Part 6
„O, ma! U moet niet zoo verdrietig zijn,” zeide zij. „Pa kan ’t vast wat beter doen, want hij heeft mij daar juist gezegd, dat ik, als ik extra geld voor u noodig had, maar bij hem moest komen, en hij was vriendelijk tegen mij. Vindt u dat niet heerlijk, ma!”
„Pa is zoo goed, Helène, al toont hij dat uiterlijk niet,” zei mevrouw Nederhorst, haar tranen drogende. „O, Helène, het bedroeft mij zoo dat pa maar niet gelooven wil in welk een gevaarlijken toestand ik mij bevind. Als ik eens stierf, zou hij ’t zooveel te zwaarder voelen!”
Op dit oogenblik werd de deur der kamer met groot geweld opengedaan en kwam Rudolf, doodsbleek en verschrikt aanloopen. ’t Bloed liep tappelings uit zijn hand, waarin hij zich een diepe snee tusschen duim en vinger had toegebracht.
„Wat heb je uitgevoerd, Rudolf?” vroeg de verschrikte moeder, die van de sofa opstond en geweldig aan de schel trok.
„Ik heb mij zoo vreeselijk gesneden!” zei Rudolf.
„Trui! Loop eens terstond naar den eersten dokter den beste. Zie eens, hoe Rudolf zich gesneden heeft.”
Trui liep terstond heen, en kwam spoedig met een dokter terug. ’t Was niemand anders dan dokter Faminga, dien ze toevallig dicht bij ’t huis ontmoet en te hulp geroepen had. De goede man, wien ze in een paar woorden ’t voorgevallene had medegedeeld, had geen oogenblik geaarzeld, om aan ’t verzoek der oude dienstmaagd te voldoen en was haar ’t huis in en den trap op gevolgd.
Terstond liet hij zich ’t noodige linnen geven en verbond hij de hand van Rudolf; maar mevrouw Nederhorst zag niet zoodra dat haar zoon hulp had, of haar geestkracht ontzonk haar, en overspannen als ze geweest was, viel ze bezwijmd op de kanapé neer.
Nadat dokter Faminga de hand van den knaap verbonden had, begaf hij zich naar de bezwijmde moeder, en ’t gelukte hem, haar door de aanwending van eenig vlugzout, dat hij toevallig bij zich had, tot bewustzijn terug te brengen. In dien tusschentijd was meneer Nederhorst, door Trui gewaarschuwd, die hem eenige bijzonderheden aangaande ’t bevinden van den dokter had meegedeeld, op de kamer gekomen. Toen nu zijn vrouw weer bij bewustzijn was, wendde hij zich tot den dokter.
„Wat ben ik u schuldig, meneer?” vroeg hij.
„Ik neem geen geld voor visites, mijnheer,” antwoordde dokter Faminga. „Ik ben geen practiseerend geneesheer meer.”
„Dat is mij hetzelfde. Ik verlang u te betalen.”
„Ik kan geen geld aannemen, meneer! en ik zou ’t niet mogen doen ook; daar ik geen patent meer heb. Vergun mij morgen eens terug te komen en naar de beide patiënten te zien. Hier is mijn kaartje.”
Dit zeggende reikte hij meneer Nederhorst zijn kaartje over.
„In ’t geheel niet,” antwoordde deze trotsch. „Ik verlang geen aalmoezen aan te nemen, en ’t allerminst van iemand, die vast schijnt voorgenomen te hebben zich in mijn huis te dringen.”
„Ik ben niet in uw huis gedrongen, meneer Nederhorst,” zei dokter Faminga op een toon die aantoonde, hoe zeer hij zich beleedigd achtte over den onbeleefden uitval van meneer Nederhorst. „De wond van uw zoon heeft verdere hulp noodig, indien u niet wilt, dat hand of duim stijf worden. Gevaarlijker echter is de toestand uwer vrouw. Ze heeft onmiddellijk geneeskundige hulp noodig.”
„Daar zal ik wel voor zorgen,” antwoordde meneer Nederhorst, die nu begon te denken dat het dokter Faminga was, die ’t hoofd van zijn vrouw met al die inbeeldingen van sterven had vervuld.
