Chapter 13 of 17 · 3979 words · ~20 min read

Part 13

„Ik begrijp er niets van,” zei meneer Walburg. „Helène is ’t horloge kwijt; ze zegt, dat het in goede handen is, en jij vindt het bij een soort van uitdrager terug, als onderpand van een leening van zestig gulden. Heb je ’t bij je?”

„Neen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik had het geld niet bij mij, en kwam je vragen, ’t mij te leenen. Want ik wil dat horloge niet langer dan noodig is in de handen van dien kerel laten.”

„Wacht, dan laat ik een vigelante voorkomen en ga ik mee,” zei meneer Walburg. „De zaak is mij interessant genoeg, om er bij tegenwoordig te zijn.”

„Hoe ’t horloge hier en in handen van dien kerel komt begrijp ik niet,” zei meneer Nederhorst. „Helène heeft het in bezit gehad; en is sedert den tijd, dat ze ’t kreeg, niet in Amsterdam geweest. Daarenboven, waartoe zou zij zestig gulden noodig hebben gehad, gesteld, dat daar nu eens een gulden of tien interest bij is; want zulk volk kan interest berekenen, dat verzeker ik je. Aan haar toilet besteedt ze ’t niet. Daarbij leven we zoo doodeenvoudig, dat ze aan den kant der huishouding ook geen aanzienlijk te kort kan gehad hebben.”

„Dan zou ze ’t je wel meegedeeld hebben,” hernam Walburg.

„Er is slechts éen persoon, dien ik van de zaak verdenk,” hervatte meneer Nederhorst. „Er woont te Weesp een zekere dokter Faminga, tenminste daarvoor geeft hij zich uit, een man, die zich nog tijdens ’t leven van mijn vrouw bij ons heeft willen indringen. Dien man vertrouw ik niet.”

„Maar dan deden we beter, even aan ’t commissariaat van politie aan te gaan,” zei meneer Walburg. „Als die zoogenaamde dokter er de hand in heeft gehad, dan worden ’t zaken voor de justitie.”

„Ik zal er wel oppassen, om ’t hardop te zeggen,” hernam meneer Nederhorst. „’t Zijn maar bloote vermoedens en ik zou er slecht bewijzen voor kunnen vinden.”

„Dan geloof ik, dat we ’t best doen, de zaak maar blauw blauw te laten,” antwoordde meneer Walburg. „Kom, de vigilante is voor, laat ons gaan.”

Nadat hij zijn schoonbroer de zestig gulden ter hand gesteld had, stapte meneer Walburg in ’t rijtuig en reden de beide heeren naar de woning van Mozes Zadok, waar ze uitstapten. Een gansche bende van straatjongens, leegloopers en nieuwsgierigen verzamelde zich op den stoep van den handelaar en vormden twee rijen, waardoor de bezoekers heen moesten om in hun rijtuig te komen, en allerlei gissingen werden onder ’t volk gemaakt; waarvan niet de minst ongerijmde was, dat het de heeren van politie waren en dat Mozes zeker ’t een of ander politiereglement overtreden had.

Intusschen waren de beide heeren ’t voorhuis in en voor de toonbank getreden. Mozes die ’t standje voor de deur gewaar werd, verzocht den heeren boven te willen komen.

„Ze zijn ’t niet gewoon, heeren! dat de oude Mozes zulke aanzienlijke klanten ontvangt,” zei hij; „daarom groepeeren ze zich om mijn raam als een kudde jonge bokken. Maar we zullen hun niets te zien geven, zoo waar ik Mozes Zadok heet.”

Spoedig was nu ’t horloge betaald en geleverd.

„Uw naam, meneer?” vroeg de koopman.

„Mijn naam is niet noodig,” antwoordde meneer Nederhorst. „Als ’t soms politiezaken mochten worden, zal ik maar zult u niet de aanklager zijn. In dat geval zult u kennis met mijn naam maken.”

