Chapter 4 of 17 · 3991 words · ~20 min read

Part 4

„’t Zal mij heel aangenaam zijn,” antwoordde mevrouw Nederhorst op eenigszins verlegen toon, daar zij aan de veranderde omstandigheden dacht, waarin zij zich bevinden zou.

„Ge hebt een huis buiten de stad gehuurd, naar ik vernomen heb. Bevalt het u nog al?”

„Vrij goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Beter dan ik bij mogelijkheid had kunnen verwachten.”

„Dat is gelukkig. Ik twijfel niet, of u zult het in ’t vriendelijke Weesp wel kunnen vinden. De stilte van ’t stadje en de kalme rust, die er heerschen, zullen u in uw toestand zeker goeddoen. Maar nu zal ik u niet langer vermoeien. Ik heb misschien al te lang misbruik van uw goedheid gemaakt. Ik heb de eer, u goeden dag te zeggen.”

„Wel ma, hoe vindt u dokter Faminga nu?” vroeg Helène, toen de dokter het vertrek verlaten had. „Vindt u hem geen aardig mensch?”

„Hoe zou ik na een enkele ontmoeting daarover kunnen oordeelen?” vroeg mevrouw Nederhorst. „De man schijnt veel verdriet te hebben gehad in zijn leven en ik ben er zeker van, dat hij goed en vriendelijk is. ’t Is een allerliefst man; van wien ik, dunkt mij, als ik hem nader leer kennen, veel zal gaan houden.”

Den volgenden dag kwam er een briefje van den dokter, waarin hij Helène uitnoodigde, om thee bij hem te komen drinken. Ofschoon Helène ongaarne haar moeder met de kinderen alleen liet, stond mevrouw Nederhorst er op, dat zij de uitnoodiging zou aannemen. Helène ging dus naar hem toe en bracht een paar gelukkige uurtjes op de villa door. Hij sprak veel over haar moeder en ’t scheen hem niet te vervelen, wat Helène ook van haar vertelde. Onder zijn ameublement trok vooral een uurwerk haar bijzondere aandacht. Het was een bronzen beeld, dat met uitgestrekten arm op een wijzerplaat wees; onder dezen arm draaide de wijzerplaat geregeld om en zoo gaf het beeld de uren aan.

Helène nam afscheid van haar vriend en ging naar ’t logement terug. Ze had vrij wat te vertellen van al ’t geen ze bij Dr. Faminga gezien had; maar ’t uitvoerigst was zij in de beschrijving van het uurwerk en ze kon maar niet begrijpen, hoe de inrichting er van was.

De volgende dag was haar zestiende verjaardag; wel een treurige verjaardag, en ze wenschte wel, dien te hebben kunnen vergeten; want het was zoo’n verschil bij vorige jaren. Haar moeder had er echter voor gezorgd, dat er een lekkere tulband was en ook een frisschen ruiker voor haar laten koopen. Op de ontbijttafel stond een houten kistje met een stevig touw er om, waarop, met een haar vreemde hand geschreven, haar naam en adres stonden.

„Zou dat kistje van pa komen?” zeide zij, terwijl een hoogrood haar wangen kleurde, en haar hart sneller klopte.

Mevrouw Nederhorst antwoordde niet, ze hoopte, om Helène’s wil, dat het waar mocht zijn.

Spoedig was het kistje open, en wat zag ze daar netjes ingepakt liggen? Niets meer of niets minder dan het wonderlijke uurwerk van dokter Faminga.

„O, dat is een prachtig geschenk!” riep zij uit. „Ik had het gisteren zoo bewonderd, maar nooit gedacht, dat hij ’t mij als verjaarcadeau zou geven!”

„Hoe wist hij dat je jarig bent, lieve?”

„Zoo in den loop van ’t gesprek is ’t mij ontvallen; en zeker heeft hij begrepen, dat ons geen cadeau van meer nut zou zijn dan juist een uurwerk.”

Later op den dag kreeg ze een cadeau van oom en tante en een brief van pa.

