Chapter 14 of 17 · 3943 words · ~20 min read

Part 14

Rudolf trok zijn stoute schoenen aan en ging een bezoek bij den heer Jansen maken. Hij werd er vriendelijk ontvangen. ’t Kostte hem wel veel moeite, om te bekennen, dat hij ’t horloge zijner zuster verpand had, om geld te krijgen en hoe hij op raad van een zijner makkers bij den woekeraar Mozes Zadok te land gekomen was. De heer Jansen hoorde hem vriendelijk aan, beklaagde hem, betuigde, dat hij de persoon niet was, wien een horloge ontstolen was, en ried hem aan, om er maar geen werk van te maken; daar even goed Zadoks boek als de mededeelingen van Daniel wel valsche namen konden bevatten.

’t Was wel ongelukkig voor onzen Rudolf, dat de zaak zoo in ’t begin van zijn kantoorloopbaan kwam. Door ’t wachten op Daniel kwam hij nu en dan te laat, hetgeen hem telkens een berisping van den chef op den hals haalde. En zoo vervuld was zijn ziel met de zaak van ’t horloge, dat hij niet bij zijn werk was en de grofste fouten maakte. Toen zijn chef bemerkte, dat zijn herhaalde vermaningen niet hielpen, klaagde hij er meneer Walburg over en deze ontbood Rudolf op de directiekamer.

„Ik hoor allerlei klachten over je, Rudolf,” zei meneer Walburg.

„Dat spijt mij, oom!” antwoordde Rudolf.

„Je komt soms te laat en maakt fouten in je werk, hetgeen in den beginne ’t geval niet was. Hoe komt dat?”

„Omdat dat altijd turen op cijfers een mensch in de war brengt,” antwoordde Rudolf.

„Men moet daarmee beginnen; daar zal een tijd komen, dat je ander werk krijgt. Doe dus je best om goed te doen, wat je thans is opgelegd, en vergeet niet, dat je, wanneer je niet beter oppast, van ’t kantoor zult worden weggejaagd, waarmee je je zelf en mij schande zult aandoen. Denk er aan, dat ik de eenige directeur niet ben; en al was ik het—menschen, die hun plicht niet doen, kan ik niet gebruiken.”

Beschaamd keerde Rudolf naar ’t kantoor terug. Hij gevoelde dat zijn oom volkomen gelijk had, en was die ongelukkige historie met dat horloge er niet tusschen in gekomen—hij zou zeker met den meesten ijver zijn taak vervuld hebben. Maar ’t scheen, dat het hem nu onmogelijk was, zich bij zijn arbeid te bepalen en ofschoon hij voortaan zorgde op zijn tijd te komen, daar hij Daniel maar weer ’s avonds besteld had—zijn werk was dikwerf van dien aard, dat hij ’t overschrijven moest. Toen nu Daniel hem weken lang niets kon meedeelen, gaf hij hem nog een gulden voor zijn moeite en zei hem, dat hij maar niet moest terugkomen.

Een ander denkbeeld was hem in den zin gekomen. Hij zou een advertentie plaatsen. Te dien einde begaf hij zich naar den boekverkooper Jansen, om dezen raad te vragen en hem te verzoeken, de advertentie te stellen en te laten plaatsen.

„Indien je er van overtuigd bent, mijn jonge vriend, dat het slechts een vergissing is van dengeen, die ’t horloge opgeëischt heeft en niet de een of ander schurkenstreek,” zei de boekverkooper, „dan is het goed; anders gooit ge uw geld in ’t water.”

„Vooreerst schijnt het een fatsoenlijk man te zijn geweest,” zei Rudolf; „maar ten tweede, wat meer zegt, heeft die man zoo overtuigend gesproken, dat de sluwe Mozes Zadok, die anders van zessen klaar is, hem ’t horloge voor zestig gulden zoogenaamd voorschot gegeven heeft; ofschoon het door zijn diamanten zeker de dubbele waarde had.”

„Wij kunnen ’t probeeren, ofschoon ik er niet veel heil van verwacht,” zei de boekverkooper, en stelde nu de volgende advertentie:

„Gouden Dameshorloge met dito ketting vermist.

„De persoon, die Donderdag den... Januari j.l. in den winkel van M. Z. alhier, een gouden dameshorloge met diamanten bezet en van gouden ketting voorzien, tegen zestig gulden heeft gelost, wordt verzocht, zich aan te melden onder Lett. A. N. bij den Boekhandelaar J. G. Jansen alhier.”