„Ik kan toch niet helpen, dat degeen die geld bij mij geleend heeft, dat horloge gestolen heeft,” zei Mozes. „Daarenboven heb ik er scha genoeg bij; want het horloge staat hier al sedert drie maanden.”

„Was het dan een jongeheer, die ’t hier gebracht heeft?” vroeg meneer Walburg, die zich Rudolfs brief herinnerde.

„Mijn God! Meneer! Aan jongeheeren zouden we immers geen geld op dameshorloges leenen. Dan zouden we ’t gauw te kwaad met de justitie krijgen.”

„U zult toch niet weigeren den naam van den inbrenger voor ons op te zoeken. Natuurlijk staat die als debiteur in uw boek.”

„Om daardoor aan de politie ’t spoor in handen te geven,” zei Mozes. „Neen, meneer. U hebt uw horloge terug en ik heb u op uw woord geloofd, dat het het uwe was; ’t geen door uw overrompeling gekomen is, want wie bewijst mij nog, dat u de eigenaar van ’t horloge bent en u niet door een streek van mijn onnoozelheid gebruik gemaakt hebt om het ding goedkooper in handen te krijgen?”

„Kerel,” riep meneer Nederhorst driftig uit. „Als ik er mijn redenen niet voor had, om geen opspraak te maken, dan gaf ik de zaak regelrecht aan de politie aan.”

„Bedaard, meneer!” zei Mozes, die toch liefst de zaak maar in de doos deed en zich met ’t aardige winstje vergenoegde, liever dan het deksel op zijn neus te krijgen door ’t onderste uit de kan te willen hebben. „Al zeg ik den naam van den inbrenger niet, dat mag ik u toch wel zeggen, dat het een vrij goed gekleed heer was van ongeveer dertig jaren. Naar ’t mij voorkwam was ’t horloge van zijn vrouw.”

De beide heeren vertrokken, tot leedwezen der toeschouwers doodbedaard alleen.

„Ik zal er Rudolf toch eens over spreken,” zei meneer Walburg, wien die brief nog steeds voor de oogen speelde. „Want van die dertig jaren en die vrouw geloof ik niets.”

„Waartoe zou dat dienen?” vroeg meneer Nederhorst hem. „Drie maanden geleden was hij nog goed en wel op de kostschool. Daarenboven is ’t horloge niet uit Helène’s handen geweest.”

„Nu, als je er op staat, wil ik er wel over zwijgen,” zei Walburg.

„Zelfs tegen je vrouw,” hernam Nederhorst. „Ik heb er mijn bijzondere redenen voor, om de zaak geheim te houden. Ik ben tevreden, dat het horloge terecht is, en zal je in orde ’t mij voorgeschoten geld rembourseeren.”

„Wat dit laatste aangaat, dat zal wel terecht komen,” en beide heeren stapten aan de Bank af, waar meneer Nederhorst een zeer voldoend getuigenis over Rudolf’s ijver en bekwaamheid kreeg.

Toen hij ’s avonds thuis kwam, sloot hij ’t horloge in zijn secretaire, zonder Helène er iets van te zeggen.

„Ze zal vreemd opzien, als hij, die ’t horloge voor haar verpand heeft, het niet weervindt,” zei hij bij zich zelf. „Misschien zullen we dan den draad in handen krijgen om hem te ontdekken, die ’t voor haar gedaan heeft. Een heer van ongeveer dertig jaren. Dat kan die dokter niet geweest zijn. Die is wel tweemaal zoo oud. Maar hij kan ook iemand anders gebruikt hebben. Ik moet toch, als ik bij gelegenheid weer in Amsterdam kom, nog eens bij dien Zadok achter den naam van den verpander zien te komen.”

Intusschen leefden Helène en Rudolf in de heilige overtuiging, dat het erfstuk hunner moeder veilig was en weldra weer in hun bezit zou zijn.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

UIT DEN DROOM ONTWAAKT.

