijn vrouw. „Helène alles maar voor de pret; terwijl Leonie in stilte geniet.”

„Je oordeelt oppervlakkig, Leo,” antwoordde zijn vrouw. „Leonie is misschien even dol op plezier als Helène, maar ze weet zich te bedwingen en uit zich niet, terwijl de andere veel levendiger en minder gesloten is. Heusch, het karakter van Helène, hoe oppervlakkig ’t ook schijnt, is dieper en inniger dan dat van Leonie. ’t Komt er door, dat de een fijner voelt dan de ander.”

„’t Is best mogelijk, Marie,” antwoordde meneer Nederhorst. „Maar daar is Rika. Kom, nu gauw naar bed! Het is niet goed voor je, om zoo laat op te blijven. Dokter Manders heeft het je volstrekt verboden.”

„Ik zal den verloren tijd trachten in te halen,” zei mevrouw Nederhorst, „en me vlug uitkleeden. Tot straks, Leo!”

Ons drietal was spoedig in bed. Leonie en Rudolf sliepen weldra in. Maar Helène kon den slaap niet vatten. ’t Was of haar onophoudelijk de dansmuziek in de ooren klonk en of ’t licht der balzaal nog in haar oogen schitterde. Onrustig draaide zij zich van de eene zij op de andere en poogde een andere wending aan haar gedachten te geven. Doch te vergeefs: de vroolijke polka’s en mazurka’s kwamen telkens weer boven en dreven den slaap uit haar oogen. Eindelijk, ’t zal zoowat vier uur in den morgen geweest zijn, sluimerde ze in; doch ze genoot geen gerusten slaap: want ze werd door de bontste en grilligste droomen gekweld, die haar erg vermoeiden. Toen men haar ’s morgens kwam roepen, had ze lust om nog wat te blijven liggen; want ze had geduchte hoofdpijn. Ze hoopte echter dat, wanneer ze opstond en in beweging was, die hoofdpijn wel beter zou worden, stapte het bed uit en kleedde zich aan.

„Kindlief!” zei haar vader, toen hij merkte hoe bleek en betrokken zij er uitzag, „hoeveel je ook van uitgaan mag houden, je schijnt er niet best tegen te kunnen.”

„Ik kon in den voornacht niet in slaap komen, pa,” zei ze. „En toen ik eindelijk in slaap viel, heb ik zoo zwaar gedroomd, dat ik met hoofdpijn ben opgestaan.”

„Gelukkig, dat het Kerstdag is en er geen lessen zijn,” zei mevrouw Nederhorst. „’t Zou er anders slecht mee staan, Helène.”

„Dat denk ik ook, ma,” antwoordde Helène. „Neen, dank u; ik zal niets gebruiken; ik heb geen trek in eten.”

„Ik zal zeggen dat Rika je bed weer opmaakt,” zei mevrouw Nederhorst. „’t Best is, dat je dadelijk maar weer gaat liggen; misschien lukt het je te slapen, en dan zal de hoofdpijn waarschijnlijk wel overgaan.”

Helène deed, wat haar moeder zei. ’t Was wel geen prettig besluit van de heerlijke danspartij; maar wat zou zij er aan doen? Weldra was ze in een gerusten slaap en ’t was al half twee, toen ze geheel verkwikt en zonder hoofdpijn ontwaakte.

DERDE HOOFDSTUK.

LOTWISSELING.

De kerstvacantie was voorbij en Rudolf reeds sedert eenige dagen naar de kostschool teruggekeerd. In ’t huisgezin van de familie Nederhorst was alles weer op den ouden voet; ’t scheen echter, dat meneer zelf niet erg op zijn gemak was. Wat hem deerde, kon niemand te weten komen; zelfs zijn vrouw niet. Ofschoon hij nooit heel veel sprak, was hij nu toch bijzonder stil en ingetrokken, at bijna niet en zag er somber en verdrietig uit.

„Wat scheelt pa toch?” vroeg Helène op zekeren Zondag aan haar moeder. „Hij spreekt geen woord, en als je hem iets vraagt, geeft hij zulk een onvriendelijk antwoord, dat je ’t best doet om ook maar te zwijgen.”

„Ik weet het niet, Helène,” antwoordde haar mama. „Ik heb pa al gevraagd, of hij zich soms onlekker voelde en dokter Manders al over hem willen raadplegen. Maar hij heeft mij geantwoord, dat ik dit wel laten kon en dat geen dokter hem kan genezen.”

„Wat zou die arme pa dan hebben?” vroeg Helène op medelijdende toon.

„Ik denk, dat hij onaangename dingen aan ’t hoofd heeft, die hij me niet zeggen wil, omdat ze me hinderen zouden,” hernam mevrouw Nederhorst. „Kooplieden hebben dikwijls bij ’t begin en ’t einde van ’t jaar allerlei beslommeringen, waarvan wij toch geen verstand hebben, en daarom zullen wij er ons hoofd maar bij neerleggen.”

