Part 11
„Jij thuis komen!” riep Helène verbaasd uit. „En je hebt het zoo goed bij tante.”
„Nu ja, zooals de zaken thans staan, zou ik ’t ook niet verlangen. Ik zou op den duur in dit enge huis en zoo bekrompen niet kunnen leven. Maar dat neemt niet weg, dat ik, als de zaken anders waren, toch liever thuis was. ’t Is niet plezierig, als men voor alles zoo geheel afhankelijk is van anderen. Als ik geld wil hebben, moet ik er oom om vragen, en hij heeft het mij al een paar malen geweigerd. Je begrijpt wel, dat me dit hard viel. Als pa ’t gedaan had, dan was ’t wat anders geweest.”
„Maar als ik jou was, zou ik nooit om geld vragen,” zei Helène. „Oom geeft je toch zeker je vaste weekgeld.”
„Nu ja; maar men heeft wel eens niet genoeg daaraan. Ik krijg ook zooveel zakgeld niet, niet eens het vierde part van Louise.”
„Die is ook ouder dan jij, en daarenboven hun eigen dochter.”
„Juist dat laatste kan ik zoo aan alles merken,” hernam Leonie. „’t Hindert me, dat ze onderscheid tusschen ons maken. En dat doen ze; al merken ze ’t misschien zelf niet op—ik voel het zeer goed.”
„Je bent onredelijk, Leonie,” zei Helène. „Oom en tante zijn waarlijk veel te goed voor je, om hen van zoo iets te beschuldigen. Dat Louise hun eigen kind blijft en dus de eerste en oudste brieven heeft, kun je hun toch niet ten kwade duiden. Daarom zou ik mij, als ik jou was, maar tevreden stellen met hetgeen ik had. Waarlijk, jij, aan zulk een leven gewend, zou je hier onmogelijk meer thuis voelen. We hebben, en dat wil ik je wel in vertrouwen meedeelen, gedurende je verblijf hier een weelde tentoongespreid, waaraan we niet meer gewoon zijn. Voortdurend is hier schraalhans keukenmeester, en hangt ons leven van ontberingen aan elkander. Blijf dus stil waar je bent, en tracht zooveel te leeren, dat je eens, als ’t noodig is, je zelf een onafhankelijk bestaan kunt verschaffen.”
„In alle gevallen,” hernam Leonie hooghartig, „keer ik niet terug, zoolang de omstandigheden hier blijven, zooals ze tegenwoordig zijn. Ik zou er voor bedanken, mij af te sloven, zooals jij doet, en mijn jeugd in zulk een omgeving door te brengen. Ik weet niet, hoe je ’t uithoudt.”
Helène zuchtte, doch antwoordde niet.
„Als ik er maar wat meer dank voor inoogste,” lag haar op de lippen; doch ze uitte de woorden niet, en zei alleen:
„’t Is tijd, om naar bed te gaan, Leonie. Maar eer we elkander goeden nacht zeggen, moet ik je dezen zusterlijken raad geven: houdt wat je hebt, en klaag niet over kleinigheden, die slechts in je verbeelding bestaan. Bedenk, dat je geheel en al afhankelijk bent van oom en tantes goedheid en tracht je dit waardig te maken.”
Leonie zei haar zuster goeden nacht. „Op stuk van zaken,” mompelde ze, terwijl ze naar haar kamer ging, „is zij gelukkiger dan ik; want ze behoeft niemand naar de oogen te zien.”
Den volgenden morgen vertrokken de gasten en drukte oom Walburg Helène twee gouden tientjes in de hand, haar toefluisterende: „Voor je toilet, lieve!” Natuurlijk was ’t cadeau van haar oom Helène aangenaam. „Dank, oom!” zei ze. „Ik zal ’t er voor gebruiken.”
Doch in plaats dat ze dit deed, haastte ze zich er de gemaakte schulden van af te doen, en niemand vernam van de zaak iets.
