Part 15
Ruim veertien dagen gingen op die wijs om en Helène gevoelde zich hoe langer hoe matter. Doch in ’t midden harer bezigheden vergat ze haar vermoeidheid en alleen de weinige opgewektheid, waarmede zij at, zou anderen het vermoeden doen koesteren, dat ze niet goed was. Zelfs de altijd zoo attente Trui scheen ’t niet op te merken; zij zag het dan ook niet hoe het anders zoo werkzame meisje tusschenbeiden, als niemand het zag, met de handen over elkander ging zitten, met het hoofd achterover tegen den muur geleund, als iemand die zich doodzwak gevoelt.
’t Was dan op zekeren dag, dat Trui des morgens aan de kamer van meneer Nederhorst klopte.
„Binnen!” zei hij. „Wat is er, Trui?” vervolgde hij, „dat je zoo bedrukt kijkt?”
„Meneer, ik geloof niet dat juffrouw Helène goed is. Ze is wel opgestaan, maar weer in elkander gezakt. ’t Was gelukkig, dat ik boven kwam, om eens naar haar te zien; want ze lag bewusteloos op den grond. Toen heb ik haar weer te bed gebracht.”
Meneer Nederhorst sprong terstond op en snelde naar Helène’s kamer, gevolgd door Trui. Ze vonden haar bij haar bewustzijn, maar met bleek gelaat, witte lippen en holle in hun kassen gezonken oogen, waarmede ze haar vader aanzag.
„Je bent ziek, niet waar Helène?”
„Ik ben ziek,” antwoordde zij met matte stem. „Ik heb ’t al eenige dagen gevoeld.”
„En waarom het dan niet gezegd, kind?”
„Ik wilde u niet ongerust maken en dacht, dat het wel over zou gaan.”
„Trui, loop naar den dokter en vraag, of hij terstond komt.”
„Laat Trui eerst uw ontbijt klaar zetten, pa, en de kinderen helpen, anders komen zij te laat op school.”
„Dat is goed, dan loop ik zelf naar den dokter; dat is ook misschien beter.”
„Ze heeft zich al maanden lang overwerkt,” bromde Trui terwijl ze achter haar meester de kamer verliet. „’t Was te zwaar voor zulke jeugdige schouders als de hare.”
Ofschoon ze deze woorden slechts in zich zelf gebromd had, waren ze door meneer Nederhorst gehoord. Ze vielen hem als lood op de ziel. Reeds sedert lang was er een onbestemd gevoel bij hem wakker geworden, dat Helène te veel deed, meer dan haar krachten haar veroorloofden; dat gevoel was versterkt, toen ze dien dag vroeg naar bed gegaan was, door verschillende beslommeringen echter was ’t weer in zijn geest verdrongen. Thans kwam ’t met verdubbelde zwaarte voor hem op.
Hij spoedde zich naar dokter van Esch, dien hij nog thuis vond en die terstond met hem mee ging.
„We kunnen er nog niets van zeggen,” was zijn oordeel. „’t Kan een ziekte in haar begin zijn; ’t kan echter ook slechts gevatte kou en overspanning van zenuwen wezen. Uw dochter is geducht zenuwachtig en hoe meer stilte ze heeft, hoe beter ’t is. Doch er moet iemand bij haar zijn, opdat ze niet aan haar eigen gedachten overgelaten wordt. Als u uw jongere dochter eens uit Amsterdam liet overkomen.”
„Ik vrees,” zei meneer Nederhorst op eenigszins ontstemden toon, „dat Leonie een zeer slechte ziekenoppaster is. Maar wie is daartoe nader dan ik? Voorloopig laat ik mijn boeken naar de ziekekamer brengen; dan heeft ze den geheelen dag gezelschap. Mocht het erger worden——dan zullen we nader zien. Er behoeft toch niet gewaakt te worden?”
„Als de meid haar nachtleger op den grond opsloeg, zou ’t niet kwaad zijn. De spanning harer zenuwen is zóó groot, dat het beter is, haar ook ’s nachts niet alleen te laten.”