Tevreden over de poging, en daarvan alles verwachtend, betaalde Rudolf den boekverkooper de onkosten der advertentie.

„Kom nu over drie dagen maar eens hooren, of er een antwoord is,” zei de boekverkooper.

„Zoo laat?” vroeg Rudolf.

„Vroeger kan er geen antwoord zijn, tenzij de menschen de krant ’s avonds te voren krijgen. Eerst morgen avond komt het in de krant. En zulk een haast tot antwoorden heeft men in dergelijke gevallen niet.”

Rudolf begreep, dat de boekhandelaar gelijk had en ging tamelijk gerust naar huis. Den volgenden dag was hij wel iets geduriger op ’t kantoor, maar gaf toch weer blijken van afgetrokkenheid.

Den avond daarop zag Rudolf met hijgend verlangen uit naar ’t Handelsblad, dat in de directiekamer gebracht en beurtelings door een der jongste bedienden gehaald werd, die ’t aan zijn chef ter hand stelde. Deze keek het even in en liet het dan aan een der andere chefs brengen, tot het de ronde gedaan had, om in de directiekamer terug te keeren.

’t Was of ’t van avond niet kwam. Eindelijk daar bracht de jongste klerk van een andere afdeeling het. Wat keek Rudolf er schuin naar; terwijl de chef het doorlas. ’t Was alsof hij ’t eens zoolang las als anders. Eindelijk klonk het:

„Nederhorst!”

„Tot uw dienst, meneer!”

„Breng ’t Handelsblad maar hier naast.”

Nauwelijks was Rudolf het vertrek uit en had hij de deur gesloten, of hij vouwde ’t blad open. Lang behoefde hij niet te zoeken: want daar stond zijn advertentie met een hoofd van zulke groote letters, dat ze ieder in ’t oog moesten vallen—zoo ten minste dacht Rudolf, wien ze, omdat hij haar zocht, terstond voor de oogen stond. Nu die advertentie er in stond was de zaak gezond en ’t horloge zoo goed als terecht. Daar was geen twijfelen aan. Terstond vouwde hij de krant toe, bracht haar naar ’t vertrek, waar zij wezen moest en keerde met een vergenoegd hart naar ’t zijne terug.

Weinig dacht onze knaap, dat juist die advertentie van welke hij zooveel verwachting had, hem ten val zou zijn. Gaan we daarom een half uur vroeger naar de directiekamer, waar we den heer Walburg en nog een anderen directeur vinden zitten. Daar de laatste nog aan den arbeid is, heeft de eerste de krant opgenomen en den inhoud doorgekeken.

Niet gewoon advertentiën te lezen, wil hij ’t blad juist aan zijn mededirecteur overgeven, toen zijn oog toevallig op het met groote letters gedrukt „Gouden dameshorloge met dito ketting vermist,” valt. Hij leest de advertentie.

„Ha, daar brengt de rat zich zelf in den val!” zegt hij. „Nu zullen we zien, wie ’t horloge verpand heeft: Rudolf of zijn zuster, die ’t dan door middel van een ander heeft laten doen. We zullen de zaak echter slim en bedaard overleggen en de vesting bij verrassing innemen.”

Terstond beval hij, een vigelante te laten voorkomen en liet zich naar den boekhandelaar Jansen brengen.

„Meneer thuis?” vraagt hij aan den in den winkel staanden bediende.

„Om u te dienen. Meneer is op ’t kantoor.”

„Geen belet?”

„Voor u niet. Mag ik u maar verzoeken, binnen te gaan.”

Voor u niet! geen wonder. Door meneer Walburgs invloed had meneer Jansen al jaren een aardige rekening voor leverantie van druk en bindwerk aan de Bank. Zoodra dus meneer Walburg op ’t kantoor trad, vloog de man op, en bood hem met veel buigingen een stoel aan.

„Meneer Jansen,” begon deze. „Naar ik zie hebt u de advertentie voor den klerk van ons bureau, den heer Nederhorst, geplaatst.”

„Die van dat horloge, meent u,” antwoordde de boekverkooper.

„Juist, van dat gouden horloge. Dat is een rare zaak. Ik heb er zoo iets van gehoord, maar dacht, dat het een sprookje was. Zou dan toch werkelijk die meneer Nederhorst dat horloge beleend en een ander het bij den pandhouder als zijn eigendom weggehaald hebben? Ik heb er natuurlijk niet naar willen vernemen, daar wij ons niet met de bijzondere zaken onzer klerken bemoeien; maar men hoort soms zoowat daarvan, en deze historie vond ik al bijzonder vreemd.”

„Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden mededeelen,” antwoordde de boekverkooper, weinig vermoedende dat meneer Walburg de oom van Rudolf was, hetgeen hij wel zou geweten hebben, indien Rudolf hem niet verteld had, dat zijn familie te Weesp woonde, zonder te zeggen, dat ze vroeger op de Keizersgracht gewoond had. „Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden verhalen; want meneer Nederhorst kwam voor eenigen tijd bij mij, om te vragen of ik de persoon was, die ’t horloge gemeend had voor mijn eigendom te herkennen en toen diende hij mij toch eenigszins met de historie bekend te maken, een zaak waarin hij ingeloopen is als een jonge muis in den val.”

En meneer Jansen verhaalde aan meneer Walburg de zaak, zooals Rudolf hem die naar waarheid en met de meeste verschooning voor zich zelf medegedeeld had. De directeur der Bank scheen met de meeste onverschilligheid naar ’t verhaal van den boekverkooper te luisteren; daarop zei hij:

„Met al die dwaasheid zou ik ’t werkelijke doel van mijn komst vergeten. Er zal eerstdaags een inschrijving van drukwerk aan de Bank plaats moeten hebben, en nu wenschte ik, dat u dit bestek eens inzag, en mij daarop morgen ochtend vóor negenen uw aanmerkingen maakte.”

„En is meneer daarom expres bij mij gekomen!” riep de boekverkooper uit. „Meneer had mij immers op ieder uur van den dag bij zich kunnen laten ontbieden.”

„Ik moest toch bij u voorbij en had die advertentie gelezen. Zulke beuzelingen gaan ons zoo licht door ’t hoofd, en daarom dacht ik: nu moet ik het ijzer smeden, terwijl het heet is. Maar nog iets: Ik ben bij u ingeteekend op het „Tijdschrift voor de jeugd.” Mijn beide jongste dochtertjes lezen dat graag en mijn vrouw ziet het ook wel eens in. Ge schijnt daar een goede medewerkster te hebben gekregen, een die onder den pseudoniem van Helène schrijft. Mijn vrouw roemde haar bijzonder, en daar de vrouwen zeer nieuwsgierig zijn, had ze mij opgedragen, wanneer ik u bij toeval eens sprak, te vragen, wie die Helène is?”

„’t Spijt mij, dat ik u hierop geen antwoord kan geven,” antwoordde meneer Jansen, „’t schijnt een favorietje van den redacteur te zijn, en, naar ’t mij voorkomt, moet ze nog jong zijn ook. Bij gelegenheid echter zal ik ’t meneer Radinus wel eens vragen en dan zal ik ’t mevrouw melden.”

„Nu ja, van zooveel belang is ’t niet, en ’t zal nog te bezien staan, of dat jeugdige talent zoo voortgaat. Vogeltjes die zoo vroeg zingen zijn wel eens voor de poes. Adieu! meneer Jansen!”

Met veel buigingen en strijkages begeleidde de boekverkooper meneer den directeur tot op den stoep en deed het portier der vigilante open. „Naar de club!” zei meneer Walburg, stapte in en reed wel te vreden naar zijn sociëteit.

„Ik had dan toch niet mis gezien,” zei hij met die vergenoegdheid, welke zich van ons meester maakt, wanneer we vinden, dat we eens buitengemeen scherpzinnig geweest zijn. Later echter was zijn alleenspraak minder opgewekt, toen hij zei: „’t Spijt me toch van mijn plannen, ofschoon de knaap mij tegengevallen is; en nog meer van dien armen Nederhorst. Maar ik moet door een zuren appel heen bijten: beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ha, daar zijn we aan de club!”

Weinig dacht Rudolf, die dezen nacht zulke heerlijke droomen had, waarbij ’t horloge de hoofdrol speelde, dat zijn lot onherroepelijk beslist was.

Opgeruimder dan sedert eenige dagen begaf Rudolf zich naar de Bank en ging hij aan den arbeid. Hij was er echter nog niet lang, of hij werd op de directiekamer geroepen. Daar gekomen, vond hij er zijn oom geheel alleen, wiens gelaat niet veel goeds voorspelde.