Trui werd voor al haar moeite ruimschoots schadeloos gesteld door een rijke fooi, en ze zei tegen Helène, dat ze op dien koop nog wel eens zoo’n drukte wilde hebben.
’s Middags, nadat het nu weer dood eenvoudige diner was afgeloopen en de kinderen weg waren, bleef haar papa tegen zijn gewoonte nog een oogenblik zitten. Hij was blijkbaar opgeruimder dan hij in maanden geweest was.
„Helène,” zei hij, „dat bezoek heeft mij goed gedaan.”
„Dat doet me pleizier, pa,” antwoordde zij.
„Oom heeft mij beloofd, voor de toekomst van Rudolf te zullen zorgen.”
„O, dat is heerlijk, pa!” riep ze met onverholen vreugd uit.
„’t Is een uitkomst, waarin ik in de verste verte niet van gedroomd had!” vervolgde hij.
„O, wat zal Rudolf gelukkig zijn, als hij ’t hoort!”
„Maar hij mag ’t niet weten; dat heb ik oom moeten beloven. Je moogt er hem dus niets van zeggen.”
„Ik beloof u, pa, dat ik zwijgen zal.”
„Vindt je niet dat Leonie in haar voordeel veranderd is?” vroeg meneer Nederhorst. „Ze is een aardige, prettige meid geworden.”
„Ik geloof, dat ze bij oom en tante goed op haar plaats is, en zich slecht weer hier zou kunnen voegen,” antwoordde Helène. „Daarom is ’t ook maar gelukkig, dat ze er blijft.”
Meneer Nederhorst gevoelde de waarheid, welke er in Helène’s woorden lag, en toch hinderde die waarheid hem. Dat antwoord miskennende, keek hij haar aan en zei eenigszins scherp:
„Je bent zeker jaloersch op haar! Trouwens,” voegde hij er overtuigend bij. „Er is ook nog al wat onderscheid in je beider positie, en ’t is je niet kwalijk te nemen; want voor een jong meisje is je leven hier vrij eentonig en verdrietig.”
„Ik wil met Leonie niet ruilen, pa,” antwoordde Helène. „’t Gevoel van voor anderen werkzaam en nuttig te zijn, heeft ook zijn genoegens. En zeker is ’t voor mij geen kleine zelfvoldoening, als ik mag zeggen, dat ik ma’s laatste wensch vervul en u ’t leven zoo dragelijk mogelijk maak. Die zelfvoldoening kan Leonie in alle gevallen niet smaken.”
Meneer Nederhorst was getroffen. ’t Was, als zag hij op dit oogenblik de grootheid van Helène’s zelfopoffering in, waarvan hij echter het tiendepart niet kende of waardeerde. Hij trok haar naar zich toe, kuste haar en zei met tranen in de oogen:
„Je bent een goede, lieve, brave meid, Helène, weinigen die jou gelijken!”
Toen stond hij diep bewogen op en ging naar zijn kamer, die Helène weer geheel en al voor hem in orde gemaakt had. Wat haar aangaat, die eenvoudige bekentenis van een vader, die zoo weinig haar verdiensten inzag, maakte haar voor ’t oogenblik gelukkiger dan ze geweest zou zijn, wanneer ze zich in Leonie’s plaats bevonden had, en deed allen schijn van jaloezie verdwijnen. En ofschoon ze zeer goed wist, dat haar vader ’t eenige dagen later wel weer vergeten zou zijn, wat hij haar uit de volheid van zijn gemoed betuigd had, schonk het haar toch zelfvoldoening, dat hij in het binnenste van zijn hart overtuigd was van haar waarde.
Toen meneer Walburg thuiskwam, vond hij verscheiden brieven, onder andere ook dien van Rudolf. Hij brak hem open en keek raar op.