Den volgenden morgen vertrok meneer Nederhorst voor zijn zaken naar Amsterdam, en verzocht dokter Manders met hem mee te gaan, om zijn vrouw eens te komen zien.
„Wat is uw oordeel?” vroeg hij, toen dokter Manders haar gezien had en zij op meneers kamer waren.
„De zaak is uiterst kritiek,” antwoordde de dokter. „Ik mag u met geen valsche hoop vleien. Herstelling is onmogelijk, er kan zelfs onmiddellijk alle gevaar bij komen. Ik had het reeds te Amsterdam voorspeld. Een badkuur had haar misschien toen kunnen redden; doch ’t is nu onmogelijk.”
„Overdrijving, dokter, niets dan overdrijving!” riep meneer Nederhorst uit. „Mijn vrouw heeft zich hier door iemand, die zich den titel van dokter geeft, laten wijsmaken, dat ze een doodelijke kwaal heeft, waarvan geen herstel mogelijk is, en nu is haar zwakke zenuwgestel daardoor aangetast. Lastige en gevaarlijke menschen, die zich indringen in iemands huis en dan zulke adviezen geven.”
„Welnu, meneer! Als u dan op mijn oordeel niet vertrouwt,” zei dokter Manders, „laat ons dan consult houden met een der hier wonende doctoren. Dan hebt u tevens een practiseerend geneesheer; want u weet, welk een drukke praktijk ik heb, en dat het mij bijna onmogelijk is, zelfs een enkele maal over te komen.”
Meneer Nederhorst voelde waarschijnlijk wel, dat dokter Manders hem niet op zulke ontzaglijke kosten wilde jagen als een dagelijksche overkomst uit Amsterdam natuurlijk na zich zou sleepen; tevens begreep hij, dat hij zijn toevlucht zou moeten nemen tot een der Weesper geneesheeren die dan met dokter Manders correspondentie kon houden. „Waarschijnlijk weet u wel, dokter, wie hier voor den knapsten dokter gehouden wordt,” zei meneer Nederhorst.
„Dokter Van Esch wordt zeer geroemd,” antwoordde dokter Manders.
Meneer Nederhorst zond Trui naar dokter Van Esch, met verzoek of hij terstond bij hem wilde komen. Weldra verscheen dokter Van Esch en werd door den Amsterdamschen geneesheer op de hoogte gebracht van den toestand der zieke. Daarna bezochten zij gezamelijk de zieke, en beloofde hij haar te zullen behandelen en zijn Amsterdamschen collega op de hoogte te houden, die dan van tijd tot tijd eens zou over komen. Eenige weken waren verloopen en ’t scheen, dat mevrouw Nederhorst, onder de dagelijksche geneeskundige behandeling en de zorgvuldige oppassing harer dochter begon op te knappen. Dokter Manders kwam geregeld elken Zondag om de veertien dagen over en toonde zich zeer tevreden over den voortgang der ziekte; doch, wanneer meneer Nederhorst hem bij ’t heengaan vroeg, hoe hij de patiënt vond, schudde hij steeds het hoofd.
„Altijd in een hoogstgevaarlijken toestand,” zeide hij. „Laat u door die schijnbare beterschap niet misleiden. Ik ken die gestellen: eensklaps komt er, zonder dat men er de oorzaak van kan vermoeden, een verandering en ze ontvallen ons, eer we ’t vermoeden. Vlei u daarom nog niet; wat de zomer kan uitwerken, is een zaak, die ik niet kan bepalen.—Op dit oogenblik verkeert uw vrouw nog steeds in een toestand, waarop in ’t geheel niet te bouwen is.”
„Zwaarhoofd!” zei meneer Nederhorst dan als hij den dokter had uitgelaten. „’t Komt omdat hij haar niet alle dagen ziet. Dokter Van Esch, die toch ook een knap man is, geeft mij alle hoop, zoo niet op geheel herstel, dan toch op behoud.”