Helène zweeg en hield zich, als hadden de woorden harer moeder haar gerustgesteld; maar noch zij, noch mevrouw Nederhorst waren ’t inderdaad. Leonie bekommerde er zich weinig om—trouwens ze was twee jaren jonger dan haar zuster, en op dien leeftijd, waarop men zich zulke zaken nog weinig aantrekt.

Een paar dagen later kwamen Helène en Leonie van school en vonden mama in tranen op de sofa liggen. Beiden liepen terstond naar haar toe, en vroegen, wat haar scheelde.

„O, Helène, o, Leonie! Hoe zal ik het je meedeelen!” riep mevrouw Nederhorst, terwijl ze de handen wrong. „O, als ik maar bedaarder was! Maar mijn zenuwgestel is zoo geschokt!”

„Heeft u den dokter niet laten roepen, ma?” vroeg Helène.

„De dokter kan mij niet helpen, kindlief,” zei mevrouw Nederhorst, die ’t goed scheen te doen, dat ze haar beide kinderen bij zich had. „Je arme vader! Je arme vader!”

„Is pa wat overkomen?” vroeg Helène angstig.

„Bijna ’t ergste wat hem treffen kon,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „O, kinderen! hoe zal ik ’t je zeggen! Papa heeft zijn geheele vermogen verloren!”

„Dus zijn we arm, ma?” vroeg Leonie.

„Doodarm misschien,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„Doodarm?” herhaalde Helène.

„Ja, kind, doodarm. Ons mooie huis, onze fraaie meubelen, kortom—alles zal moeten verkocht worden, om de schulden te voldoen. Want pa wil tot den laatsten cent betalen.”

„Maar dat is vreeselijk, ma!” zei Leonie.

„Ja, wel vreeselijk, Leonie,” herhaalde mevrouw Nederhorst.

„Nu, ma! Als we elkander maar blijven liefhebben, zal de armoe zoo erg niet zijn,” zei Helène.

„Je weet niet wat armoe is, kind,” hernam mevrouw Nederhorst. „Je bent het altijd zoo onbekrompen gewoon, dat het je dubbel hard zal vallen, wanneer je zult moeten missen, wat je als natuurlijke zaken beschouwt, dingen zult moeten ontberen, welke je nooit gemeend hadt, dat ontbeerd konden worden.”

Helène en Leonie stonden versteld. Dat zoo iets zou kunnen gebeuren, hadden ze nooit gedacht.

„Ga je goed af doen en kom dan hier,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar tegen niemand een woord er over, hoor! ze zullen ’t spoedig genoeg hooren, doch niet van jullie. Ook niet aan Alfred en Dora; die hebben er nog geen begrip van.”

De beide meisjes begaven zich naar boven, om zich van haar goed te ontdoen.

„O, Leonie! Wat ben ik geschrikt van ma,” zei Helène. „Ik heb haar nooit zoo vreeselijk zenuwachtig gezien.”

„’t Is dan ook een tijding, die ze ons medegedeeld heeft,” antwoordde Leonie. „Hoe is ’t mogelijk! Als ma ’t ons zelf niet verteld had, zou ik ’t niet gelooven.”

Leonie bleef nog wat boven, doch Helène keerde spoedig naar de huiskamer terug. Ze vond haar moeder veel bedaarder dan straks. Het denkbeeld om de tijding aan haar kinderen mee te deelen had haar geschokt. En toch wilde ze niet, dat ze die ’t eerst van vreemden zouden hooren.

„Ma,” zei ze, terwijl ze voor de sofa knielde en de hand harer moeder greep, „u moet niet zoo bedroefd zijn. Dat doet u kwaad.”

„Ik zal trachten bedaarder te zijn, Helène,” antwoordde haar moeder. „En ik ben veel kalmer dan straks. ’t Heeft me goed gedaan, dat ik het je meegedeeld heb. Ik zag er zoo tegen op.”

„En hoe is pa er onder?”

„Bijna wanhopig. Dit was dus de reden van zijn somberheid in de laatste dagen. Ik vreesde wel, dat er wat boven ons hoofd hing.”

„U moet u maar bedaard houden, ma. Misschien loopen de zaken nog beter uit dan we denken.”

„Ik mag ’t hopen; doch na de mededeelingen, die je vader me deed, geloof ik, dat het ergste te wachten staat. ’t Zal je afvallen, Helène. Daar zal nu wel van geen partijen meer inkomen.”

„Wel, ma! als ’t anders niet is, zal ik er mij in trachten te schikken.”

Op dit oogenblik trad haar vader binnen. Helène zag om. Ze schrikte van zijn gelaat, zoo somber stond het.

„Ga heen en laat Leonie ook boven blijven,” fluisterde mevrouw Nederhorst. „Pa wil me zeker spreken.”

Helène begaf zich naar haar kamer en waarschuwde Leonie, met wie ze over de aanstaande verandering sprak.