„Rudolf,” zei hij, „het doet me leed, je te moeten zeggen, dat je me bent tegengevallen. Ik heb, helaas! tot mijn leedwezen bemerkt, dat ik me in je heb bedrogen. Ik had goede plannen met je; ik moet er echter bijtijds van afzien. ’t Spijt mij voor je—meer echter voor je braven vader, die al zijn hoop voor de toekomst op je gevestigd had. Op heden ben je uit je betrekking aan de Bank ontslagen. Hier is een cheque op den kassier, waarbij je ’t bedrag van de volle maand wordt uitbetaald. Pak terstond je goed, betaal je schulden en vertrek naar Weesp.”

„Maar oom!” zei Rudolf. „Waarom zulk een plotseling ontslag! Wat zijn de redenen?”

„Die zal ik je vader in een uitvoerigen brief bloot leggen en dan zal hij ze je wel meedeelen. Wellicht zal ’t je dan een les voor je leven zijn en zal je het later beter leeren waardeeren, wanneer men zich je lot aantrekt.”

„Oom!” zei Rudolf smeekend. „Kunt u ’t dan niet nog voor ditmaal eens inzien; zeg me, wat me ontbreekt, en ik zal het trachten te verbeteren.”

„Mijn besluit is onherroepelijk en ik verlang niet in bijzonderheden te treden. Doe wat ik je zeg. Vaarwel! God geve, dat je je verbetert.”

Diep terneergeslagen en niet begrijpende, waaraan hij dit plotseling ontslag te danken had, nam Rudolf de cheque aan en ging met tranen in de oogen de directiekamer uit. Daarop wisselde hij de cheque bij den kassier in geld, betaalde zijn kamerhuur de maand uit, liet zijn goed op ’t spoor bezorgen, en vertrok zelf met een bezwaard hart en angst voor den toorn zijns vaders naar Weesp.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

PAPA KOMT VREEMDE DINGEN TE WETEN.

’t Wordt tijd, dat we ook naar Weesp terugkeeren, maar een paar weken vroeger en wel op den tijd, dat Rudolfs brief aan Helène aldaar aankwam.

’t Is moeilijk de ontsteltenis te beschrijven, welke die brief haar veroorzaakte. Ze was juist op haar kamer, bezig haar bed op te maken, toen Trui hem haar boven bracht. Met smachtend verlangen had ze de komst van dien brief te gemoet gezien en met zenuwachtige haast scheurde ze er ’t couvert af. Nauwelijks echter had ze de eerste regels gelezen, waarin Rudolf schreef: „’t Horloge is weg! Mozes Zadok heeft het aan iemand verkocht, die zei, dat hij de eigenaar was,” of alles begon voor haar oogen te draaien, ze moest zich aan de tafel vasthouden, de brief viel uit haar handen en ze zonk op een stoel neder. Hoelang ze in dien half bewusteloozen toestand verkeerd had, wist ze niet: eindelijk kwam ze bij, maar ’t was of ze versuft was. Daarop herinnerde ze zich den brief, zag dien aan haar voeten liggen, nam hem op, las nog eens den aanhef en vatte toen moed, om het overige te lezen. Toen ze dat gedaan had, viel ze luid snikkend met haar gelaat op ’t nog afgehaalde bed en riep toen op wanhopigen toon uit:

„O, moeder! Waarom heb ik mij laten overhalen, uw erfenis uit handen te geven! Nu is zij verloren! voor altijd verloren! O, God! Welk een tijding!”

Toen ze lang genoeg geschreid had, richtte zij zich op, wischte haar tranen af, sloot den brief weg, sloeg nog een langen, smartelijken blik op ’t portret harer moeder, en ging toen weder aan den arbeid. Maar ze werkte niet met den lust en ijver, welken ze vroeger aan den dag legde—al wat ze deed, verrichtte ze met een doffe gevoelloosheid, als droomende, en toen ze beneden kwam, was ’t met gebogen hoofd en treurig gelaat. Haar vader bemerkte dat in zijn verstrooidheid niet op; wel Trui, die haar herhaalde malen vroeg, wat haar scheelde?

„Hoofdpijn, Trui,” antwoordde ze. „Ik denk, dat ik van nacht wat laag met mijn hoofd gelegen heb.”

„Ge overwerkt u, juffrouw,” zei Trui. „’t Is te veel voor uw krachten, ’t zal net zoolang duren, dat u ziek wordt. Ik zou ten minste maar naar mijn kamer gaan en wat stil gaan zitten.”

„Maar er is nog zooveel goed te verstellen en er zijn zooveel kousen te mazen,” zei Helène.