„Neen, mannetje!” zei hij, „daar beginnen we niet aan. Dat zou juist zijn, om mijn plannen voor goed den bodem in te slaan.” Hierop stak hij den brief in zijn zak, en ’t was eerst eenige dagen later, dat hij er aan dacht om dien te beantwoorden en wel in dezer voege:
„Beste Rudolf. Ik ben zeer verbaasd geweest over je verzoek. Je moet toekomen met het zakgeld, dat je vader je geeft en kun je dat niet, dan moet je de tering maar naar de nering zetten. Ik zou rekenen, heel verkeerd te doen, je een cent meer te geven. ’t Zou je aanmoedigen op een weg, die je zeker ten verderve zou leiden. Jonge menschen als jij, die in de wereld geen ander vooruitzicht hebben dan ’t geen ze zelf door eigen vlijt zullen moeten verdienen, moeten leeren zich zelf te bedruipen, en, daar ik voornemens ben, je, wanneer je van de kostschool komt, een betrekking te bezorgen, moet je je best doen, mij in dat opzicht te voldoen. Ik ben
„je toegenegen oom Walburg.
„PS. Mijn besluit staat onveranderlijk vast.”
TIENDE HOOFDSTUK.
RUDOLF IS IN HANDEN VAN EEN WOEKERAAR GEVALLEN.
’t Was Rudolf, toen hij dien brief van zijn oom kreeg, alsof er een donderslag boven zijn hoofd losbarstte. Hij had er al spijt van gehad, dat hij maar geen dertig gulden gevraagd had, dan had hij ’t horloge in eens kunnen aflossen; want van de dertig gulden, welke hij van Zadok ontvangen had, waren hem nog een paar overgebleven en die bewaarde hij zuinig, om bij die gelegenheid nog eens naar Amsterdam te kunnen reizen. En nu kwam daar die verpletterende brief en dat hatelijke postscriptum: „Mijn besluit staat onveranderlijk vast!” ’t Was verschrikkelijk! Helènes horloge was in vreemde handen, en dat, terwijl hij over weinige weken de school voor goed zou verlaten! Wat moest hij haar zeggen! O, welk een zelfverwijt vervulde zijn ziel, en hoe zeer begreep hij ’t verkeerde zijner handelwijs! Daarbij had hij niemand op de kostschool, dien hij in deze zaak vertrouwen kon en moest hij dus al zijn verdriet voor zich zelf houden. Wat zou hij beginnen! ’t Eenige wat hij doen kon, was aan zijn vader te schrijven om ’t achterstallige weekgeld. Dat kon hij dan al vast op afrekening aan Zadok geven en hem beloven ’t overige te zullen afdoen, zoodra hij weer thuis zou zijn. Hij hoopte, wanneer zijn oom zijn belofte gestand deed en hem een betrekking bezorgde, maandelijks zooveel te besparen, dat hij ’t horloge na eenigen tijd zou kunnen lossen.
Hij schreef dus een brief aan zijn vader, waarin hij dezen dringend verzocht, hem ’t laatste kwartaal van zijn weekgeld te zenden en als ’t eenigszins kon, nog iets meer; daar hij bij ’t verlaten der kostschool nog enkele dingen te verrekenen had. Hoezeer was hij echter teleurgesteld, toen hij van huis, in plaats van de dertien gulden, welke hij per kwartaal ontving, niet meer dan ruim de helft kreeg. „Ik reken dat je een paar dagen vóór Kerstmis thuiskomt, dus heb je vijf weken lang geen weekgeld noodig; overleg het met het overige zoo, dat je er je reis uithaalt. Wat mij aangaat, ik kan op ’t oogenblik geen cent meer missen.”