Gedurende den korten tijd, dien de familie Nederhorst in ’t logement doorbracht, werd de kennismaking met dokter Faminga een werkelijke vriendschap, en weldra was hij ook de vriend der kinderen. Hij hield ontzaglijk veel van kinderen en ’t was zijn grootste genoegen om des namiddags met de beide kleinsten een wandelingetje te doen, ’t geen mevrouw Nederhorst een paar rustige uurtjes bezorgde. Ook vond zij ’t zeer plezierig, wanneer hij een kopje thee bij haar kwam drinken; want hij was een man die veel ondervonden en gelezen had, en dus goed praten kon.

Zoo gingen eenige dagen gelukkig voorbij, toen er een brief van meneer Nederhorst kwam, waarin hij melde, dat de verkoop der meubelen niet minder goed geslaagd was dan die van het huis; zoodat hem, na volkomen afbetaling van al zijn schuldeischers, nog een som overbleef, voldoende om van de intrest zuinig te leven. Doch dat zou ook hoogst zuinig moeten zijn en ’t zou een groot verschil opleveren met hun vroegere levenswijze. Ook meldde hij dat morgen de weder ingekochte meubels kwamen; hij hoopte, dat zijn vrouw het oppertoezicht over de plaatsing zou kunnen houden en ’t haar niet te zeer vermoeien mocht. Wat hem aanging—hij moest nog eenige dagen in Amsterdam blijven, om zijn zaken geheel te regelen.

„Mevrouw,” zei dokter Faminga, toen hij haar een bezoek bracht en ze hem verteld had, dat ze nu spoedig haar nieuwe huis zou betrekken, „de ontvangst der meubelen en de schikking daarvan is voor uw krachten te zwaar. Zoudt ge ’t aan mij willen overlaten, om voor ’t vervoer en de plaatsing te zorgen? Helène kan mij daarbij helpen.”

„Ik ben zeer gevoelig voor uw aanbod, meneer Faminga,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „en ik mag ’t niet afslaan. Als u het goedvindt, zal Helène straks met u naar ’t nieuwe huis wandelen en u de door ons gemaakte verdeeling wijzen. Daar ik echter niet weet, welke meubelen er komen zullen, zal ik de plaatsing maar aan u en haar overlaten. Zij weet wel hoe het naar mijn zin is.”

„Wel zeker, ma!” zei Helène. „En als dan morgenmiddag alles klaar is, komen wij u halen en dan verandert u nog, wat u wilt.”

„Dat is goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En dan reken ik tegelijkertijd in het logement af en betrekken we onze nieuwe woning.”

Terstond ging Helène met den dokter en de beide kinderen derwaarts. ’t Nieuwe huis was nu van boven tot beneden schoongemaakt en zag er frisch en helder uit.

„Nu, dat valt me niet tegen,” zei dokter Faminga. „Inderdaad, bevallig en een goed voorkomen.”

„Vindt u niet, dokter?” zei Helène. „’t Is maar jammer, dat het zoo ver van uw villa ligt.”

„En zegt dat een Amsterdamsche? Voor Amsterdam zou men het dichtbij noemen.”

Helène stak den sleutel in ’t slot en deed de deur open. Trui was er den vorigen dag klaargekomen en natuurlijk naar ’t logement teruggekeerd. Ze had echter dien morgen overal de ramen opengezet, opdat het goed luchten zou. ’t Huis zag er beter uit, dan toen mevrouw Nederhorst het met haar man bezichtigd had: ’t was nu schoon en vriendelijk.

„Nu, de ruimte valt mij mee,” zei de dokter. „Naar wat je mama er over zei, dacht ik dat het een krot was.”

„Ma is ook gewoon aan zulk een kolossaal huis met zulke hooge, ruime vertrekken,” zei Helène. „Zie, dit is onze huiskamer, die met openslaande deuren in ons tuintje uitkomt. Vindt u die niet lief?”

