Chapter 5 of 17 · 3996 words · ~20 min read

Part 5

„Ma,” zei hij, „u ziet er niet goed uit. U is toch niet ziek hoop ik!”

„’t Is maar wat hoofdpijn, Rudolf,” antwoordde mevrouw Nederhorst, terwijl ze weer ging zitten. „Kom, neem eens hier naast mij plaats, en vertel me veel van je; dan gaat de hoofdpijn van zelf over.”

Rudolf ging naast zijn moeder zitten, die met veel belangstelling naar hem luisterde en hem van tijd tot tijd eenige vragen deed, die hij beantwoordde.

Intusschen verrichtte Helène haar gewone bezigheden, en daar ’t langzamerhand etenstijd werd, dekte ze de tafel. Nu kwam ook meneer beneden, die Rudolf verwelkomde, doch met zulk een stroef gezicht, dat de knaap een groot verschil tusschen de ontvangst van hem en die van zijn moeder opmerkte.

Men zette zich aan tafel en Trui bracht het eten op. Rudolf keek raar op over den eenvoudigen pot en was op het punt om er iets van te zeggen. Zijn moeder bemerkte het en gaf hem een wenk om te zwijgen.

Hij was de eenige, die aan tafel sprak. Hij wist niet, dat er sedert hun ongeluk genoegzaam geen woord aan tafel gesproken werd; daar het somber en streng gezicht van meneer Nederhorst langzamerhand elk gesprek had doen verstommen. Hij had zooveel te vragen en te vertellen, en de anderen hadden hem zooveel te antwoorden, dat het gesprek aan tafel dien middag vrij levendig was. Meneer Nederhorst mengde er zich echter niet in. Toen de maaltijd geëindigd was, bracht Trui een lekkere zandtaart binnen, welke zij ter eere van Rudolf gebakken had.

„Nu, daar heb je eer van, Trui,” zei hij, toen de meid weer binnenkwam, om ’t een en ander af te nemen. „Je schijnt in ’t bakken niet achteruitgegaan te zijn, al is je keuken vrij wat kleiner. Apropos, Papa! Ik had haast Ernst van Hogenberghe meegebracht. Ik ben echter blij, dat ik ’t niet gedaan heb; want in zulk een klein huisje als dit zou ik hem niet hebben durven brengen.”

’t Gelaat van meneer Nederhorst betrok nog meer. Helène stootte Rudolf onder de tafel aan; maar hij scheen den wenk niet te begrijpen.

„Ik hoop echter, pa,” vervolgde hij, „dat u niet van plan bent, hier lang te blijven; dan breng ik hem met de zomervacantie mee.”

„Ik heb je raad of voorlichting niet noodig, Rudolf,” zei meneer Nederhorst streng, „en ben in ’t geheel niet van plan, jou daarover te raadplegen.”

Rudolf zweeg, en was blij, dat pa naar boven trok en hij weer zonder omwegen met ma en Helène kon praten.

„Helène,” zei hij den volgenden dag tegen zijn zuster, toen hij met haar alleen was, „zou ’t waar zijn, dat pa al zijn geld verloren heeft? Of zou hij zich maar zoo arm houden?”

„Hoe kom je daaraan, Rudolf? pa zal toch niet voor zijn pleizier ons groote huis op de Keizersgracht en onze prachtige meubelen verkocht hebben.”

„Maar hoe is pa dan al zijn geld zoo op eens kwijt geraakt?”

„Dat weet ik niet. Ik heb alleen hooren zeggen, dat pa gespeculeerd heeft en dat de speculatie tegengevallen is. Als ’t anders was geloopen, dan zou hij schatrijk zijn geweest. Maar spreek er in vredesnaam geen woord van tegen ma. Ze lijdt er genoeg onder en ’t verdriet hoeft haar niet zwaarder gemaakt te worden dan ’t al is.”