„U ziet er toch geen gevaar in, dokter!”
„Oogenblikkelijk niet het minste. Ik kan er nog niets van zeggen, en we moeten den loop der ziekte afwachten. Ik kom echter van avond nog eens terug.”
Dit gesprek had in meneers kamer plaats, en stelde den vader in zooverre gerust, dat er geen oogenblikkelijk gevaar bij was. Toen de dokter vertrokken was, riep hij Trui, deelde haar mede, dat de dokter hoopte op een voorbijgaande ongesteldheid en vroeg haar, of ze zich berekend gevoelde voor korten tijd de zorg voor ’t huishouden en de kinderen op zich te nemen? Ze stemde terstond toe:
„Als de juffrouw maar beter wordt, zou ik dag en nacht willen werken,” antwoordde ze trouwhartig. „’t Zal wel veel moeite kosten, haar te vervangen; maar meneer zal wel geduld met mij hebben en de kinderen zijn door haar zoo aan orde en regel gewend, dat die met een stroohalm te regeeren zijn. En als meneer over dag bij de juffrouw blijft, is dat al veel uitgewonnen. Als ze uit de school komt, kan Dora meneer wel eens aflossen; ’t is een lief, hartelijk kind en ze houdt zielsveel van haar tweede mamaatje.”
Den volgenden dag reeds schudde de dokter ’t hoofd.
„Het wordt een ernstige ziekte, meneer, en ik zou u raden, om uw tweede dochter te schrijven; want er moet bepaald bij haar gewaakt worden.”
„Zoudt u een consult noodig oordeelen, dokter?” vroeg meneer Nederhorst. „Dan zal ik Dr. Manders uit Amsterdam telegrafeeren.”
„Vooreerst niet, meneer,” antwoordde de dokter. „Intusschen kom ik van avond terug.”
„Naar Leonie schrijven?” zei meneer Nederhorst. „Ik vrees, dat ze meer drukte zal maken dan dat ze tot hulp is. Ik zal nog tot van avond wachten. Dezen nacht waak ik—dan kan Trui eens goed uitslapen.”
Toen dokter van Esch ’s avonds kwam, vond hij de zieke buiten bewustzijn en schreef meneer Nederhorst om Leonie. Dien geheelen nacht ijlde Helène sterk, meestal was ’t een onverstaanbaar gemompel. Van tijd tot tijd echter hield ze geheele redeneeringen, waarop haar vader soms door een enkel woord opmerkzaam werd gemaakt. Zoo was ’t onder anderen eens:
„Geef mij ’t horloge van ma, Rudolf. Hier is geld, geld dat ik zelf verdiend heb. Waarom heb je ’t ook laten begraven? Wat lag het daar in de kist en zonk in de zwarte aarde. De dokter zorgt voor versche rozen, dokter Faminga, mijn beste vriend. Neen dokter, ik mag u niet spreken; Mozes Zadok wil het niet hebben. Waar is nu al ’t geld, dat ik zelf verdiend had? Mozes Zadok heeft den dokter verkocht, dien ik aan Rudolf geleend had. Ik had je de bloemen niet moeten geven, Rudolf. Had ik ’t pa maar gezegd, dat het Mozes Zadok was, die in de kist lag; maar ik had dokter Faminga te lief, hij hield zooveel van ma. Als ik Mozes Zadok maar spreken mocht, zou hij me den dokter wel bezorgen. Hij heeft den dokter voor zijn glazen opgehangen, en nu zijn de bloemen weg. Pa weet niet, dat ik den dokter aan Rudolf geleend had. Nu zal ik den dokter nooit meer opwinden; want Mozes Zadok heeft hem verkocht voor zestig gulden. Neen, pa! ik kan ’t u niet zeggen, waar ’t horloge van ma is. Maar ik heb het begraven in ’t graf van ma, diep onder de rozen, die Mozes Zadok er op heeft laten planten, omdat hij zooveel van ma en mij hield. Dokter! Pa heeft het horloge in de kast gehangen en toen heeft Mozes Zadok het van hem gekocht voor ’t geld, dat ik verdiend had. O, dokter! ik heb u zoo lief, omdat u mij zoo lief hebt, en omdat u zooveel van ma hield, dat u haar graf met horloges hebt beplant, die ’t heele jaar doorbloeien. Rudolf! Rudolf! Geef mij de roos terug, die je geplukt hebt.”