„Laat het goed zich zelf verstellen en de drommel de kousen mazen. Dat zit hier alle dagen te sjouwen en te ploeteren, als een dienstmeid; terwijl juffrouw Leonie daar in Amsterdam een leventje leidt als een prinses. Als ik in uw plaats was, dan zou ik tegen mijn papa zeggen, dat ik er voor bedankte, om hier alleen voor meid te spelen, en dat zij terug moest komen, om de helft van mijn werk over te nemen. En wat heb je er voor dank voor? Ternauwernood een goed woord. Neen, ik ben maar een dom mensch, maar zoo dom niet, of ik zeg, dat het hier alles behalve recht toegaat. Ik heb me wat geërgerd, toen juffrouw Leonie die paar dagen over was, en...”

„Laat je dat niet hinderen, beste Trui,” zei Helène glimlachend. „Leonie is nog jong. Zachts dat ze op dien leeftijd even goed haar genoegelijke dagen heeft als ik die gehad heb. Is ze zoo oud als ik was, toen onze omstandigheden veranderden—welnu, dan is het tijds genoeg om haar thuis te laten komen en haar aan ’t werk te zetten.”

„Wat wel nooit zal gebeuren!” zei Trui. „Uw oom en tante zouden haar niet laten gaan. En wat mij aangaat, ik ben er juist niet verlangend naar, want toen ze hier voor een paar dagen was, werd ik door haar gekommandeerd alsof ik zoo’n Oostinjesche slavin was. Ziet u, en dat ben ik nooit gewoon geweest, zelfs niet van mijn goede mevrouw, toen die nog leefde. Die was altijd de goedheid en vriendelijkheid zelf.”

„Ja, dat was ze wel,” zei Helène zuchtend, „en daarom heeft mijn arme vader zooveel aan haar verloren.”

„Dat heeft hij, de man;” zei Trui, „en dat moet ik zeggen, ik heb nog weinig twee menschen gezien, die zooveel van elkaar hielden. ’t Was zeker de zwaarste slag die hem kon treffen, en daarom kan ik hem veel van zijn raar humeur vergeven; ofschoon ik er weinig van te lijden heb en hij voor mij heel goed is en me nooit een overtogen woord zal geven. Maar ik zou zoodoende al mijn kostelijken tijd verbabbelen en ik moet van daag dubbel pootaan spelen. Want, u zult nu niets doen, niet waar, juffrouw?”

„Neen, Trui,” antwoordde Helène; terwijl ze de trouwe meid de hand reikte, en deze ’t vertrek verliet.

’t Gesprek met Trui had haar een weldadige afleiding van haar verdriet bezorgd. Daar waren zooveel andere gedachten door haar brein gegaan; want ofschoon ze ’t niet voor zich zelf wou weten, was ze niet zonder jaloezie op ’t lot van Leonie, en had de blijkbare voorkeur, welke haar vader tijdens haar verblijf aan zijn jongere dochter schonk, haar gehinderd. Trui’s voorliefde voor haar, ofschoon Trui maar een dienstbode was, deed haar goed; daarbij stemde ’t goedhartige oordeel over haar vader, dat zij zoo veel moeite had zichzelf op te dringen en dat de eenvoudige meid zoo rond en onbewimpeld uitsprak, haar vriendelijker, en ze herinnerde zich, hoe hij, schoon natuurlijk eerst driftig over ’t verdwijnen van ’t horloge, haar den volgenden dag reeds daarvan niets had laten merken. En zoo namen haar gedachten langzamerhand een andere richting en gevoelde ze zich niet meer zoo diep rampzalig als straks.

„Wat scheelt er aan, Helène, dat je niet eet?” vroeg Dora ’s middags aan tafel.

„Je ziet zoo bleek,” voegde Alfred er bij.

Meneer Nederhorst keek op. Met zijn gewone afgetrokkenheid had hij niets gemerkt. Thans zag hij, dat zij er bleek en afgemat uit zag.

„Scheelt er wat aan, Helène?” vroeg hij deelnemend.

„Ik heb zware hoofdpijn, pa,” antwoordde zij.

„Je werkt te hard, kindlief,” zei meneer Nederhorst. „Je moet straks naar bed gaan, en als ’t morgen niet beter is, dan laat ik den dokter komen.”

„’t Zal morgen wel beter zijn,” verzekerde Helène. „Ik zal echter uw raad opvolgen en dadelijk na de thee naar bed gaan.”

„Dan kom ik bij je zitten en zal je wat voorlezen,” zei Dora. „Ik mag immers wel, Helène?”