Wie kan ’t den armen man kwalijk nemen, dat hij, ziende hoe zijn vrouw opknapte, meer vertrouwen in den Weesper geneesheer stelde, die hem hoop op een voor hem reeds zichtbare beterschap gaf, dan in den Amsterdamschen, dien hij oordeelde, dat door een te donkere bril zag.
Mevrouw Nederhorst echter bleef haar positie slechts al te goed gevoelen; want ofschoon ze zich beter gevoelde en geen pijn meer leed, bleef haar toch, ondanks de schijnbare toeneming harer krachten en hoewel ze er beter uitzag, steeds dat gevoel van zwakte bij, dat haar voortdurend belette, iets te doen, ja, zich zelf te helpen. Ze zei er echter niemand iets van, zelf niet aan Helène, die even als haar vader, aan de stellige beterschap der zieke geloof sloeg.
„Zeg aan Trui, dat ze schoon linnengoed in mijn reistasch doet,” zei meneer Nederhorst op zekeren dag tegen Helène, toen hij van tafel opstond. „Ik ga morgen ochtend vroeg op reis.”
„Wel, pa, dat zal ik zelf wel doen,” antwoordde Helène. „U blijft toch niet lang weg, hoop ik.”
„Langer dan anders; stellig een dag of drie,” antwoordde meneer Nederhorst, op vriendelijken toon. „En op mijn terugreis ga ik bij oom Walburg aan en denk Leonie mee te brengen. Ze is hier al een heelen tijd niet geweest, en daarenboven, je hebt het tegenwoordig zoo druk, dat ze wel eens een paar weken mag komen helpen.”
Na afscheid van zijn vrouw genomen te hebben, die hij met een gerust hart verliet, kuste hij Helène goeden dag.
„Zorg goed voor ma, Helène,” zeide hij. „Ze is je volkomen toevertrouwd.”
Met deze woorden verliet hij ’t huis.
Toen ze, na haar broertje en zusje te bed gebracht te hebben, bij haar moeder binnenkwam om haar volgens gewoonte den geheelen avond gezelschap te houden en haar wat voor te lezen, zei mevrouw Nederhorst:
„Laat het boek vooreerst maar toe; ik wenschte eens met je te spreken.”
Helène dacht, dat dit het een of ander over huiselijke zaken zou zijn, en zette zich neder, om oplettend te luisteren.
„Hoor eens, Helène, pa denkt, dat ik buiten gevaar ben, omdat ik geen pijn meer heb en er beter uitzie, en dokter Van Esch schijnt dit ook te gelooven; maar dokter Manders weet het wel beter. En als hij ’t niet beter wist, dan zou ik het wel beter gevoelen. Ik zal niet lang meer bij je zijn.”
„Maar, lieve ma! Hoe kunt u zoo iets denken. Zie u zelf maar in den spiegel, en dan zult u bemerken, dat u er veel beter uitziet dan u gedaan hebt. En wat hebt u rustige nachten; en in ’t geheel geen pijn meer...”
„Dat alles is volkomen waar,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik kan er God niet dankbaar genoeg voor zijn, dat Hij mij zulke kalme, pijnlooze dagen schenkt. Maar ik voel, dat ik er wel eens plotseling uit kon zijn. En daarom, lieve, wil ik er je op voorbereiden; opdat de slag je niet te onverwachts moge treffen.”
„Nu, ik hoop dat dokter Van Esch de waarheid spreekt, en u weer geheel beter wordt,” zeide Helène.
„We willen ’t hopen, kind,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Doch hopen is nog geen gelooven. Geloof mij, vertrouw niet te veel op een beterschap, die bedriegelijk is. In alle gevallen wil ik gebruik maken van den tijd, dien ik nog bij je ben.”
Een oogenblik zwegen beiden, zooals ’t wel meer gaat, wanneer men elkander niet kan overtuigen. Daarop hervatte mevrouw Nederhorst:
„Geef mij mijn juweelkistje eens aan, lieve!”
Helène gaf het haar.