Met oplettendheid had meneer Nederhorst in ’t stille, nachtelijke uur naar deze vreemde, onsamenhangende taal geluisterd, die hem eensdeels in zijn vermoeden versterkte, dat die dokter Faminga in betrekking stond tot het verdwijnen van ’t horloge, anderdeels van Rudolf sprak als hebbende ’t horloge van haar geleend.
„Ik begrijp er niets van,” zei hij; terwijl hij met de hand onder ’t hoofd zat te peinzen. „En toch moet ik licht in die zaak hebben. Misschien heeft ze briefwisseling met dien dokter gehouden en zal ik daar licht in vinden.”
Dit zeggende stond hij op en sloot Helène’s kastje open. In een der laden vond hij werkelijk brieven, alsook haar huishoudboekje. Een en ander nam hij met zich naar de tafel, om ze op zijn gemak te doorsnuffelen. De brieven lagen naar rangorde van de ontvangst. De eerste, welke hij opende, was van een zekeren meneer A. D. Radinus. Hij luidde:
„Mejuffrouw,
„Hiernevens het honorarium voor ’t overschrijven van de laatste copie. Ik heb er op ’t oogenblik geen nieuwe gereed en geloof ook wel, dat deze de laatste is, die ik u zenden zal. Een dame, die zelf met zooveel talent schrijft, kan zich niet met copiëeren bezighouden. Ik verwacht spoedig een nieuw verhaaltje voor ons Tijdschrift van u; ik hoor algemeen dat uw eersteling met veel ingenomenheid begroet en met genoegen gelezen wordt.
Uw. Dw. Dienaar A. D. Radinus.”
„Hoe! Geld verdiend met copiëeren en zelf schrijven. Zou dat stukje, dat Alfred voorlas, van haar zijn! O, Helène! wie had gedacht, dat jij... Ik moet toch zien, wat zij met dat geld gedaan heeft. Misschien brengt mij dat op de hoogte.”
Hij nam, alvorens verder te gaan met de correspondentie, haar huishoudboekje. ’t Eerst viel hem de ontvangst in de oogen. Daar las hij, onder ’t artikel „van pa ontvangen,” hier en daar: „voor copiëeren,” ook eenmaal: „van oom gekregen voor mijn toilet,” en eindelijk „honorarium voor mijn stukje in het Tijdschrift voor de jeugd.” Nu sloeg hij de uitgaven op. Daar vond hij, behalve de gewone huishoudelijke uitgaven, ook kleeding voor de kinderen; maar een post, die hem groote oogen deed opzetten: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 10;” en later: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 20.”
„Dus had Rudolf haar geld geleend,” zei hij. „Maar waarvan kan hij ’t gedaan hebben? En waartoe heeft zij dan ’t horloge voor zestig gulden verpand. Van dien post vind ik niets. Ook vind ik niet, dat ze die geleende dertig gulden geboekt heeft. Nu wordt de zaak mij hoe langer hoe raadselachtiger! Wacht! Misschien heeft die zoogenaamde dokter geld van haar geleend en heeft ze ’t maar niet geboekt, omdat het mij soms onder de oogen mocht komen. Dertig en zestig is negentig en misschien nog tien gulden uit haar spaarpot; dat is honderd gulden. Ja, zoo is het! Ik moet morgen dien schurk van een dokter eens opzoeken. Ik had het wel gedacht, dat die indringerij haar doel had. Schande! Gebruik te maken van de onnoozelheid van een zestienjarig meisje! Maar ’t zal je slecht bekomen, meneer de dokter!”