„Alleraardigst; maar ’s winters zult ge niet veel uitzicht hebben,” zei de dokter. „Ten minste nu is ’t al vrij bar. Ik zou er liever de voorkamer voor genomen hebben; dan hadt je een ruim gezicht over de weilanden.”

„Die kamer zouden we aan kant houden,” zei Helène.

„’t Zal hier in voor- en najaar nog al vochtig zijn ook, en dat is niet goed voor de gezondheid van je mama. We zullen haar voorstellen om het te veranderen. Daarom kan ze er zomers toch best in zitten.”

„Dat is pa’s kamer,” vervolgde Helène, toen ze boven op een allerliefste kamer kwamen, die een riant uitzicht had. „We zullen haar zoo gemakkelijk mogelijk inrichten.”

„Nu, dat is niet de minste van ’t huis,” zei dokter Faminga. „Maar dat behoort ook zoo.”

Nadat ze ’t geheele huis bekeken hadden, keerden ze naar ’t logement terug.

„Welnu, dokter, hoe bevalt u onze nieuwe woning?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Vreeselijk klein, niet waar?”

„Dat is al naar men ’t neemt, lieve mevrouw,” zei de dokter. „Uw vorig huis op de Keizersgracht was er zeker een paleis bij; maar ik denk, dat het u, als u er eenmaal in woont, wel bevallen zal. Beknoptheid van woning heeft altijd iets geriefelijks.”

Daarop begon hij over de verandering van huiskamer te spreken, en wel zóó overtuigend, dat mevrouw Nederhorst er in toestemde.

„Ik hoop, dat mijn man er genoegen mee zal nemen,” zeide zij.

„Waarom niet?” vroeg de dokter. „Natuurlijk moet u ’t laten voorkomen, alsof het uit u zelf kwam. U brengt er immers uw dag in door en niet hij. Daarenboven hebt u er een paar ferme kasten in—een heel gemak in een huiskamer.”

„Wilt u wel gelooven, dat ik smachtend verlang om weer in mijn eigen huis te zijn, dokter?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Het verblijf in zoo’n logement is niet alles.”

„Ik geloof het best,” antwoordde de dokter. „Eigen haard is goud waard, zegt het spreekwoord.”

„Daarenboven is ’t nog al kostbaar ook,” hervatte mevrouw Nederhorst.

VIERDE HOOFDSTUK.

BROEDER EN ZUSTER.

Eenige dagen later kwam meneer Nederhorst te Weesp. Hij was alles behalve vroolijk gestemd en zei Helène en de andere kinderen nauwelijks goeden dag. Daar mevrouw Nederhorst, opdat haar echtgenoot zoo min mogelijk de verandering zou gevoelen, den tijd van ’t middagmaal op dien, welken zij in Amsterdam gewoon waren, gesteld had, ging men spoedig na zijn komst aan ’t diner. Nadat de maaltijd afgeloopen was, waarvan de eenvoud meneer Nederhorst erg gehinderd had, zei Helène:

„Pa! Nu wilt u zeker graag naar uw kamer gaan. Ik zal er u heenbrengen.”

Meneer Nederhorst volgde zijn dochter.

„Nu zal pa zeker wel opgetogen zijn!” dacht ze; want ze had alles zoo keurig mogelijk ingericht. En inderdaad, het kamertje (dat was ’t in vergelijking van die, welke hij in Amsterdam gebruikte), was lief gemeubeld. Papa’s schrijftafel, ofschoon wel wat groot voor ’t vertrekje, stond toch heel goed tegen den eenen muur, en daarboven had ze de fotografische groep gehangen, welke de geheele familie voorstelde. Papa’s gemakkelijke stoel stond bij den haard, waarin een turfvuurtje brandde, en op de tafel stond een lamp, die een vriendelijk licht verspreidde. De overgordijnen waren toegeschoven, en boven op een kleine boekenkast, waarin de boeken, welke hij van zijn groote bibliotheek gehouden had, keurig netjes geschikt waren, stonden een paar pleisterkoppen; terwijl de schoorsteenmantel alleen met het keurige uurwerk versierd was, dat Helène van dokter Faminga ten geschenke gekregen had. Ze had zeker gedacht, dat haar papa, al mocht hij dan niet opgetogen wezen, ten minste zeer tevreden zou zijn over ’t gezellig kamertje; maar meneer Nederhorst trad binnen, zonder iets te zeggen.