„Daar is weinig van overgebleven,” hernam haar mama, „’t meeste heb ik opgeofferd, om onze zaken te redderen. Doch dat weinige wil ik onder mijn kinderen verdeelen. Als ik kom te sterven, zal jij voor de uitvoering daarvan zorgen, niet waar?”
„Maar, lieve ma!” riep Helène uit, terwijl haar de tranen in de oogen sprongen. „’t Is, alsof u op het punt bent van te sterven.”
„We zijn alle dagen in doodsgevaar, kindlief,” antwoordde mevrouw Nederhorst ernstig. „En ’t is beter, dat ik het nu doe, dan dat ik het uitstel tot dat ik op mijn sterfbed lig. Krijg nu even wat papier, pen en inkt”.
Hierop pakte haar ma een paar juweelen oorbellen in, en wou er iets op schrijven; doch haar hand beefde te veel.
„Schrijf jij ’t Helène, maar verzegel ’t eerst met mijn cachet.”
Nadat dit gedaan was, zeide zij:
„Schrijf: Voor Leonie, ter gedachtenis aan haar liefhebbende moeder. Haar te overhandigen, wanneer zij haar zestiende jaar bereikt heeft.”
Toen Helène dit gedaan had, werd het pakketje weer in ’t juweelkistje gelegd. Een ander pakje werd gemaakt van een juweelen ring en daarop de naam van Dora geschreven; toen een juweelen speld voor Rudolf, een gouden ketting voor Alfred, en een keurig bijbeltje, dat ze dagelijks gebruikt had, met een paar andere boeken voor haar man.
„En nu, Helène, is ’t jou beurt,” hervatte mevrouw Nederhorst. „Dit, met diamanten omzette horloge met gouden ketting is voor jou. Ik kreeg het eens, in onze gelukkige dagen, van je vader, toen je geboren werdt. Het komt je dus toe. Bewaar het trouw en zorg er voor als voor de dierbare erfenis van je overleden moeder. Maar ik weet, dat je dit doen zult.”
Met tranen in de oogen beloofde Helène dat zij er de grootst mogelijke zorg voor zou dragen en het boven alles zou waardeeren; maar dat zij hoopte, ’t nog in geen jaren in bezit te zullen krijgen.
„Ga nu aan ’t lezen, kindlief!” zei haar moeder; terwijl ze vermoeid van die inspanning in de kussens, die op haar sofa gelegd waren, terugzonk. Helène las een hoofdstuk uit het boek waaraan zij bezig was. ’t Was een godsdienstig werk; waarin veel over de vreugde in den Hemel kwam. Toen ze ’t hoofdstuk uit had, zei mevrouw Nederhorst:
„Roep Trui, dan kun je me samen naar bed brengen. Ik ben moe.”
Helène voldeed aan den wensch harer moeder, en riep Trui. Met haar beiden brachten ze de zieke te bed, die van avond zoo zwak was, dat ze haar bijna in ’t bed moesten dragen.
„U bent erger, ma! Laat Trui naar den dokter gaan!” zei Helène.
„Volstrekt niet. Ik ben wat erg zenuwachtig. Geef mij wat van mijn druppels.”
Helène gehoorzaamde en gaf haar mama in.
„Dat doet me goed,” zei mevrouw Nederhorst. „Ziezoo, nu bedaart het al wat.”
„Maar wezenlijk, ma; laat Trui naar den dokter gaan,” smeekte Helène. „Is het dan niet om u, laat het dan voor mij zijn. Daarenboven, als u eens iets overkwam, zou ik ’t voor pa niet kunnen verantwoorden.”
„Nu, ’t is goed,” zei mevrouw Nederhorst, „Trui, loop even naar den dokter en vraag hem, of hij vóor den nacht nog eens aankomt.”
„Ik zal dadelijk gaan, mevrouw,” zei Trui. „En u doet goed, dat u hem laat komen. ’t Is altijd een gerustheid voor den nacht.”
Trui vertrok.
„Hoe voelt u je nu?” vroeg Helène.
„Veel beter dan straks. De druppeltjes hebben mij goed gedaan. Eigenlijk is de visite van de dokter overtollig.”