In alle gevallen wilde hij toch afdoen wat hij kon, maar meneer Voornvisser wilde hem geen verlof geven, om naar Amsterdam te gaan. Toen schreef hij Zadok, dat hij hem in de week voor Kerstmis wat zou komen afdoen en hij hem dus thuis hoopte te vinden; maar de woekeraar antwoordde hem niet. ’t Waren voor hem alles behalve aangename dagen, de laatste dagen welke hij op school doorbracht, en zijn kameraden konden maar niet begrijpen, hoe Rudolf, die altijd de vroolijkste en prettigste van hen allen geweest was, in den laatsten tijd zoo stil was. Sommigen schreven ’t er aan toe, dat het was, omdat men op school de verandering in zijns vaders fortuin wist; doch daar geen der jongens hem ooit getoond had, dat hij hem daarom minder achtte, verwierp men dat denkbeeld en, zooals ’t met jongens gaat, dacht men er niet meer over na, maar liet hem eenvoudig loopen.
Intusschen naderde de kerstvacantie, en Rudolf, die niet zooals andere jongens die de school verlaten, aan zijn kameraden een klein afscheidspartijtje kon geven, had meneer Voornvisser verzocht, den dag vóór de vacantie te mogen vertrekken, voorgevende, dat hij dien dag in Amsterdam moest zijn, om door zijn oom aan zijn aanstaande patroons te worden voorgesteld. Meneer Voornvisser, die wel begreep, waar de schoen hem wrong en van meneer Nederhorst het verzoek had ontvangen, niet meer voor zijn zoon uit te schieten dan volstrekt noodzakelijk was, had daartoe gereedelijk verlof gegeven en Rudolf had naar huis geschreven, dat hij om de onkosten van een afscheidspartij uit te winnen, een dag vroeger zou thuiskomen. Hij was van plan om bij zijn oom aan te gaan, maar eerst Mozes Zadok te bezoeken en hem vijf gulden op afrekening te betalen. Dat liep hem tegen: want Helène had zijn komst te Amsterdam aan Leonie geschreven en nu stond deze met Louise hem aan ’t station af te wachten, en noodigden ze hem uit naam van oom en tante uit, om daar dien middag te blijven dineeren, waarna ze hem weder naar ’t station van den Oosterspoorweg zouden brengen. Daar kon hij niets tegen doen. Hij besloot dus maar „de faire bonne mine à mauvais jeu” en zich zoo opgeruimd en vroolijk mogelijk voor te doen, hetgeen hem niet moeielijk viel, daar hij spoedig in ’t gezelschap van zijn dartele zuster en zijn vroolijk nichtje vergat, wat hem zoo hinderde.
’s Middags ging hij met oom Walburg naar de Bank, waar deze hem voorstelde aan den chef der afdeeling bij welke hij den tweeden Januari aanstaande zou komen. Deze deed hem eenige vragen, welke Rudolf zeer tot zijn genoegen en tot dat van zijn oom beantwoordde; daar hij door die beantwoording een mate van kennis tentoonspreidde, welke beiden zeer beviel. Daarop bracht zijn oom hem op de Tentoonstelling van schilderijen van levende meesters in Arti; toen ging men eten en na het diner was het spoedig tijd, om naar ’t station van den Oosterspoorweg te wandelen. En zoo reed hij naar Weesp, waar hij niemand aan ’t station vond, om de eenvoudige reden, dat men daar niet wist, met welken trein hij komen zou.
Daar hij er tegen opzag, om Helène alleen te ontmoeten, wendde hij dien avond vermoeidheid en slaap voor en begaf zich vroeg naar bed. Dat hielp hem echter weinig: nauwelijks was hij op zijn kamertje, of Helène stond voor hem.
„Rudolf,” zei ze. „Wat heb ik naar dezen dag verlangd. Ik heb ’t je nog niet kunnen vragen, anders had ik ’t al gedaan.—Je hebt nu mijn horloge niet langer noodig en je moest het mij dus maar terstond teruggeven. Ik ben zoo blij, dat ik het terugkrijg. O, ik heb het zoo gemist.”
Rudolf kreeg een kleur tot over zijn ooren, en sprak geen enkel woord.
„Nu! Hoe is het?” vroeg Helène. „Plaag mij niet en geef ’t mij.”