„Nu, pa! hoe bevalt het u?” vroeg zij.

„’t Gaat nog al,” zei hij, terwijl hij in den stoel voor ’t vuur ging zitten. „Laat mij nu alleen, ik wil hier wat blijven.”

Teleurgesteld ging ze naar beneden; toen ze bij haar moeder kwam, zag deze tranen in haar oogen. Mevrouw Nederhorst begreep er de reden van; doch ze wilde er liefst niets van zeggen of haar naar de oorzaak der droefheid vragen. Maar ’t was nog het ergste niet geweest. Tegen het theedrinken kwam meneer Nederhorst binnen, zijn gelaat stond geheel ontstemd.

„Hoe ben je aan dat uurwerk gekomen, dat op mijn schoorsteenmantel staat?” vroeg hij.

„Dat heeft Helène voor haar verjaardag cadeau gekregen van iemand, dien we hier gevonden en van wien we zeer veel vriendschap genoten hebben, van een zekeren dokter Faminga, die sedert eenige jaren te Weesp woont,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„Dokter Faminga? Wat is dat voor een man?” vroeg meneer Nederhorst, wiens gelaat nog meer betrok.

„Een oud heer, die mij allerlei diensten bewezen heeft,” antwoordde zijn vrouw. „Zoo heeft hij met Helène er voor gezorgd, dat de meubelen goed hier in huis en op hun plaats kwamen. Ook was hij heel lief voor de kinderen, met wie hij meermalen is gaan wandelen.”

„Zoo, en wat weet je nog meer van zijn hem?”

„Dat hij een hoogst fatsoenlijk en goedhartig man is, die veel in zijn leven ondervonden en de praktijk neergelegd heeft, om hier te komen wonen.”

„Dat heb je natuurlijk alleen uit zijn eigen mond gehoord.”

„Maar ik heb het onvoorwaardelijk geloofd. Een man als hij en....”

„En ik verbied allen verderen omgang met dien man,” zei meneer Nederhorst streng. „Waarschijnlijk de een of andere avonturier, die zich van de eenvoudigheid eener onergdenkende vrouw bedient, om zich bij ons in te dringen. We hebben geen nieuwe vrienden noodig. Als onze oude ons niet meer willen kennen, omdat wij arm geworden zijn, waartoe zullen we dan nieuwe vriendschapsbetrekkingen aanknoopen? Inderdaad! ik begrijp niet, hoe je met onze armoede zoo te koop hebt kunnen loopen.”

„Je oordeelt geheel verkeerd, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Meneer Faminga is een door en door braaf man, die volstrekt geen waarde aan geld of positie in de maatschappij hecht, en leeft als hij iemand een dienst kan doen. Zie hem, vóor je oordeelt.”

„Daar zal ik wel op passen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik zal hem schrijven en hem eens ferm laten gevoelen, wat ik van de manier denk, waarop hij zich zonder mijn toestemming hier in huis heeft ingedrongen. En wat het cadeau van Helène aangaat, dat zal ik hem terugzenden.”

„Dat zal je niet doen, Leonard!” zei mevrouw Nederhorst op smeekenden toon. „Je weet niet, hoeveel verplichting ik aan den belangeloozen man heb. Je doet er mij en de kinderen verdriet mee.”

„Ik zal het doen,” antwoordde meneer Nederhorst, „en wel terstond.”

„Je zult toch eerst thee drinken?” vroeg mevrouw Nederhorst.

„Een kop thee wil ik wel nemen, maar de zaak heeft haast; anders komt die meneer soms nog hier.”