„’t Is voor onze gerustheid, ma!” antwoordde Helène. „U was daar straks zoo naar. Als de dokter er geweest is zal ik mijn bed hier op de kamer laten brengen; want ik laat u niet alleen.”
„Dat is goed”, antwoordde mevrouw Nederhorst. „Als ik dan wat noodig heb, kan ik je roepen.”
Spoedig kwam Trui met dokter Van Esch terug. Hij voelde den pols der zieke.
„U hebt u erg zenuwachtig gemaakt, mevrouw,” zei hij, „en moet alle overspanning vermijden. Hebt ge al van de druppels gebruikt, die ik u voorgeschreven heb?”
„Mijn dochter heeft ze mij daar straks ingegeven,” antwoordde zij.
„Welnu, vóor den nacht nog eenmaal; dan zult ge zeker een goeden slaap hebben en u morgen wel beter gevoelen. Ik kom mijn eerste visite bij u maken.”
Helène liet den dokter uit.
„Vindt u ma werkelijk niet erger?” vroeg zij.
„Wees niet al te bezorgd, kindlief,” zei hij; „doch bespaar ma alle mogelijke aandoening. Is er ook reden voor, dat ze zich zoo zenuwachtig heeft gemaakt?”
„Ze sprak van avond over haar aanstaande heengaan en heeft eenige beschikkingen gemaakt bij geval zij kwam te overlijden,” zei Helène.
„Alles verkeerd,” zei de dokter. „Praat maar zoo weinig mogelijk met haar en zie haar iets voor te lezen, dat haar afleiding geeft. Ze moet om andere dingen denken, of slapen. ’t Is een ongelukkig verschijnsel van haar ziekte, dat de patiënt zich steeds opwindt.”
Toen Helène weer in de kamer van haar moeder terug kwam, was Trui reeds bezig, om het beddengoed in het vertrek te brengen. Helène hielp haar, en weldra was haar bed gespreid. Haar mama had echter een gerusten nacht en sliep veel. Slechts tweemalen had ze Helène gewekt.
Toen de dokter den volgenden dag kwam, vond hij zijn patiënt erg mat. Hij beval dus, dat ze maar even zou opzitten en verder den geheelen dag te bed zou blijven.
„Is ’t ook noodig, om pa te telegrapheeren?” vroeg Helène.
„Volstrekt niet,” zei de dokter. „Waartoe zou dat dienen? ’t Is een tijdelijke achteruitgang, die zich spoedig zal herstellen. Ik kom van avond tijdig terug; is het dan noodig, welnu, dan is het tijd genoeg.”
Mevrouw Nederhorst scheen dien dag vrij wat op te knappen. Ook de dokter vond haar dien avond wat beter. Doch dokter Manders had de zaak beter ingezien.
Toen Helène dien avond naar bed zou gaan, en ze haar moeder goeden nacht kuste, zei deze:
„Morgen komt pa met Leonie, niet waar?”
„Hoe dat, ma? Voelt ge u dan weer minder?”
„Neen, dat niet; maar ik zal toch blij zijn, als pa weer thuis is. Nu, goeden nacht, Helène. Als ik wat noodig heb, zal ik je roepen.”
Helène legde zich niet zonder ongerustheid op haar kermisbed neder. Tweemalen stond ze nog op, en bevond, dat haar moeder gerust sliep. Door den slaap overmand was zij weldra in diepe rust verzonken. Reeds vroeg in den morgen werd ze wakker, sprong op en snelde naar ’t bed der zieke. Geen ademhaling liet zich hooren. Eerst meende Helène, dat haar moeder gerust sliep en wilde ze een kus op ’t bleeke voorhoofd drukken. Doch met een gil deinsde ze terug: dat ijskoude voorhoofd gaf haar te kennen, dat die lieve moeder dezen nacht tot de eeuwige rust was ingesluimerd.
„O, mijn God!” riep zij. „En ik heb geslapen! Misschien heeft ze mij nog geroepen. Misschien is ze benauwd geweest!”
Doch een blik op dat stil en rustig gelaat met dien vriendelijken glimlach om den mond, bewees maar al te zeer, dat de zieke van den slaap in den dood was overgegaan!