„Ik zal er met ma niet over spreken; maar toch vind ik het onaangenaam, dat pa mijn weekgeld zoo verminderd heeft. Op de school van meneer Voornvisser gaan allemaal jongelui van rijke ouders, die overvloed van zakgeld krijgen. Ze hebben er al aanmerking op gemaakt, dat ik sedert een paar maanden zoo schraal bij kas ben. Vroeger had ik overvloed van geld en kon aan alles meedoen.”

„’t Is zeker onaangenaam voor je—ik wil ’t niet tegenspreken,” hernam Helène. „Maar bedenk eens, hoeveel erger ’t voor ma moet zijn, die al op alles bezuinigt en toch telkens door pa wordt aangezet om nog minder uit te geven; zoodat ze zelfs geen glas port kan krijgen, wat ze toch zoo tot versterking noodig heeft.”

„’t Is dwaas van ma, om zich daaraan te storen,” zei Rudolf bitter. „Pa houdt zich stellig armer dan hij is, en als ik ma was, dan zou ik er niet om geven, maar koopen wat goed voor mij was.”

„Je spreekt naar dat je verstand hebt, Rudolf,” hernam Helène. „Geloof maar vrij, dat pa, als hij ’t missen kan, er de man niet naar is, om op bezuiniging aan te dringen.—’t Is waarlijk nog gelukkig, dat hij zooveel heeft overgehouden, om hier te kunnen leven, zooals wij doen. Er had wel eens niets kunnen overblijven; en wat hadden we dan moeten beginnen?”

„Maar waarom is pa dan niet in Amsterdam gebleven?” vroeg Rudolf. „Daar had hij in alle gevallen geld kunnen verdienen.”

„’t Zou pa’s dood zijn geweest, als hij zich in Amsterdam, waar hij zulk een staat voerde, zoodanig had moeten verminderen. Daarenboven is ’t hier veel goedkooper leven dan in de hoofdstad, wat huur, belasting en schoolgeld aangaat en waar ook niemand ons kent en we dus zoo eenvoudig kunnen leven als we willen.”

„Nu, ’t is er dan ook leven na,” zei Rudolf. „Niet wat mij aangaat; ik zou ’t hier best kunnen stellen; maar voor ma en voor jou, die altijd gewoon bent geweest om alles te genieten, wat er te genieten was. Leonie is maar wat gelukkig, dat ze bij oom en tante in huis is.”

„Wat ma aangaat,” hernam Helène, „zij zou er vrij wat minder onder lijden, als pa er zich beter in kon schikken. Maar ’t grieft haar, dat pa er zoo onder gebukt gaat.”

„En jij Helène. ’t Is voor jou toch ook een heele verandering.”

„Dat is het, en ik wil niet ontkennen, dat het mij in den beginne hard viel. Maar als je denkt, dat ik er onder zou lijden, heb je ’t geheel en al mis. Ik ben gelukkiger, dan ik ooit geweest ben: want thans gevoel ik, dat ik nuttig ben.”

„Nu, zusje! Wordt er maar niet boos om,” zei Rudolf, terwijl hij haar in zijn armen sloot en hartelijk kuste. „Ik ben er van overtuigd, dat jij de beste, de braafste, de liefste van ons allen bent, en daarom kwam ik eigenlijk hier, om je een vriendelijk verzoek te doen.”

„Wel, wat is dat?” vroeg Helène.

„Dat zal ik je zeggen,” hernam Rudolf. „We zijn op de kostschool met elkander overeengekomen, om gedurende de vacantie een model van een boot te maken, en meneer Voornvisser, die dat gehoord heeft, was daar zoo mee ingenomen, dat hij een prijs heeft uitgeloofd voor de beste, die dan zijn eigendom blijft, en in de zijkamer onder een glazen stolp zal worden geplaatst. Ik heb er veel hoop op dien prijs te zullen behalen, en, al is dat het geval niet, dan zou ik toch niet graag zonder model komen. Om echter zoo’n boot te maken, heb ik gereedschap, hout en andere dingen noodig. Natuurlijk kost dat geld. En geld heb ik niet. Ik durf pa niet vragen; hij kijkt zoo knorrig. Zou jij ’t niet voor mij willen doen?”