Mevrouw zei geen woord meer, en Helène ging de kamer uit naar de keuken, waar ze in tranen losbarstte.

„Wat scheelt er aan, jongejuffrouw?” vroeg de goede Trui.

Schreiende vertelde Helène haar ’t voorgevallene.

„Nu, dat is mooi!” riep de oude meid uit. „Zoo’n lief man! En dan nadat hij alles gedaan heeft wat hij kon, om ’t uw mama gemakkelijk te maken. Wat heeft de man niet gesjouwd, om hier den boel in orde te brengen! ’t Is schande! En die dokter Faminga is nog al zoo’n fatsoenlijk man!”

„Pa meent dat die goede dokter een gelukzoeker is, die er redenen voor heeft om zich bij ons in te dringen. Als hij hem maar eens wilde zien, dan zou hij misschien wel anders over hem denken.”

„Nu, droog uw tranen maar af,” hernam Trui, „en ga maar weer naar uw mama, die ook wel bedroefd zal zijn over de behandeling die den dokter wordt aangedaan. Ik hoor uw pa al naar boven gaan; hij heeft zijn thee gauw op.”

Wat Trui na Helène’s vertrek in zich zelf prevelde van „groote” menschen, die nog even „groot” bleven, al waren zij arm, en van andere zaken, die ze niet graag hardop zou gezegd hebben, willen we u maar niet mededeelen; liever volgen we Helène naar de huiskamer, waar ze zich naast haar moeder op de sofa zette.

„O, vindt u ’t niet verschrikkelijk van pa?” vroeg zij. „Is ’t geen schande, om een man, die zoo lief en zoo goed voor ons geweest is, zoo te behandelen.”

„Stil, lieve,” antwoordde haar moeder. „’t Past je niet, om de daden van je vader te berispen. Hij doet, zooals hij recht oordeelt, en ik had verstandiger moeten handelen en de vriendschap van den dokter niet moeten aannemen. Ik heb mij laten verleiden door ’t vertrouwen, dat zijn gelaat en gedrag mij inboezemden; ook kon ik, nadat ik wist, dat je hem onze familie-aangelegenheden hadt medegedeeld, in hem niets anders zien dan een belangeloozen vriend. Dat kan je vader niet; want hij weet niet, dat de dokter met onze omstandigheden bekend was, en dat mag hij niet weten; want dan zou je ’t voor altijd bij hem verbruid hebben.”

Helène gevoelde, dat haar moeder gelijk had, en in haar oog was ’t gedrag van haar vader nu niet meer zoo hard, als ze ’t straks beschouwde.

„Maar die goede dokter,” zeide zij. „Wat zal hij wel van ons denken, als hij pa’s brief krijgt.”

„Hij is verstandig genoeg, om de zaak te begrijpen. Maar daarenboven zal ik hem tegelijk een briefje sturen, waarin ik hem alles bloot leg en hem onzen dank betuig voor al ’t geen hij voor ons gedaan heeft. Geef me dadelijk pen en inkt, dan kan Trui mijn schrijven te gelijk met dat van pa overhandigen en dan zal de goede man zich niet gekrenkt voelen.”

Helène haastte zich, hieraan te voldoen, en juist toen Trui op meneers kamer gescheld werd, sloot mevrouw ’t briefje, dat ze het dienstmeisje meegaf, om dat tegelijk met het uurwerk en het briefje van meneer aan dokter Faminga te overhandigen. Trui was nog niet lang terug, toen een dienstmeisje een briefje voor mevrouw bracht, waarin de dokter zijn leedwezen betuigde over ’t gebeurde, verklaarde dat hij zich de handelwijs van meneer Nederhorst best kon verklaren, en haar verzekerde, dat het hem een groot genoegen zou zijn, haar genegenheid en die van haar dochter te behouden. Misschien zou in ’t vervolg van tijd de tegenzin van meneer Nederhorst om met anderen te converseeren wel slijten en dan zou alles wel weer terecht komen.