„Ik heb ’t op de kostschool laten liggen,” antwoordde hij.
„Op de kostschool laten liggen! Mijn horloge, waarvoor je me beloofd hadt alle mogelijke zorg te zullen dragen. Maar dat is onmogelijk!”
„’t Is toch zoo.”
„Maar dan moet er terstond naar de kostschool geschreven worden! Ik zal dadelijk aan meneer Voornvisser schrijven en hem verzoeken, het onmiddellijk op te zenden.”
„Dat zou je weinig helpen,” hernam Rudolf, die wel begreep, dat de zaak dan zou uitkomen. „Ik heb het eigenlijk niet op de kostschool laten liggen en zal nu maar ruiterlijk voor de waarheid uitkomen. Met het opwinden heb ik de veer gebroken en het naar Amsterdam bij een horlogemaker gebracht. Ik had het stellig bij hem afgehaald; maar ik had geen geld genoeg om het te betalen, toen ik vandaag terugkeerde.”
„O, Rudolf! Hoe leelijk van je om zoo te handelen!” zei Helène vol verontwaardiging. „Als je er dan al een ongeluk mee gehad hebt, dan hadt je ’t kunnen meebrengen, en dan zijn hier wel horlogemakers, die ’t in orde kunnen brengen. Je wist, dat ik er zoo bang voor ben. Je moet het morgen gaan halen.”
„Alles goed en wel; zoodra ik maar geld genoeg heb,” hernam Rudolf. „Eer kan ik ’t niet krijgen.”
„O, had ik mijn honorarium maar!” riep Helène uit. „Ik had het je nooit moeten leenen!” vervolgde zij snikkend. „Als er wat mee gebeurd is, dan vergeef ik het je nooit! Je hebt je belofte niet gehouden. Nooit of nimmer vertrouw ik je weer.”
Bitter schreiende en vol verontwaardiging verliet ze de kamer.
Den eersten dag van Rudolfs verblijf te huis was de verhouding tusschen broeder en zuster zeer gespannen. Hoe vergevensgezind Helène ook was—haar verontwaardiging was te groot dan dat ze ’t hem kon vergeven, dat hij zoo nonchalant te werk gegaan was met iets, dat haar dierbaarder was dan eenig ding op aarde. En nog vermoedde ze de volle waarheid niet!
Gelukkig was meneer Nederhorst zeer afgetrokken en bemerkte hij niet eens, dat zijn zoon en dochter iets met elkander schenen te hebben.—Toch oordeelde Helène dat het zoo niet kon blijven. Den volgenden dag na ’t ontbijt toen de kinderen naar school waren, zei ze tegen Rudolf:
„Hoeveel geld heb je er voor noodig?”
Rudolf durfde niet voor de waarheid uitkomen. „Indien ik hem eens de helft afdoe, zal hij ’t horloge wel meegeven,” dacht hij, en daar hij, de reiskosten er afgerekend, zelf nog wel vijf gulden had, zei hij onbeschaamd weg: „Tien gulden.”
„Tien gulden! Goede Hemel, Rudolf, wat heb je er dan mee uitgevoerd! Tien gulden! Waar krijg ik die vandaan!”
„Ik had het laten vallen en toen was de ronsel gebroken, zei de horlogemaker. Maar hij zou ’t goed maken.”
„In alle gevallen, ik moet het terug hebben, wat het ook kost!” zei Helène. „Je moet er van daag naar toe, met den eersten den besten trein, dan ben je voor den middag terug en merkt pa er niets van. Ik zal je de tien gulden meegeven.”
Hoe Helène aan die tien gulden kwam? Dat zal ik u zeggen. ’t Was van ’t huishoudgeld, hetwelk haar vader haar dien morgen gegeven had. Nu redeneerde zij dus: in ’t begin van Januari krijg ik ’t honorarium voor ’t geleverde verhaaltje, tot zoolang laat ik sommige benoodigdheden opschrijven en dan betaal ik ze van dat geld. Daarbij had ze van den zoogenaamden meneer Radinus weer een stuk om te copiëeren ontvangen en als dat af was, had ze ook weer contanten.