Helène ontving in de helft van Januari ’t honorarium voor haar verhaaltje. Ofschoon ’t goed betaald was, vooral aan een eerstbeginnende—’t was te klein van omvang om veel te geven. En dan moest er nog de tien gulden af, die zij zoolang van ’t huishoudgeld had afgenomen en waarvoor zij van enkele leveranciers op rekening genomen had. Gelukkig, dat ze de kopie af had en juist weer nieuwe kreeg, waardoor haar de andere betaald werd, zoodat zij twintig gulden bijeengescharreld had, hopende dat Rudolf nu voor de tien andere zou zorgen. Hij had het haar zoo stellig beloofd en zou zeker zijn belofte houden.

Met ongeduld wachtte ze den zondag zijner komst af. ’t Was de tweede maal, dat hij overkwam.

„Welnu,” zei ze. „Ik heb mijn belofte gehouden; hier zijn twintig gulden, heb jij er nu de andere tien bij?”

„Overmorgen krijg ik mijn maandgeld en ziehier wat ik te betalen heb; je ziet, dat ik zuinig geweest ben en ruim twaalf gulden overhoud. Jij kunt er niet meer naar verlangen dan ik, om weer in ’t bezit van ’t horloge te zijn.”

„Maar als je nu in ’t bezit bent,” zei ze, „hoe krijg ik het dan hier?”

„Zou ’t niet het best zijn, dat we daarmede wachtten tot vandaag over veertien dagen? dan breng ik ’t zelf mee.”

„Dat is zoo kwaad niet,” antwoordde ze. „Als je ’t maar goed bergt; want, nu ’t eens weg geweest is, ben ik er nog banger voor dan ik vroeger was.”

„Nu, ik zal er wel voor zorgen,” zei Rudolf. „Daar kun je op rekenen. Maar heeft pa er nooit weer een woord tegen je over gesproken?”

„Sedert dien eenen avond niet. Ik heb je toen al mijn verwondering betuigd, dat hij den volgenden morgen weer even als anders was, en zoo is hij gebleven. Laatst toen hij in Amsterdam geweest was, heeft hij mij alleen gevraagd, of ik dokter Faminga nog wel eens sprak.”

„Dokter Faminga? Wie is dat?”

„Och, dat was die heer, dien we verleden jaar, na je ziekte, op ’t kerkhof ontmoetten en dien ik toen uit scherts meneer Radinus noemde.”

„Dus was dat Radinus niet?” vroeg Rudolf verbaasd.

„Welneen. Ik zei ’t maar, omdat ik vreesde dat je den naam van den dokter in tegenwoordigheid van pa zoudt noemen, en pa kan dien man, de Hemel weet waarom, nu eenmaal niet velen.”

„O, daarom keek hij zoo verwonderd, toen ik hem naar meneer Radinus vroeg, en begreep ik niet waarom jij me zoo wenkte. Maar wat is er dan met dien dokter Faminga?”

Helène vertelde ’t hem en prees natuurlijk den dokter zeer.

„Maar hoe breng je nu de vraag, of je dien dokter met zijn barbaarschen naam gesproken had, met het horloge in verband?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t er ook eigenlijk niet juist mee in verband gebracht; maar ik vond de vraag, omdat pa zoo even uit Amsterdam gekomen was, zonderling en vreemd!”

„Waarschijnlijk heeft hij door den een of ander dien naam daar hooren noemen.”

„Licht mogelijk,” antwoordde Helène en daarmee nam hun gesprek een einde.

’s Avonds vertrok Rudolf met de twintig zuur verdiende guldens van Helène in zijn zak naar Amsterdam, en ’t was haar alsof ’t een eeuwigheid zou zijn, eer de veertien dagen om waren.