„O, hoe lief van hem, om zoo te antwoorden!” riep Helène uit.

„Allerliefst,” bevestigde mevrouw Nederhorst. „Maar ik verwachtte niets anders van hem. We willen even onbaatzuchtig zijn als hij, en, nu we ons niet meer over hem te bedroeven hebben, geduldig ons gemis dragen.”

Intusschen naderde de Paaschvacantie en zou Rudolf voor de eerste maal in de nieuwe ouderlijke woning komen logeeren. Helène had er voor gezorgd, zijn kamertje in orde te maken, een klein aardig hokje, maar dat ze zoo had op weten te sieren, dat het er wezenlijk lief uitzag.

Daar ook de kinderen vacantie gekregen hadden, wandelde zij met hen naar ’t station, om haar broer af te halen. Hij kwam tegen etenstijd; want daar hij Amsterdam door moest, had hij bij oom en tante Walburg koffie gedronken.

Verlangend naar den broer, van wien ze zooveel hield, stond Helène met Dora en Alfred op het perron te wachten. Daar hoorde ze den trein van Amsterdam fluiten, en weldra was de dampende en snuivende locomotief in ’t gezicht—eenige seconden later stond zij stil. Met zoekend oog sloeg Helène al de passagiers gade, die te Weesp uitstapten, en spoedig vond ze er Rudolf uit, die haar ook zag en haar een hartelijken kus gaf.

„Hoe gaat het, Helène?” vroeg hij. „En hoe maken ’t pa en ma? Dag Dora, dag Alfred! Wel! ben je me mee komen afhalen? Nu, dat is goed, dat is aardig van je.”

„Ma is heel verlangend naar je, Rudolf,” antwoordde Helène. „Laat ons dus maar terstond opstappen.”

„’t Was me vreemd, dat ik, te Amsterdam gekomen, nog niet thuis was, maar verder op moest,” zeide Rudolf, terwijl hij met Helène en de kinderen den weg van ’t station naar de stad opwandelde.

„Je hebt toch bij oom en tante koffie gedronken, niet waar?” vroeg Helène.

„Wel zeker, en ik heb ’t er volgens gewoonte zeer goed gehad ook. De hartelijke groeten van oom en tante, en ook van Louise en Leonie.”

„Hoe maakt Leonie het? ze schijnt het erg druk te hebben; want ze is heel lui in ’t schrijven.”

„Hoe ze ’t maakt? Wel perfect. Ze kan zich best in ’t royale leven daar schikken. Waarom ben jij er niet heengegaan, Helène? ’t Kwam jou toch toe: jij bent de oudste.”

„Oom en tante hebben mij niet gevraagd, Rudolf. Maar, al hadden ze ’t gedaan, dan had ik toch bedankt. Ik ben de oudste, en moet ma ondersteunen. Leonie is twee jaren jonger dan ik en zou het met den besten wil ter wereld niet kunnen doen.”

Toen ’t ongeval met hun vader gebeurd was, had Helène hem wel een brief geschreven, waarin ze hem meedeelde, dat ze Amsterdam zouden verlaten en te Weesp gaan wonen, maar er hem de reden niet van medegedeeld. Ze wist, dat jongens op zijn jaren hun eigen leed niet kunnen zwijgen en wenschte niet, dat er ruchtbaarheid aan de zaak gegeven werd. Toen hij kort daarop een brief van zijn vader kreeg, waarbij deze hem meldde, dat hij voortaan met vrij wat minder zakgeld toe moest, had de knaap er nog niets van begrepen; slechts toen hij te Amsterdam bij oom Walburg kwam, had Leonie hem ’t een en ander van de zaak verteld; hij dacht echter, dat ze overdreef en meende op een prachtig buiten te zullen komen.

„Maar wat moet je dan doen?” vroeg Rudolf.