’t Waren recht treurige dagen in ’t huis van meneer Nederhorst, welke nu volgden. Mevrouws gezondheid leed er sterk onder. Wat haar vooral aandeed, was dat haar oude vrienden en kennissen, die anders er zoo op uit waren om visites te maken, haar nu geheel en al schenen te vergeten. Gelukkig, dat ze haar broer Walburg had, die haar trouw bezocht en haar man in alles broederlijk bijstond, om van de schipbreuk van zijn fortuin nog te redden wat hij kon. Ook haar schoonzuster, mevrouw Walburg, was haar tot veel troost en opbeuring.

Er werd bepaald, dat de familie Nederhorst Amsterdam zou verlaten, omdat noch meneer noch mevrouw in de stad wenschte te blijven, waar ze zich zoozeer verminderen moesten en reeds nu met den nek werden aangezien; verder, dat Rudolf nog een jaar op de kostschool bij meneer Voornvisser zou blijven, om zijn studiën te voltooien en dat oom Walburg Leonie bij zich in huis zou nemen, waar ze een welkom gezelschap voor zijn dochter Louise zou zijn en tevens haar opvoeding zou kunnen voltooien.

Ofschoon meneer Nederhorst elke geldelijke hulp van zijn zwager zou hebben afgeslagen, vond hij er niets in, dit voorstel aan te nemen en ook mevrouw stemde er gereedelijk in toe ter wille van Leonie, wier opvoeding nog voltooiing behoefde, ofschoon ’t haar wel leed veroorzaakte, dat de toestand der beide zusters zoozeer zou verschillen en de een in ontbering, de andere in weelde zou worden grootgebracht. Wat Helène aangaat, zij koesterde geen jaloezie ten aanzien van haar zuster, ja, oprecht gesproken was zij blij: dat zij de uitverkorene niet was. Niet, dat zij zich niet beter in den toestand van Leonie had kunnen voegen dan in dien, welken ze nu te gemoet ging—maar ze gevoelde ’t zoo, dat ze beter steun was voor haar moeder, dan de jongere Leonie; ze wist het, dat haar moeder zou moeten lijden en verduren en ze begreep ten volle, dat dat lijden nog smartelijker zou zijn, wanneer zij, de oudste dochter, haar verliet; kortom ze was ’t zich zelf bewust, dat ze haar moeder tot troost en opbeuring zou strekken. Mevrouw Nederhorst had wel terecht tegen haar man gezegd, dat Helène dieper en inniger gevoelde dan Leonie; ze zou toonen, dat hoe gaarne ze ook partijen bezocht, ze nog wat anders kon doen dan voor haar plezier leven.

’t Was een treurige taak, welke mevrouw Nederhorst op de schouders gelegd was en die ze haar man beloofd had, te vervullen: den dienstboden aan te kondigen, dat ze over zes weken konden vertrekken. Wie echter tegen Februari een dienst kon krijgen, had volkomen verlof om eerder te gaan. Ze liet ze alle bij zich in de kamer komen en deelde hun de droevige maar wel verwachte tijding mede. Allen verlieten de kamer, onder betuiging van leedwezen; slechts een had geen woord gesproken, de oude Trui, de keukenmeid, die reeds van mevrouws trouwen bij haar gewoond had. Toen echter de anderen de kamer verlieten, was ze gebleven, deed de deur achter haar kameraads toe en ging voor mevrouw staan.

„Mevrouw!” zei ze, „U zult toch zeker wel één dienstboo houden.”

„Dat zal wel dienen, Trui,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik zelf kan slecht den pot koken en den boel aan kant houden, en mijn dochter evenmin. Maar waarom vraag je dat zoo, Trui?”

„Wel, lieve mevrouw,” antwoordde Trui, „’t wordt met de rep zeventien jaren, dat ik uw brood heb gegeten. Al uw kinderen heb ik zien geboren worden en ik heb het hier altijd goed gehad ook. Niemand uwer dienstboden kan ’t hart voor u hebben, dat ik heb, en nu zou ik u op mijn ouden dag moeten verlaten en u misschien door een meid worden bediend, die u niet liefheeft zooals ik. Hoor eens, mevrouw! Dat u de anderen weg doet, is natuurlijk. Maar als u mij weg deedt, dan zou u er spijt van hebben, dat zou u. En daarom, ik bid het u, laat mij bij u blijven.”

„Maar, beste Trui,” zei mevrouw Nederhorst, „dat zal je nooit bevallen. Zeventien jaren heb je hier in overvloed geleefd; je hebt nooit iets behoeven te ontzien, en nu zul je een burgerpot moeten koken en ’t zuinig moeten aanleggen.”

„Ik begrijp u, mevrouw,” antwoordde Trui. „U wilt zeggen: een meid, die ’t altijd zoo royaal gewend is, zal niet zuinig kunnen zijn. En mevrouw zou gelijk hebben, als Trui ’t niet deed, omdat ze haar niet verlaten kan. U zult eens zien, hoe zuinig ik zal huishouden. Dus mag ik blijven, niet waar mevrouw?”

„Ik weet het niet, beste Trui, of we een meid zullen kunnen bekostigen,” antwoordde mevrouw Nederhorst.