„Ik?” vroeg Helène. „Hoe komt je dat in de gedachten? Ik durf ’t niet, want ik geloof werkelijk dat pa ’t niet kan missen.”

„Nonsens, niet kunnen missen!” riep Rudolf uit. „Ik zal hoogstens een gulden of zes, acht noodig hebben!”

„Dat is veel, Rudolf,” antwoordde Helène, haar hoofd schuddend. „Ik durf zooveel niet vragen.”

„Je bent toch eigenlijk een bange meid,” zei Rudolf. „Als ik mijn vroeger weekgeld kreeg, behoefde ik het niet te vragen. Maar ik heb zoo goed als geen geld meer op zak. Je moet begrijpen, dat de reis mij meer gekost heeft dan anders. En wat is zes, acht gulden voor pa?”

„Tegenwoordig meer dan je wel denkt,” antwoordde Helène. „En dan vooral voor zulk een doel.”

„Ik kan ’t niet helpen,” hervatte Rudolf. „Maar zonder geld kan ik geen boot maken. En wat zullen de jongens wel zeggen, als ik er geen heb, omdat mijn vader er mij ’t noodige geld niet voor kon geven? Wanneer ik als de zoon van een bedelaar op de kostschool moet komen, dan blijf ik liever thuis.”

„Dat zou fraai zijn,” zei Helène. „Weet je dan niet, dat pa met groote opoffering meneer Voornvisser een jaar kostgeld vooruit betaald heeft, opdat je nog zoolang diens onderwijs zoudt kunnen genieten? Ik heb hem tegen ma hooren zeggen, dat je schoolgeld hem een derde van zijn inkomen kost. Dát maakt, dat hij op andere dingen zuinig moet zijn.”

„Allemaal mooi en wel,” zei Rudolf. „Maar ’t helpt mij wat, als pa mij naar een der eerste scholen zendt, waar jongens van de rijkste familiën gaan, als ik niet met hen kan meedoen. Ik weet zeker dat hij mij ’t geld niet weigeren zal als hij maar weet, waarvoor ’t is. ’t Is immers een uitgaaf, om mijn fatsoen op te houden.”

„Ik wou liever, dat je ’t zelf vroeg,” hervatte Helène, wie ’t leed veroorzaakte, dat ze haar broer zijn verzoek moest weigeren.

Rudolf bemerkte, dat zijn zuster al wankelde, en met de onbedachtzaamheid van een jongen maakte hij er gebruik van.

„Kom, Helène! Doe het maar! Je bent altijd mijn liefste zuster geweest en ik zou niet graag kwade vrienden met je worden, ’t zouden aardige vacantiedagen zijn, wanneer we geen goede maatjes met elkander waren.”

„Nu ik zal dan gaan, Rudolf,” antwoordde zij met weerzin, en zij ging werkelijk naar haars vaders kamer, waar ze aan de deur klopte.

„Binnen!” riep meneer Nederhorst.

„Wat moet jij hier doen?” vroeg hij haar op barschen toon, toen hij haar zag binnentreden.

„Pa,” antwoordde Helène bedeesd, „ik kom uit naam van Rudolf, die graag had, dat u hem wat geld gaf om een boot te maken.” En hierop legde ze hem de zaak uit, zooals haar broer haar die had meegedeeld.

„Je weet zelf, Helène, hoe slecht ik geld kan missen,” antwoordde hij, „en kan niet begrijpen, hoe je ’t me kunt komen vragen. Daar is twee gulden; meer kan ik niet geven; dus behoef je niet terug te komen.”