Meenende, nu genoeg ingelicht te zijn ten aanzien van deze zaak, en voornemens, die gerechtelijk te vervolgen, wilde meneer Nederhorst de verdere brieven wegsluiten, toen zijn oog op den nu bovenop liggenden brief viel en hij de hand van Rudolf herkende.
„Wacht, deze werpt misschien nog meer licht over de zaak.” Hij vouwde hem open en las:
„Lieve Helène. Ik ben wanhopend! Hoe gaarne ik het voor je zou willen verzwijgen—ik mag je niet langer misleiden en kan het ook niet; het hooge woord moet er uit: ma’s horloge is weg. Die schelm van een Mozes Zadok heeft het aan een ander verkocht, die zei dat het zijn eigendom was en wien hij er zestig gulden voor afgenomen heeft. Ik vernam dat toevallig van zijn bediende. Begrijp eens, zoo’n woekeraar! Dertig gulden ontving ik van hem te leen om mijn schulden te betalen. Later hield hij mij vijftien gulden voor interest af, en nu heeft hij er nog zestig gulden voor gemaakt. Als ik niet bang was, om in de zaak te roeren, dan gaf ik het aan de politie aan. Maar de kerel zou mij aanklagen als de dief van ’t horloge, en wie zou, nu ’t weg is, bewijzen, dat ik het niet ben.
„Ik heb lang geaarzeld, om je deze verpletterende tijding mee te deelen! O, had je je maar taai gehouden en mij ’t horloge nooit geleend. Had pa mij maar geld gezonden, of oom mij slechts vijf-en-twintig gulden geleend, dan was ik er nooit toe gekomen, om de erfenis van ma, ’t eenige wat ze je geschonken had, te verpanden! O, Helène! Ik gevoel me zoo slecht! Ik ben zoo kapot. Werken kan ik niet. Alles staat mij tegen! Had je ’t maar met Kersttijd aan pa bekend, dat ik ’t horloge van je geleend en ’t bij een woekeraar verpand had, dan had hij ’t wel gelost. Maar neen, je moest mij sparen, mij, die jou zoo slecht behandeld had, en pa voor ’t verdriet, om te weten hoe laag en gemeen zijn lieve Rudolf was. O, had je het dokter Faminga maar gezegd, die zoo rijk is en zooveel van je houdt, die had ’t wel voor je gelost, en je hadt hem naderhand het geld van mijn bespaarde penningen kunnen teruggeven! Maar je durfde niet naar dokter Faminga gaan, omdat pa je verboden had, ooit weer dien braven man te spreken! O, was je maar voor ditmaal ongehoorzaam geweest—de man, die zooveel achting en liefde voor de nagedachtenis van ma heeft, dat hij de bloemen op haar graf onderhoudt, zou niet geduld hebben, dat ma’s horloge langer in de handen van dien woekeraar bleef!
„Maar wie had dien Mozes Zadok ook voor zoo slecht gehouden! Wie had niet gedacht, dat de schurk zich tevreden zou hebben gesteld met vijftig percent interest voor drie maanden!—’t Ergst van alles is, dat je er nu pa niets van zeggen kunt en de verdenking op jou blijft rusten. Zeg ’t hem maar—ik durf ’t hem niet bekennen; ik schaam mij te veel voor mijn slechte handelwijs. Jij alleen, lieve Helène, jij, jij alleen hebt mij de daad reeds vergeven en zult de gevolgen, die geheel buiten zijn schuld zijn zeker niet toerekenen aan
je berouwhebbenden broeder Rudolf.”