„Schrijf ’t nu toch gauw, zoodra ’t horloge weer in je bezit is,” fluisterde zij hem toe, toen ze hem met de beide kinderen naar ’t station had gebracht en men op den trein van Naarden-Bussum wachtte.

„Ik beloof ’t je,” antwoordde hij. „Zoodra ik ’t heb, schrijf ik je per briefkaart: „Alles in orde.” „Vindt je dat niet goed?”

„Neen, die briefkaart kan pa in handen komen; schrijf liever een brief, hoe kort ook: ’t scheelt je maar twee centen.”

De Dinsdag was gekomen, en hij had zijn eerste maand tractement ontvangen. Met welk een blik van welgevallen staarde hij op dat eerste door hem verdiende geld, en met welk een genot nam hij er tien gulden af, welke hij bij de twintig van Helène voegde.

’t Was al tusschen licht en donker, toen hij naar den winkel van Mozes Zadok stapte. Op ’t kantoor van den woekeraar brandde al licht. Daniel de winkeljongen zat in den winkel te slapen, maar werd wakker van het luiden der veerschel. ’t Was zoo donker niet of hij herkende Rudolf.

„Is uw patroon thuis?” vroeg deze aan den knaap.

„Hij is op ’t oogenblik uit,” antwoordde Daniel.

„Uit! En ik wou hem ’t geld afdoen op mijn horloge. Zeg hem dat.”

„Op uw horloge?” vroeg Daniel nog half slapend. „Een paar weken geleden is hier een heer geweest en toen heeft de patroon hem ’t horloge voor een aardig sommetje verkocht. Ik heb ’t zelf gezien; ’t was bij toeval in de kast gekomen en toen zag een heer ’t, die voor de glazen stond. Later kwam hij met een anderen heer in een vigilante en toen hebben ze ’t boven betaald.”

„Dat is mijn horloge niet geweest,” hernam Rudolf.

„’t Is mogelijk, jongeheer!” antwoordde Daniel. „Maar ik zou er toch hard aan twijfelen, of ’t niet waar was.”

„En is Zadok werkelijk uit, of speld je me maar wat op de mouw?”

„Hij is even een boodschap in de buurt gaan doen,” antwoordde Daniel. „Zooals je ziet, is ’t licht op zijn kantoor al op. ’t Is goed, dat je me wakker gemaakt hebt, anders zou er een potje te vuur gestaan hebben. Ik zal gauw ’t licht hier opsteken.”

Rudolf kon maar niet gelooven dat de jongen de waarheid sprak. Toen dus ’t licht in den winkel op was en hij Daniel zien kon, zei hij:

„Nu ben je ten minste wakker. Zeg mij nu eens, of je gedroomd en me een droom verteld hebt, dan of je me wat op de mouw wilde spelden.”

„Ik verzeker u, jongeheer! dat ik u de volle waarheid gezegd heb. De patroon heeft zestig gulden voor ’t horloge ontvangen, en ik geloof, dat hij er later spijt genoeg van heeft gehad, dat hij geen honderd gevraagd had.”

„Maar dat is toch een gemeene streek!” riep Rudolf uit. „En als ik dit aangeef...”

„Aangeven! Ach! jongeheer! laat dat maar uit uw gedachten... Doch daar is de patroon al terug. Zeg er niets van, dat ik ’t u verteld heb.”

Inderdaad kwam Mozes Zadok thuis. Eerst wist hij niet, wie daar in den winkel met Daniel stond te praten; doch toen hij Rudolf herkende, zei hij:

„Zoo, goeden avond, jongeheer! Altijd wel geweest? Ik had u al sedert lang verwacht. Komt u weer wat afdoen op de verschuldigde som?”

„Ja,” antwoordde Rudolf, nog steeds in ’t vaste geloof, dat de woekeraar niet zoo slecht was, als diens bediende verteld had.

„Heel goed! heel goed! kom dan maar boven!”

En Mozes ging den knaap vóor naar de hem reeds bekende opkamer.