Rudolf vertrok met den eerstvolgenden trein naar Amsterdam en begaf zich terstond naar den winkel van Mozes Zadok.
„Ha, jongeheer!” zei Mozes even vriendelijk als de vorig maal. „Ik had je al lang verwacht. Kom je eindelijk je horlogetje inlossen?”
„Dat is te zeggen; ik kom u de helft op het voorgeschoten geld betalen,” antwoordde Rudolf; terwijl hij vijftien gulden nedertelde. „Nu zul je me plezier doen, me ’t horlogetje mee te geven; dan breng ik je de rest binnen korten tijd.”
Mozes nam de vijftien gulden op, borg ze weg, schreef ze in zijn boek als betaald op, gaf Rudolf daarop een kwitantie.
„Vijftien gulden afgedaan. Ziedaar ’t bewijs.”
„En nu ’t horlogetje?” zei Rudolf.
Mozes begon te lachen.
„Maar, vriendlief! Dat je onnoozel was heb ik dadelijk gemerkt. Maar dat je zoo’n kalf van een jongen bent, had ik niet gedacht. Ik geef je dertig gulden op een horloge, en nu zou je willen dat ik je ’t horloge voor vijftien terug gaf. Dan moest ik immers half gek zijn en op die manier zou ik gauw in ’t armhuis komen!”
„Maar ik ben een eerlijke jongen en je kunt er op rekenen, dat ik ’t je spoedig breng. Ik kom hier in de stad in betrekking en dan doe ik je alle maanden vijf gulden af.”
„Dat zal me veel plezier doen; want ik ben ook tevreden met kleine payementen,” antwoordde Zadok. „Maar je kunt toch niet denken, dat ik mal genoeg ben, om ’t horloge terug te geven, voor de vijf en veertig gulden geheel afbetaald zijn.”
„Dertig gulden, meent u,” zeide Rudolf. „Ik heb u immers vijftien terug gegeven.”
„Nu juist,” zei Zadok. „Vijftien en dertig is vijf en veertig. Of dacht je, dat we je zoo maar voor pleizier ons geld leenden en er je goed op den koop toe voor bewaarden? Daarvoor heb je toch zeker te lang school gegaan. Dertig gulden heb ik u geleend, jonge heer! Vijftig percent interest is vijftien gulden—dat maakt vijf en veertig gulden. Je bent er nog goedkoop af, en dat komt omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd was; anders rekenen we voor zulke postjes vijf en zeventig percent, en er zijn er van ons slag van menschen, die zelfs honderd percent vragen. Menigeen is blij, als hij het tegen honderd kan krijgen.”
Rudolf stond het huilen nader dan het lachen. Zoo was hij dan in handen van een woekeraar gevallen! O, dat hij zoo dwaas, zoo slecht gehandeld had! Zonder een enkel woord te spreken, verliet hij de kamer en den winkel van Mozes Zadok en spoedde zich naar ’t station van den Oosterspoorweg. ’t Was of hem de straatsteenen tegen ’t hoofd sprongen, terwijl hij voortliep. Zijn hoofd bonsde als een hamer en hij verwenschte Mozes, Gerrit, ja zich zelf, dat hij zich in zulk een strik had laten vangen. Eerst toen hij in den waggon zat en de trein stoomend voortrolde, kwam hij tot zich zelf.
„’t Eenige wat ik doen kan, is, dat ik Helène de volle waarheid zeg,” besloot hij. „De zaak ligt er nu eenmaal toe, er is niets aan te veranderen.”
Zoodra hij thuis kwam, zocht hij Helène op en bracht haar op zijn kamer.
„Waar is ’t horloge?” vroeg zij.