Meneer Nederhorst liet den brief uit de handen vallen en zat als versteend voor zich te staren. Wat straks Helène in haar waanzin dooreen gemengd had, was hem duidelijk, en hoe weinig hij ook gestemd tot lachen was, kon hij toch een glimlach niet onderdrukken over de verdenking, die hij tegen dokter Faminga gekoesterd had. Wat was dat dan toch voor een zonderling man? Een man, die zijn dochter eens een geschenk had gegeven, een man, die ’t graf zijner Marie van bloemen voorzag, een man, bij wien Helène troost en hulp wilde zoeken—hij zou er morgen dokter van Esch eens naar vragen; die zou hem waarschijnlijk wel kennen. Doch spoedig vestigden zijn gedachten zich op het hoofdpunt van den brief, en doorzag hij al ’t groote van Helène’s edelmoedigheid. Nog echter begreep hij de zaak niet in haar geheel, en meende hij, dat Helène ’t horloge aan Rudolf had geleend om het te verpanden en daarvoor zijn schulden te betalen; in welk geval ze toch eenigermate aan de eer van de nagedachtenis harer moeder had tekort gedaan. Nogmaals las hij den brief over; doch op dit punt kon hij maar geen licht krijgen.
Intusschen bleef Helène woelen en ijlen en telkens kwamen ’t horloge en dokter Faminga in de hitte harer koortsverbeelding voor. En steeds waren de bloemen op ’t graf harer moeder daarmee verbonden.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN BRAAF MAN IN ZIJN EER HERSTELD.
Den volgenden dag kwam dokter van Esch reeds vroegtijdig. Hij vernam, hoe de zieke ’t dien nacht had gemaakt, voelde haar de pols, zat eenigen tijd te peinzen en zei toen:
„De ziekte neemt zulk een ernstigen keer, dat ik gaarne een consult zou hebben.”
„Als u ’t noodig oordeelt, dan vind ik ’t goed. Doch wees zoo goed, mij éen vraag te beantwoorden. Kent ge hier ook een zekeren dokter Faminga?”
„Wel zeker ken ik dien. Hij is mijn huisvriend. We hebben samen te Leiden gestudeerd. Maar mijn lot is gelukkiger geweest dan ’t zijne. Hij had een allerliefste vrouw en een dochter. De laatste ontviel hem op ongeveer den leeftijd, dien uw oudste dochter thans heeft. Ze was zestien jaren en zeer ontwikkeld; ze was de grootste vreugde, de trots, de eenige liefde van vader en moeder. Door een hevigen roodvonk bezweek ze in weinige dagen. Mevrouw Faminga, een vrouw van zwakke constitutie, trok zich ’t verlies van haar eenig kind zoo aan, dat ze aan ’t kwijnen raakte en weldra haar dochter volgde. Een tijdlang lag ook mijn vriend op den rand van ’t graf, en vreesden we, toen hij beter werd, dat hij zijn verder leven in een doffe krankzinnigheid zou doorbrengen. Toen wist ik hem over te halen, tot herstel zijner gezondheid eenige maanden bij mij te logeeren en bemerkte ik, hoe niet alleen zijn krachten opleefden, maar ook zijn geestvermogens hun vroegere veerkracht terugkregen. Daar hij rijk genoeg was, ried ik hem aan, de praktijk neer te leggen en zich hier te vestigen. Kortom, hij verkocht zijn huis, liet de overblijfselen van vrouw en kind herwaarts voeren en begraven, kocht een stuk grond niet ver van ’t kerkhof en liet daar een allerliefste villa bouwen. Alle dagen wandelt hij naar de graven zijner lieven, die zoolang ’t seizoen het toelaat, met bloeiende heesters bezet zijn, en leeft heel eenvoudig met zijn oude dienstbode, die hij tot huishoudster bevorderd heeft, en éen meid. Zijn leven brengt hij door met wèl te doen en, onder den naam van Radinus, voor de jeugd te schrijven. Al wat hij daarmee verdient, is voor arme en noodlijdende huisgezinnen, die hij zelf bezoekt. Praktijk oefent hij niet meer uit; alleen wanneer ik het bij epidemieën te druk heb, dan neemt hij mijn armenpraktijk over en ik heb wel eens gehoord, dat de behoeftigen hem liever hebben dan mij.... natuurlijk; mijn middelen en de zorg voor ’t onderhoud van mijn huisgezin veroorloven mij niet, om mijn patiënten soep of gebraden kippetjes, soms ook kleeren en dekens te zenden. Ook staat hij mij dikwijls in consult bij; want hij is zeer knap en heeft veel ondervinding. Laat het u dus niet verwonderen meneer, dat ik trotsch ben op mijn huisvriend, aan wien mijn kinderen met den ganschen rijkdom hunner liefde hangen en die bij ons dan ook oom Albert genoemd wordt.”