Helène wou juist zeggen, hoeveel zij er tegen had gehad, om ’t hem te vragen; doch ze durfde niet; want pa keek haar zoo boos aan. Ze nam dus de twee gulden op en verliet de kamer.

„Daar, Rudolf,” zeide zij. „Meer heb ik niet kunnen krijgen, en daarvoor heb ik pa boos op mij gemaakt.”

„Twee gulden!” riep Rudolf met een lang gezicht uit. „Dat helpt me zooveel als niets. Daar kan ik toch geen boot voor maken.”

„Hoor eens, Rudolf,” zei Helène. „Ik heb nog wat in mijn spaarpot, en daar wil ik je de overige drie of vier gulden wel van leenen. Maar je moet ze me zoo gauw als je je weekgeld ontvangt terugzenden.”

„Ja, jij zult je geld zelf wel noodig hebben,” hernam Rudolf, „je hadt niet eens handschoenen aan, toen je me van ’t station kwam halen. Waarvoor wou je dan dat geld besteden?”

„Ik heb meer gehad dan ik nog over heb,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t alles besteed aan port voor ma, die Trui in ’t geheim voor mij haalt; en als ik nu ’t geld niet van je terug krijg, dan....”

„Dan zou ma haar port moeten missen!” riep Rudolf uit. „Hier, Helène! leg die twee gulden bij jou geld, dan kan je nog langer port voor ma koopen.”

„En dan kom jij zonder boot op school.”

„Beter ik zonder boot dan ma zonder port,” zei Rudolf hartelijk en Helène viel hem om den hals en kuste hem.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ERFENIS EENER MOEDER.

’t Was den dag na dit gesprek met Rudolf dat Helène, nadat ze ’t een en ander had opgeredderd, als naar gewoonte bij haar moeder kwam, om haar aan te kleeden.

„Doe mij mijn morgenjapon maar aan,” zei deze. „Ik heb geen lust om mij aan te kleeden en beneden koffie te drinken. Ik hoop dat ik tegen het eten wat zal opknappen.”

„Bent u dan niet wel, ma?” vroeg Helène bezorgd.

„Ik voel mij slechts wat lusteloos, en heb behoefte aan rust,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik heb van nacht slecht geslapen en dat zal er de oorzaak van zijn.”

„Ik hoop, dat u de rust goed zal doen, ma!”

„Ik hoop ’t ook. Maak je nu maar niet ongerust en ga aan je werk.”

Toen Helène een uur later bovenkwam, vond ze haar mama in slaap. Ze sloop op haar teenen weg, om haar niet wakker te maken, en keerde niet terug vóor het koffieuurtje had geslagen, om haar een kop koffie en een broodje te brengen.

„Ik zal probeeren om het te eten,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar ik heb geen trek.”

„Doe het dan, om mij pleizier te doen,” zei Helène. „Wanneer u niet eet, wordt u nog zwakker.”

„Nu, ik zal ’t probeeren.”

Helène verliet haar mama, om de koffie boven op pa’s kamer te brengen, zooals ze gewoon was; want meneer Nederhorst dronk geen koffie beneden. Ze vond hem altijd druk bezig in de boeken, en dan sprak hij geen enkel woord. Ze dronk dus vandaag alleen koffie met Rudolf. Na dat koffiedrinken ging ze weer naar boven, om ’t kopje en ’t bordje van haar moeder te halen.

„Zoodra ik den boel afgewasschen heb, kom ik wat bij u zitten, ma!”

„Dat is goed,” antwoordde deze, „want ik verlang eens met je te spreken.”

Helène haastte zich om klaar te komen, en spoedde zich toen naar boven.

„Ga nu eens kalm bij mij zitten,” zei mevrouw Nederhorst.

Helène deed het.

„Kindlief! Ik heb in den laatsten tijd veel, zeer veel hulp en troost aan je gehad,” begon mevrouw Nederhorst.