„Heeft Leonie je dan niet verteld, dat ma al de bedienden hun congé heeft gegeven en dat we alleen onze oude Trui behouden hebben?” vroeg Helène. „Daaruit volgt natuurlijk, dat Trui, die voor ’t schoonhouden van ’t huis en ’t eten moet zorgen, die tegelijk keuken- en werkmeid is, niet nog den post van kamenier, linnenmeid en bonne er bij kan vervullen. Welnu, die drie laatste posten vervul ik.”

„Jij!” riep Rudolf verwonderd uit. „Hoe is ’t mogelijk, dat jij, die vroeger....”

„Hoe ik, aan weelde gewend, zulke ondergeschikte betrekkingen kan waarnemen, wil je vragen; niet waar?”

„Juist, hoe je je kunt vernederen tot zulk laag werk, zoo weinig overeenkomende met den stand waarin je opgevoed bent?”

„Dat zou ik vroeger ook nooit gedacht hebben,” antwoordde Helène. „Maar als ik het niet doe, zou ma ’t moeten doen, en je weet heel goed, hoe zij is. Zij zou er onder bezwijken, ’t zou misschien haar dood zijn en dan was ’t nog erger.”

„’t Is waar,” hernam Rudolf, na een oogenblik nagedacht te hebben, „en weet je wel, dat ik het heel braaf van je vind en er je des te liever om heb. Maar waarom is Leonie te Amsterdam gebleven? Die leidt daar een damesleven; terwijl jij voor asschepoester speelt. Dat is toch niet rechtvaardig.”

„Luister eens, Rudolf,” zei Helène. „Vooreerst is Leonie tot gezelschap van Louise en komt ze in leeftijd en aard beter met deze overeen. Ten tweede is ze twee jaar jonger dan ik en is haar opvoeding nog niet voltooid, en ten derde.... al was ’t mij gepresenteerd, dan had ik het toch niet aangenomen.”

„Niet aangenomen?” vroeg Rudolf verwonderd.

„Neen, niet aangenomen,” herhaalde Helène. „O, je weet niet, hoe zwak ma is! ’t Gebeurde heeft haar gestel vreeselijk geknakt. Leonie zou, bij den besten wil, niet in staat geweest zijn, haar genoegzaam te verlichten. Ik had bij oom geen oogenblik rust gehad, wanneer ik wist, dat ma zich overspande. Doch hier zijn we thuis.”

Ze stonden voor hun woning. Rudolf keek verbaasd.

„O, wat een klein, onaanzienlijk huis!” riep hij uit. „Wonen we daar? Ik dacht ten minste een villa te vinden.”

„’t Scheelt zeker vrij wat bij ons vroeger huis op de Keizersgracht,” antwoordde Helène, terwijl ze aanschelde. „Maar ’t is een heel lief huis en tamelijk ruim voor den geringen huurprijs, dien pa er voor betaalt.”

„’t Valt me niet mee, dat moet ik royaal zeggen. Hoe kun je hier wonen?”

„’t Zal je wel meevallen, als je er eerst maar een paar dagen in bent.”

Juist deed Trui open.

„Dag, jongeheer Rudolf!” riep de trouwe ziel uit. „Wel hoe maakt u ’t? Wat bent u gegroeid! Ik zou u niet gekend hebben, als ik u alleen was tegengekomen.”

„Je ziet, dat ik gezond en frisch ben,” antwoordde Rudolf. „En jij bent ook nog de oude gebleven, Trui, en ik ben hartelijk verheugd, dat ik je terugzie, waar al de anderen vertrokken zijn!”

Dit zeggende drukte hij haar van ’t werken ruwe rechterhand, en Trui was dol gelukkig, dat haar jongeheer zoo weinig „grootsch” was.

Helène deed de deur der woonkamer open, waar mevrouw Nederhorst op de sofa zat. Zoodra deze haar Rudolf zag binnenkomen, stond ze op, en weldra rustte de zoon in de armen zijner moeder. Met welgevallen zag ze den knappen jongen aan, die, net als Trui zei, al weer gegroeid was en die haar met zijn heldere, oprechte oogen zoo ferm aankeek.