ZESDE HOOFDSTUK.
ZWARE LAST OP ZWAKKE SCHOUDERS.
Op den gil van Helène was Trui verschrikt komen toeschieten. ’t Was aan haar trouwe borst, dat het arme kind zich wierp en in tranen uitbarstte. De goede dienstmeid zag terstond wat er gebeurd was en poogde haar te troosten.
„O, Trui! Wie had dat gedacht!” snikte ze. „En gisterenavond vond de dokter haar nog al redelijk.”
„Ik heb het wel gevreesd, jongejuffrouw,” zeide Trui. „Die erge zwakte beviel mij niet. Men ziet het wel eens meer met zulke zwakke menschen, dat ze ons ontvallen, voor men er op verdacht is. Dokter Manders had er al van den beginne een zwaar hoofd in. Laatst, toen hij hier was, hoorde ik hem tot uw papa zeggen: Reken niet te veel op die beterschap, meneer! zulke patiënten ontvallen ons dikwerf plotseling.”
„Loop terstond naar den dokter en vraag hem, of hij dadelijk hier komt. Het kon wel eens een flauwte zijn, die veel op den dood geleek.”
„’t Kan zijn,” zeide Trui in zichzelf, „ofschoon ik er aan twijfel.”
Een oogenblik later was Trui de deur uit en naar dokter Van Esch, die weldra met haar meekwam, en bevestigde, dat mevrouw Nederhorst werkelijk gestorven was.
„’t Is mij onverklaarbaar,” zei hij. „Is er gisteren nadat ik weg was, ook iets met mama gebeurd?”
„Volstrekt niets,” antwoordde Helène. „Alleen scheen ze zich doodzwak te gevoelen. Wel vroeg ze, wanneer pa en mijn zuster Leonie terugkwamen.”
„Zonderling!” hernam de dokter. „Ik had zoo gehoopt, dat we die zwakte zouden overwinnen. Dokter Manders heeft het mij wel voorspeld; trouwens hij kende haar gestel beter dan ik, omdat hij jaren lang over haar gepractiseerd heeft. Papa is nog uit de stad, niet waar?”
„We verwachten hem vandaag thuis,” antwoordde Helène. „O, ’t zal een slag voor hem zijn!”
„Er is geen twijfel aan, of mevrouw is dood,” zei de dokter tot Trui, toen deze hem uitliet. „Tracht de jongejuffrouw uit de sterfkamer te verwijderen.”
Trui deed wat haar bevolen was, en overreedde Helène om haar broertje en zusje te gaan kleeden. Dan kon zij met hen terugkomen, om hun de gestorven moeder te laten zien. Helène deed werktuigelijk wat Trui zeide, en in dien tusschentijd verrichtte Trui de gewone plichten aan de afgestorvene; „want,” zeide ze, „geen vreemde hand zal mijn lieve mevrouw aanraken.”
Toen Helène met de beide kinderen binnentrad, lag haar moeder met gevouwen handen, als bad ze in haar slaap. Dora en Alfred hadden niet het minste begrip van dood en vroegen of ma nu niet wakker zou worden.
„Neen, lieve Dora,” antwoordde Helène. „Ma slaapt, om te ontwaken bij onzen lieven Heer.”
„Maar ik wou liever dat ma wakker werd,” zei Alfred.
„En dat ze bij ons bleef,” voegde Dora er bij.
„Dat kan niet,” antwoordde Helène; terwijl ze met de kinderen de kamer verliet.
„Moeten we niet naar school, Helène?” vroeg Dora, nadat ze ontbeten hadden.
„Vandaag niet,” antwoordde Helène. „Ga nu maar zoet wat samen spelen, hoor.”
„We zullen heel stil zijn, om ma niet wakker te maken,” zei Alfred.
„Dat is heel goed,” antwoordde Helène treurig.