„O, lieve ma! Het maakt mij zoo gelukkig, dat uit uw mond te hooren. Ik wou zoo graag, dat ik nog maar meer kon doen.”

„Mij dunkt, dat je wel alles doet, wat je kunt,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ofschoon je er zeker meer pleizier in zoudt gehad hebben, om je met lezen of andere dingen te vermaken, heb je al je tijd besteed, om mij op te passen, allerlei huiselijke zaken te doen, je broertje en zusje bezig te houden, kortom—’t me zoo gemakkelijk te maken als maar mogelijk was, door me alles uit de handen te nemen. Dat was braaf van je, en je weet niet, hoe mij je liefde in ons ongeluk vertroost heeft.”

„Maar, lieve ma! Hoe had ik anders kunnen handelen?” vroeg Helène.

„In alle gevallen, je hebt het gedaan, en ’t heeft mij in mijn verdriet getroost. En thans wil ik je zeggen, wat ik je al lang had willen mededeelen. Ik heb het al uitgesteld en uitgesteld en had het toch vroeger moeten doen. Je zoudt me zeker missen, als ik je eens voor een langen tijd verliet, niet waar?”

„U missen? Lieve ma! Hoe zou ik het zonder u kunnen stellen?”

„Indien je wist, dat het tot mijn best was, zou je toch de scheiding wel kunnen verduren, niet waar?”

„Als het hielp om u beter te maken, dan zou ik om uwentwil heel blij zijn, maar zonder u te leven, zou mij diep ongelukkig maken. Zouden we dan niet samen kunnen gaan?”

„Neen, lieve! Dat is onmogelijk,” hernam mevrouw Nederhorst. „Wie zou dan voor pa zorgen, als ik hier niet was? Tracht bij hem mijn plaats te vervullen, Helène, en bedenk hoeveel verdriet hij heeft gehad en nog heeft. Je moet alles doen wat je kunt, om hem ons huis aangenaam en vroolijk te maken. Dat wil je toch wel doen, niet waar?”

„Maar, ma! Ik zal uw plaats nimmer kunnen vervullen,” zei Helène. „Ik wou liever, dat u niet hoefde te gaan, of dat ik u kon vergezellen.”

„Dat kan niet, lieve. Wel hoop ik, dat ge allen eens bij mij zult komen. Begrijp je dan niet, dat ik van mijn heen gaan spreek voor altijd, naar den Hemel, waar Gods liefde mij roept?”

Helène barstte in tranen uit—ze kon geen enkel woord spreken. Eindelijk stamelde zij:

„Maar voelt u je dan zooveel erger, ma?”

„Ik word van dag tot dag minder, kind. Dagelijks voel ik mijn krachten afnemen. Dat verwondert me niet. Dokter Manders voorspelde ’t me al, toen we nog in Amsterdam waren, en schreef me voor, om een jaar lang naar ’t zuiden van Frankrijk te gaan; kort daarop kwam ’t ongeluk van je pa, en ik sprak er niet over. Daarenboven wist ik toch dat het mij niet helpen zou, en schrikte ik terug voor het denkbeeld, om een geheel jaar van je allen gescheiden te zullen zijn.”

„O, ma! Ik zal ’t nooit zonder u kunnen doen,” zei Helène schreiend, terwijl ze haar armen om den hals harer moeder sloeg.

„Bedaard, kind!” zei haar moeder. „Houd je kalm om mijnentwil, en droog die tranen.”

„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet!” snikte Helène.

„Je kunt wel, als je God slechts om bijstand smeekt. Ik zal rustig heengaan, omdat ik weet, dat jij mijn plaats vervullen en een troost en hulp zijn zult voor hen, die ik achterlaat. Beloof je me dat?”

„Dat beloof ik u,” antwoordde Helène.