„Ik kom u de geheele som afbetalen,” zeide Rudolf.

„Wel, dat is goed. Ga zitten, jongeheer! Dan zal ik uw schuldbekentenis opzoeken.”

„Ga uw gang en krijg dan meteen ’t horloge.”

„Dat zal van avond slecht gaan; want het is zoo goed bewaard, dat ik ’t moeilijk met licht kan vinden. Kom ’t morgen even afhalen; u hebt toch nog altijd het bewijs in uw zak?”

„Ik wil ’t nu hebben, anders betaal ik je niet,” zeide Rudolf kortaf.

„Maar waarom ben je dan niet wat vroeger gekomen, jongeheer?” zei Mozes nog altijd vriendelijk.

„Dat is mijn zaak,” antwoordde Rudolf. „Kom, kom! krijg ’t horloge voor den dag! Een man, die zooveel orde in zijn zaken houdt, kan een gouden horloge wel op den tast vinden. Of ’t zou waar moeten zijn, dat je ’t voor zestig gulden verkocht hebt?”

„Hoe kom je daar aan, jongeheer?” vroeg de woekeraar, eenigszins van zijn stuk gebracht.

„Je bediende heeft het mij verteld, en als je ’t me niet terstond geeft, dan geloof ik, dat het waar is en zal ik ’t er niet bij laten.”

„Daar zal hij voor lusten!” riep Mozes uit, en snelde buiten zichzelf van gramschap naar den winkel, waar hij den armen Daniel een oorveeg gaf, die hem van zijn hoogen stoel deed rollen. Daarna kwam hij op ’t kantoor terug. ’t Gelaat van den woekeraar was nu geheel en al veranderd; hij keek Rudolf aan als wilde hij hem met huid en haar opeten. Maar deze was alles behalve bang.

„Welnu, meneer Zadok,” zei hij. „Naar ik bemerk is de zaak waar.”

„Dat is ze,” antwoordde Zadok met een onbeschaamd gelaat. „Ik heb ’t horloge wel niet meer, maar ’t ook niet verkocht: want de man aan wien ik ’t met een klein winstje heb overgedaan, was de eigenaar. En dus, jongeheer, hou je mond maar dicht; want als je den boel roert, dan stinkt ze. Als ik de zaak aangeef, dan kom je achter de tralies. Je was niet eerlijk aan ’t horloge gekomen.”

„Wie durft dat zeggen?”

„Niet ik, maar de heer, die beweerde en bewees, eigenaar er van te zijn.”

„Dat heeft hij gelogen!” riep Rudolf uit. „Ik was er eigenaar van, of liever mijn zuster die ’t mij gegeven had om het te verpanden, daar ze geld noodig had. Hoe kon je zoo dom zijn, sluwe Zadok, om te denken, dat een heer eigenaar van een dameshorloge was? ’t Is niets dan logen, gemeene zwendelarij, en ’t eenige wat je doen kunt, is mij den naam en ’t adres op te geven van den persoon, die zei er recht op te hebben.”

„Dat weet ik zelf niet; want hij verkoos mij noch ’t een noch ’t ander te zeggen.”

„Dan zal ik wel middelen vinden, om er u toe te noodzaken.”

„Alles bedreigingen in den wind!” zei Mozes doodbedaard; want hij begreep dat hij op die wijs het best van den knaap kon afkomen. „Wanneer je de zaak aangeeft, zeg ik eenvoudig, dat de rechtmatige eigenaar gekomen is, wien ’t horloge ontstolen is. Als ik er een eed op doe, dan kom jij in de kast.”

„Dat zou te bezien staan,” zei Rudolf, „wie van ons beiden er in zou komen: ik, die je ’t horloge tot pand geef en er op afbetaal of jij, die mijn eigendom aan een ander verkoopt?”

„Stil wat, jongeheer! Eerst zoudt u moeten bewijzen, dat het uw eigendom was en dat is een punt, waaraan ik van den beginne af aan getwijfeld heb.”