„Neen, ik zal het doen,” zei Alfred. „Ik heb een heel mooi verhaaltje, dat ik te leen heb gekregen van Karel. ’t Is gemaakt door een juffrouw, die net zoo heet als jij, Helène.”

„Dat is goed. Maar dan mag ik toch zoolang bij Helène opzitten, terwijl jij leest. Niet waar, Helène! En als je dan wat noodig hebt, dan haal ik het voor je.”

„En we zullen ons van avond zelf wel uitkleeden,” zei Alfred.

„En ons goed netjes opvouwen, precies alsof je er bij bent,” voegde Dora er bij.

„Maar moet je dan geen werk voor school maken!” zei Helène.

„Dat zullen we netjes afmaken vóor het theedrinken,” antwoordde Alfred. „We zullen ’t heel keurig doen. Je hoeft er niet naar te kijken.”

’t Scheen, dat meneer Nederhorst getroffen was door de ongekunstelde blijken van innige liefde en toegenegenheid, door zijn beide jongste kinderen voor hun oudste zuster aan den dag gelegd.

„Hoor eens, Helène,” zei hij. „Ik oordeel ’t noodig, dat je terstond na den eten te bed gaat. Intusschen kunnen Dora en Alfred hun werk maken. Trui zet het theegoed op je kamer. Dan schenkt Dora thee, Alfred leest je voor en ik kom bij je theedrinken en naar ’t verhaaltje van die juffrouw Helène luisteren.”

„O, dat is lief van u, pa,” zei Helène, terwijl ze hem met een dankbaren blik aanzag.

Zoodra Trui kwam afnemen, gaf Helène de noodige bevelen.

„U heeft wel gelijk, juffrouw,” zei Trui. „’t Is misschien zware gevatte kou en die moet er door transporteeren uit.”

„En jij zet thee, hoor; want Dora zal schenken,” vervolgde Helène.

’t Deed haar werkelijk goed, toen ze te bed lag, ofschoon slechts voor haar vermoeid lichaam; wat haar geest aangaat: de heden ontvangen tijding woedde, nu ze alleen en ’t lichaam tot rust was, met dubbele hevigheid door haar brein, zoodat er geen denken was aan slaap. Maar ’t moede, pijnlijke hoofd rustte en dat was al een troost. Trui bracht het theegoed, Dora, die al sedert een half uur met Alfred bij haar was, zette zich heel deftig aan de theetafel; terwijl Alfred met de aflevering van het Tijdschrift voor de jeugd, waarin Helène’s verhaal stond, voor haar bed ging zitten.

Pa kwam en ging terstond naar ’t bed.

„Hoe is het, lieve?” vroeg hij.

„’t Gaat nog al, pa,” antwoordde ze met een vergenoegden glimlach en een dankbaren blik.

’t Is nog iets anders zich zelf te lezen of zich door anderen te hooren lezen en Helène zelf luisterde met aandacht naar haar eigen verhaal, dat met een lieve, duidelijke en buigzame stem werd voorgedragen en waarin zij schoonheden vond, welke zij zelf niet wist dat er zich in bevonden. Het verhaaltje scheen haar vader ook te bevallen, tenminste hij luisterde met alle oplettendheid. Betrekkelijk gevoelde ze zich gelukkig; als daar achter maar niet die rampzalige tijding van dezen morgen geweest was. In deze oogenblikken echter vergat ze al wat haar de ziel bezwaarde en genoot de liefde, die haar bewezen werd. En toen de thee afgeloopen en haar vader naar zijn kamer teruggekeerd was, toen ook Dora en Alfred naar bed waren, toen daalde de engel der vertroosting op haar neder in een balsemenden slaap en vertoonden bont gevleugelde droomen haar een uitkomst zoo schoon, als zij slechts kon wenschen. Wel verstoorde ’t ontwaken in den morgen die van goudstof geweven beelden; maar de glimlach op haar lippen toonde, dat ziel en lichaam ten minste eenige uren rust en verkwikking gesmaakt hadden.

Haar hoofdpijn was beter; maar ze gevoelde toch een zwaarte in de leden en een zekere matheid, die haar anders niet eigen was. Overtuigd, dat dit nog de overblijfselen van den schrik van gisteren waren, stond zij op, hielp de kinderen, zette het ontbijt gereed en wachtte haar vader op, die met belangstelling naar haar gezondheid vroeg en wien ze geruststelde met de verzekering, dat zij weer beter was.