„Welnu, huil dan ook niet meer. Zoo spoedig denk ik je niet te verlaten. Zeg er echter niets van aan je vader; ’t zou hem nog maar ongelukkiger maken, dan hij al is. Maar neem nu voortaan, onder mijn toezicht, alle huiselijke bezigheden op je; dan ben je er aan gewoon, wanneer God mij van je roept. En ga nu heen—ik heb mij wat overspannen en ook jij hebt rust en eenzaamheid noodig.”

Een uur later kwam Helène bij haar moeder terug. Ze was nu vrij kalm, en in staat, om de beschikkingen aangaande het huishoudgeld en andere zaken te hooren, welke zij nu voortaan, altoos onder het toezicht harer moeder zou besturen. Dit gedeelte van de opdracht harer moeder vond ze heel pleizierig; want zoo kon ze haar vrij wat moeite en last van de schouders nemen. Wat haar echter treuriger stemde, toen haar moeder de rekening van ontvangsten en uitgaven voor legde, was, dat er niets overschoot, hoe zuinig ze ’t ook aanlegde, om haar, de zwakke vrouw, dat te verschaffen, wat ze tot versterking noodig had. Ze maakte daar aanmerking op.

„Pa kan niet meer geven,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „’t Huishouden kost toch al geld genoeg.”

Helène zweeg, maar besloot, haar vader er bij de eerste de beste gelegenheid over te spreken. Die gelegenheid kwam dienzelfden middag, toen ze aan tafel zaten. Mevrouw Nederhorst had zich te zwak gevoeld, om beneden te komen. Toen nu haar vader binnenkwam en zich op zijn plaats aan tafel had neergezet, bemerkte hij eerst, dat zijn vrouw er niet was.

„Komt ma van daag niet meeëten?” vroeg hij aan Helène.

„Ma voelde zich te zwak, pa,” antwoordde zij.

„Te zwak, om aan tafel te komen? Dat moet dan wel een plotselinge verzwakking zijn.”

„Misschien hebt u het niet opgemerkt,” hernam Helène. „Mama is al sedert lang zwakker en zwakker geworden. Ze heeft volstrekt geen trek in eten, en ’t eenige wat haar nog smaakt, is een kippensoepje, of zoo iets. Maar dat alles kost zooveel geld, en ma ontbeert het liever, dan u om meer huishoudgeld te vragen. Er zijn zooveel dingen, die haar versterken zouden, doch die voor ons te duur zijn.”

„Ik kan ma op dit oogenblik niet meer geven,” zei meneer Nederhorst treurig. „Ik had haar juist willen vragen, of ze zich niet met minder kon behelpen.”

„O, pa!” zei Helène. „U weet niet, hoe naar zij is.”

„Ik moet met haar spreken,” zei meneer Nederhorst meer tot zich zelf dan tot Helène. „De uitgaven moeten hier of daar op verminderd worden. Wij kunnen ’t in alle gevallen met eenvoudiger middageten doen, zeg dat aan Trui.”

Zwijgend werd de maaltijd genoten; terwijl Rudolf zijn vader boos aankeek en slechts met moeite door Helène weerhouden werd, om iets te zeggen. Nauwelijks echter was meneer Nederhorst de kamer uit, of de knaap riep uit:

„Hoe schandelijk! Ma niet eens te gunnen, wat zij noodig heeft!”

„Maar Rudolf, je hoort immers zelf, dat pa ’t niet missen kan!”

„’t Is verschrikkelijk! Als ik een vrouw had, die ziek was, zou ik liever honger lijden, dan dat het haar aan iets ontbrak!”

„Foei, Rudolf! Oordeel toch zoo niet over pa! ’t Doet hem leed genoeg, daar kun je op aan. Je behoeft zijn gezicht maar te zien. De goede man gaat er onder gebogen!”

Intusschen was meneer Nederhorst, toen hij van tafel opstond, regelrecht naar de kamer zijner vrouw gegaan. Hij vond haar in een lichte sluimering. Hij knielde naast de sofa neder en beschouwde met aandacht dat uitgeteerde gelaat.