„Des te schurkachtiger van jou, om op gestolen goed geld te leenen,” zei Rudolf. „Ik kan voor de rechtbank bewijzen, dat het horloge op ’t oogenblik, dat ik ’t bij u beleende, mijn eigendom was; laat de man, wien ge ’t verkocht hebt, dat eens doen.”

„Ik heb het niet verkocht; ik heb ’t hem teruggeven, en als je niet fatsoenlijk genoeg bent, om mij de dertig gulden te betalen, die ik er op voor geschoten heb, dan heb ik er een heele schâ aan.”

„Ik jou nog geld toe betalen? Geef mij de vijftien gulden terug, die ik je betaald heb. Noem mij liever den persoon, die u er de zestig gulden voor ter hand heeft gesteld, dan ga ik naar hem toe en zal hem de zaak verklaren. Geef mij zijn adres.”

„Hoor eens, knaap,” zei Mozes Zadok, wien al dat praten verveelde, „ik ben niet van zins, langer je onbeschaamde taal aan te hooren. Als je wat te reclameeren heb, klaag me dan bij de politie aan. Maar nu, mijn deur uit!”

Dit zeggende, pakte hij Rudolf, die daar niet op verdacht was, bij den kraag van zijn buis, duwde hem de trap af, ’t voorhuis door en zoo de deur uit, welke hij op den grendel sloot. Schuimbekkend van woede was Rudolf juist op het punt, om tegen de deur te schoppen en te bonzen; hij begreep echter, dat hij alsdan burengerucht zou veroorzaken en dit verlangde hij juist niet. Hij keerde dus stil en in een alles behalve aangename stemming huiswaarts.

Maar hij was er de jongen niet naar, om zich door een vergeefsche poging te laten afschrikken. Den volgenden avond ging hij andermaal naar den woekeraar, die hem evenwel nog onvriendelijker dan den vorige afscheepte en hem zelfs dreigde, de zaak te zullen aangeven, wanneer hij hem niet met rust liet. Tevens bood hij hem aan, hem op dezelfde manier de deur uit te smijten als gisteren. Rudolf, die nu wel bemerkte dat hij met den patroon niet verder zou komen, fluisterde Daniel toe, die achter de toonbank van daan kwam, om hem uit te laten.

„Hoe laat kom je hier van daan?”

„Om half tien.”

„Kom dan op de Nieuwmarkt, bij de Vischmarkt.”

„Goed.”

En met die woorden deed hij de deur achter hem toe.

„Wat zei de knaap?” vroeg Mozes aan zijn bediende.

„Dat hij u wel vinden zou.”

„En wat heb je hem geantwoord.”

„Dat hij u al gevonden had.”

„Ha! ha! ha!” lachte Mozes en voegde er bij: „Je bent geestiger dan ik dacht, Daniel.”

„Misschien slimmer ook,” prevelde Daniel. „Ik zal tenminste probeeren, er nog een broodje aan te verdienen.”

Rudolf stond reeds onder het afdak der groote vischmarkt te wachten, toen Daniel kwam aansukkelen.

„Je komt laat, Daniel,” zei hij. „De klok van de Oudekerk heeft al lang halftien geslagen. ’t Is bij tienen.”

„De oude heeft altijd zoolang werk, eer alles geborgen is, en dan is er nu nog ’t een, dan weer ’t ander te doen; zoodat het dikwijls tien uur op de Zuiderkerk slaat, eer ik wegkom.”

„’t Is goed. Zeg eens, zou je me ook kunnen zeggen, wie de man was, die mijn horloge kocht; je zegt toch dat je de heele zaak heb bijgewoond.”

„Hoe kan ik dat zeggen? Amsterdam is zoo groot en er zijn zooveel menschen, dat ik ze niet allemaal ken.”