Met den middagtrein kwam meneer Nederhorst terug. Op raad van den dokter had Helène geen luiken gesloten. Daar hij niet juist den trein had bepaald, waarmee hij zou thuiskomen, was hij er niet verwonderd over, dat Helène hem niet van ’t station kwam halen—daarenboven oordeelde hij ’t beter, dat ze bij haar moeder bleef. Helène keek door de vensters, en toen ze hem den weg zag afkomen met Leonie naast hem, klopte haar hart geweldig. Toch vond ze kracht genoeg, om naar beneden te snellen en hem open te doen.
„Hoe is ’t....?” doch eensklaps zweeg hij, toen hij haar beschreid gelaat zag. „Is er wat met ma?” vroeg hij angstig.
„O, pa! Iets verschrikkelijks!” snikte Helène. Meneer Nederhorst wachtte geen verdere verklaring af, maar snelde zonder een enkel woord te spreken naar de kamer zijner vrouw. Helène liep hem na; doch toen ze aan de geopende kamerdeur kwam, was ze er juist bijtijds, om haar ongelukkigen vader als levenloos op den grond te zien storten. Een oogenblik later was Trui bij haar.
„Jongejuffrouw,” zei deze. „Ik kan uw papa onmogelijk verlaten, en toch heeft hij een dokter noodig. Als u eens naar dokter Van Esch wilde loopen. Terwijl zal ik mijn best doen, om uw papa bij te brengen.”
„Ik zal terstond gaan, Trui,” antwoordde Helène, die bleek zag van den schrik, en ze snelde naar haar kamer om zich aan te kleeden. Toen ze juist de deur wilde uitgaan, hoorde ze de stem van Leonie die haar riep.
„Wat is er toch gebeurd?” vroeg deze. „Dora en Alfred vertellen mij, dat ma slaapt. Is dat een thuiskomst! Was ik maar in Amsterdam gebleven!”
„Wat er gebeurd is, Leonie!” riep Helène uit. „Heb je het niet begrepen? Ma is van nacht gestorven!”
„Ma dood!” riep Leonie uit. „En waarom mij dat niet dadelijk gezegd? O, moest ik daarvoor hier komen!”
Helène liet haar een oogenblik uitschreien.
„Zet je hoed op, en ga met mij mee om den dokter te halen. Pa heeft een flauwte gekregen.”
„Ik mee de straat op! Dat kun je begrijpen,” antwoordde Leonie. „Laat mij maar uithuilen; want die tijding is verschrikkelijk.”
Helène antwoordde niets meer, maar snelde alleen het huis uit, den weg op naar dokter Van Esch.
Hij was gelukkig thuis, en hij ging terstond met haar mede. Hij vond meneer Nederhorst nog bewusteloos, bracht hem met behulp van Trui naar zijn kamer, waar ze hem uitkleedden en te bed legden.
„Er zal vannacht bij hem gewaakt moeten worden,” zei de dokter. „Hoe zult u dat doen?”
„O,” zeide Helène. „Ik zal wel in den voornacht waken: dan kan Trui ’t in den nanacht doen.”
„Heel goed; maar dat kunt u niet lang uithouden,” zei de dokter. „Hebt u geen familie, die u kan helpen?”
„Mijn oom Walburg, de eigen broer van ma, woont in Amsterdam,” zei Helène. „Ik zal hem van avond schrijven; dan kan hij maatregelen nemen.”
„Dat is goed,” antwoordde de dokter. „Maar uw vader heeft volstrekt stilte noodig. Hoe zult ge ’t met die twee kleinen maken, die toch, zoolang uw moeder boven aarde staat, niet naar school kunnen gaan. Dan, zooals u me vertelde, is daar nog uw zuster Leonie, wier handen natuurlijk verkeerd staan en die de drukte maar vermeerdert!”
„Leonie zal misschien wel naar Amsterdam terug willen,” zei Helène. „’t Ergst is, dat zij daar ’s avonds zal aankomen.”
Dokter Van Esch dacht een oogenblik na.
„Ik heb er een middel op gevonden,” zei hij, en schreef op een receptenpapier het volgende telegram:
„Walburg, Keizersgracht, Amsterdam.
Uw zuster erger. Uw zwager ziek. Kom zoodra mogelijk. Leonie komt trein 7.5 uur terug.