Hoe was ’t mogelijk, dat hem dit niet eerder opgevallen was! Wat was ze vermagerd en hoe slecht zag ze er uit! Op dit oogenblik werd ze wakker en glimlachte vriendelijk, toen ze haar man bij zich zag.

„Hoe is ’t, Marie?” vroeg hij op vriendelijken, angstigen toon.

„Ik heb geen pijn; maar ik voel mij zoo zwak,” antwoordde ze.

„Helène zei, dat je veel erger was. Is dat waar?”

Ze zag hem vriendelijk aan, zonder een woord te spreken. Hoe kon zij, door hem de waarheid te zeggen, zijn verdriet nog vermeerderen?

Haar stilzwijgen verontrustte hem.

„Zeg mij, Marie,” zeide hij, „of je denkt, dat je toestand gevaarlijk is?”

Thans moest de waarheid er uit, hoe hard het haar ook mocht vallen, die te openbaren.

„Ik heb ’t al maanden lang geweten, dat er voor mij geen hoop op herstel was,” antwoordde zij.

„Dwaasheid, Marie!” antwoordde hij. „’t Is alleen de werking van je zenuwgestel, de verbeelding, die je zwakte je geeft. ’t Is niets, dan de verandering in onze maatschappelijke positie, ’t verdriet over die verandering en de onaangenaamheden, die je te verduren hebt gehad. De ellendige armoede heeft gemaakt, dat je verwaarloosd bent en niet de noodige geneeskundige hulp gehad hebt. Morgen ga ik toch naar Amsterdam en zal dokter Manders bij je halen, en dan ben je spoedig weer dezelfde.”

„Neen, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Denk niet, dat ik verwaarloosd ben geworden. Helène heeft mij met alle liefde en zorgvuldigheid opgepast. Ook zijn het onze veranderde omstandigheden niet, die mijn toestand verergerd hebben. Reeds vóor de slag kwam wist ik, dat ik nooit beter zou worden. Ik ben niet zwakker geworden, omdat ik meer te doen had; Helène heeft mij dat alles uit de handen genomen. Ze heeft nu ’t huishouden ook voor haar rekening. Je weet niet, wat dat kind voor mij is.”

„Het doet mij genoegen, dat te hooren,” antwoordde meneer Nederhorst. „Toch kan ik ’t niet dulden, dat je je aan zulke inbeeldingen overgeeft. ’t Is volstrekt noodig, dat je de zaken uit een lichter oogpunt inziet; is het dan niet om jouwentwil, dan om mij.”

„Heusch, Leonard! Ik zou er jou en mij zelf maar door misleiden. Ik kan niet lang meer leven; en die gedachte maakt mij niet ongelukkig, dan alleen, omdat ik jou dan zou moeten verlaten.”

„Geen woord meer daarover, Marie. Dokter Manders komt morgen of overmorgen en dan zal je ’t wel anders inzien. Rust nu maar wat; ik heb nog wat te schrijven en moet je nu alleen laten.”

Toen hij de kamer verlaten had, kwam hij Helène op ’t portaal tegen.

„Ik heb van ma gehoord, dat je tegenwoordig huishoudster bent. Zeg aan Trui, dat zij alles voor haar klaar maakt, waar ze maar trek in heeft en kom slechts bij mij om geld. Zuinig echter in ’t huishouden uit, wat je kunt. Je moeder moet aan niets gebrek hebben.”

„Dat zal ik doen, pa!” zei Helène.

„En tracht haar zooveel mogelijk op te vroolijken,” hernam hij. „Ze heeft opbeuring noodig. Laat haar daarom zoo weinig alleen, als volstrekt noodig is, hoor!”

Helène was recht in haar schik over deze woorden van haar vader. Zoo had ze hem in lang niet tegen haar hooren spreken; ze kwam dus met een opgeruimd gelaat de kamer van haar moeder binnen. Ze vond haar in tranen.