„Nu ja. Maar wat was ’t voor een man?” vroeg Rudolf.

„’t Was een heer, en een fatsoenlijk heer ook,” antwoordde Daniel. „Hij zag er heel deftig uit en sprak op zoo’n fatsoenlijken toon.”

„Zeg eens, zou je ook kans zien, zijn adres op te diepen?”

„Om weer zulk een slag te krijgen, als Mozes mij gisteren gaf. Ik bedank u, jongeheer!”

„Maar ik zal ’t Mozes niet vertellen, dat jij ’t me gezegd hebt.”

„Alsof hij ’t niet begrijpen zal, wie ’t hem gedaan heeft.”

„Maar ik wil niet hebben, dat je ’t voor niet doet. Zie, hier is een gulden; die is voor jou, als je me het adres opgeeft. Bij elke belangrijke tijding aangaande de zaak krijg je weer een gulden, en als ik ’t horloge terug heb, drie.”

De oogen van den armen Daniel schitterden, toen Rudolf hem den gulden liet zien.

„Ik zal zien, dat ik het te weten kom, jongeheer,” hernam hij. „Maar daar zullen wel een paar dagen over heengaan.”

„Laat ons het dan bepalen op aanstaanden Vrijdag,” zei Rudolf.

„Dat is goed,” antwoordde Daniel. „Dan hoop ik ’t u te kunnen zeggen.”

„Hoe laat ga je ’s morgens naar den patroon?”

„Om negen uur moet ik bij hem zijn.”

„Wacht mij dan Vrijdagmorgen om negen uur op ’t Oude Kerksplein; daar is het op dien tijd stiller dan hier.”

Mistroostig kwam Rudolf thuis. Hij had er nog mee gewacht, om de zaak aan Helène te schrijven: want hij begreep maar al te goed, hoe ze bij ’t ontvangen van ’t bericht zou zijn. Doch thans kon hij niet langer wachten. Hij schreef haar dus de zaak in ’t uitgebreide; ook wat hij reeds gedaan had en voornemens was te doen en troostte haar met de valsche hoop, waarmee hij ook zich zelf in slaap poogde te wiegen, dat het horloge nog wel terecht zou komen; want dat degeen die het van Mozes had meegenomen een fatsoenlijk heer was, en dat de zaak dus op een bloote vergissing berustte.

Vrijdags wachtte hij Daniel op ’t Oude Kerksplein.

„Wel, heb je ’t adres?” vroeg hij.

„Toen de oude uit was, ben ik aan ’t snuffelen in zijn boek gegaan; maar ik kon uit dat gekrabbel niet wijs worden.”

„Zoodat je niets weet?”

„Ik heb gezien, dat hij op dien dag zaken gedaan heeft met deze drie personen.” antwoordde Daniel. „Ik heb ze voor u op een papiertje geschreven. Hier zijn ze.”

Rudolf las: Muller, Jansen en Bekker.

„Nu, dat zijn namen, die men in Amsterdam bij de vleet kan vinden,” zei hij mistroostig. „En stond er geen beroep bij?”

„Jawel, maar dat kon ik niet lezen. Alleen bij Jansen geloof ik, dat boekhandelaar stond, maar ’t kan ook boekhouder, of boekdrukker zijn geweest. De patroon schrijft zoo slecht, dat ik niet begrijp, hoe hij er uit wijs wordt.”

„Maar een boekhandelaar zal toch niet bij Mozes Zadok komen?”

„Ook niet om een horloge, dat hem ontstolen is, terug te krijgen?”

„Je hebt gelijk,” antwoordde Rudolf, die nog steeds vasthield aan het denkbeeld van vergissing. „Daar is meer gelijk dan eigen, en ’t kon heel goed zijn, dat het juist zulk een heer was. Hier is je gulden. Alle morgens kun je me hier vinden; dus als je wat te vertellen hebt en ’t is belangrijk genoeg—dan verdien je een gulden.”