„In veilige bewaring,” antwoordde hij. „Maar ik heb ’t niet kunnen meekrijgen!”
„Wat is er dan mee gebeurd?” vroeg zij.
„Er is niets mee gebeurd,” antwoordde hij. „Doch ga zitten; dan zal ik je de volle waarheid meedeelen.”
Ze ging zitten en hij zette zich tegenover haar.
„Wanneer ik je alles zeg, zul je mij misschien voor minder slecht houden, dan je zou doen, indien je ’t niet wist. Luister daarom bedaard toe, en geloof dat ik geen woord zeg, of ’t is volkomen waar.”
„Daar vertrouw ik op, Rudolf,” antwoordde Helène.
„Welnu, vóór pa zijn geld verloor, was ik een der royaalste jongens op de kostschool; want ik had altijd zakgeld in overvloed. Ik wist nog niets van pa’s ondergang, maar kreeg de gewone toelage niet. Dat hinderde mij volstrekt niet; want ieder der jongens wou mij graag leenen, wat ik te kort kwam. Vooral één jongen, een zekere Gerrit Zalmvoort, de zoon van een rijkgeworden komenijsbaas, zooals ik later vernam, was een van hen, die altijd zijn beurs voor mij openstelde. Ik leende zonder schroom; doch toen mijn zakgeld te lang uit bleef, schreef ik pa, om ’t mij te zenden. En nu antwoordde pa mij, dat ik voortaan slechts op een gulden per week kon rekenen; want dat hij niet meer kon geven. Ik begreep die reden van bezuiniging niet; later vernam ik, wat er van de zaak was, en toch moest ik op de school de eer van pa ophouden.”
„Door geld te leenen?” vroeg Helène.
„Neen, door ’t geleende te betalen en mij toch royaal te toonen. Zoodoende ben ik langzamerhand de schuldenaar van Gerrit geworden, tot ik hem ruim vijf-en-twintig gulden schuldig was, tenminste zooals hij later beweerd heeft. Ik had er geen boek van gehouden en moest het dus maar op zijn woord gelooven. Toen werd ik ziek en moest eensklaps naar huis.”
„Maar hoe staat dat alles in verband met mijn horloge?” vroeg Helène.
„Luister,” hernam Rudolf. „Je weet, hoe ik je ’t horloge voor de maanden, die ik nog op school zou zijn, aftroggelde. Ach! hadt je ’t mij maar blijven weigeren; ik zou er beter aan toe geweest zijn. Want juist dat horloge was er de schuld van, dat de sluwe Gerrit, die zeker bang was, zijn geld niet terug te krijgen, daarin ’t middel zag om tot betaling van mijn schuld te geraken.”
En nu vertelde hij haar zonder omwegen en uitgebreid alles wat we reeds weten. „Maar,” eindigde hij, „ik zal niet rusten, vóor ik dien ouden schurk de dertig gulden betaald en je ’t horloge teruggegeven heb.”
Helène had hem geduldig tot den einde toe aangehoord en in haar hart klonk het woord: „vergiffenis.” Alles wel beschouwd, was Rudolf meer onbezonnen dan misdadig.
„’t Is goed dat je nu de volle waarheid gezegd hebt,” zei ze met van ontroering bevende lippen. „Ik vergeef je van harte wat je gedaan hebt. De zaak ligt er nu eenmaal toe en met Gods hulp hopen we ’t horloge eenmaal terug te krijgen. Ik wil je in ’t geheim meedeelen, dat ik tegenwoordig van tijd tot tijd eenig geld verdien met copiëeren, ook met zelf voor de pers te schrijven. Van dat geld heb ik je de tien gulden voorgeschoten. Met wat ik nu verdien en wat jij kunt overhouden, zullen we zien, de dertig gulden gauw bij elkander te krijgen. En dan als ’t horloge terug is, zet je nooit weer een voet bij dien ellendigen Mozes Zadok.”