„En zulk een man heb ik zoo grof beleedigd en voor ’t hoofd gestooten!” zei meneer Nederhorst halfluid. „Dokter!” vervolgde hij luide tot den geneesheer. „Zeg mij, zou dokter Faminga dat consult over mijn dochter wel met u willen houden, of zou hij, gedachtig aan vroeger misverstand van mijn zijde, daartoe niet kunnen besluiten?”
„Ik begrijp u, meneer; want ik weet zeer goed, wat er tusschen u en mijn vriend is voorgevallen. Ik weet, dat hij aangetrokken door de gelijkenis van uw dochter met de zijne, haar heeft aangesproken en zoo in kennis gekomen is met uw overleden echtgenoot, in wie hij zoo geheel ’t karakter zijner gestorven vrouw herkende. ’t Heeft hem innig leed gedaan, driemaal op zulk een on...”
„Zeg maar onbeschofte wijs, dokter, dat is ’t rechte woord.”
„Onaardige wijs door u te zijn teruggestooten; maar hij heeft het u vergeven, begrijpende, dat het ongeluk den mensch wrevelig maakt.”
„’t Is waar, dokter! Ik was van rijk arm geworden en verbeeldde mij nu, dat de man, door ijdele nieuwsgierigheid gedreven, zich bij mij in wilde dringen; of dat hij, arm zijnde, meende voordeel van een vreemde familie te trekken. Met niemand omgaande, heeft ook niemand mij beter kunnen inlichten, en vrouw en dochter, die ’t wilden doen, waren in mijn oog te blind bevooroordeeld. Doch ik heb evenzeer hem onrecht gedaan als mijn dochter.”
„Hij zal van middag met mij tot consult komen,” verzekerde de dokter.
„Neen, dokter. Ik kan wel iemand beleedigen en krenken; maar dit niet zwijgend voorbij laten gaan. Ik zal hem zelf schrijven—die genoegdoening ben ik hem en mijzelf schuldig. Er is niets vernederends in, den beleedigde vergiffenis te vragen en hem de hand der verzoening aan te bieden;—’t is wel vernederend voor den beleediger, wanneer de beleedigde dat zelf eerst komt doen. Die vernedering wenschte ik mijzelf te besparen.”
Zoodra de dokter weg was, begaf meneer Nederhorst zich naar de ziekekamer terug en schreef een brief aan dokter Faminga, zeggende aan Trui, die juist met een brief, door den besteller gebracht, binnenkwam, dat ze maar iemand moest opschommelen om dien terstond te bezorgen.
Meneer Nederhorst deed den ontvangen brief open; hij droeg ’t postmerk Amsterdam, en was van zijn zwager. Hij verbleekte, toen hij dien las.
„Moet dan alles op eens komen!” zei hij. „Goede God! houden de slagen dan nooit op!”
De brief was kort en luidde:
„Waarde zwager. Met mijn plannen ten aanzien van Rudolf is ’t uit. Niet alleen is hij onoplettend bij zijn werk en schijnt dit, ondanks herhaalde waarschuwingen, niet te kunnen of te willen verbeteren; maar wat meer is, op vijftienjarigen leeftijd heeft hij een daad gepleegd, die men nog van geen doorslepen, twintigjarigen jongeling zou verwachten: hij was het, die ’t horloge zijner moeder van Helène leende, om er bij zijn kameraads mee te pronken en het toen, om zijn schulden te betalen, bij den zwendelaar Mozes Zadok verpandde. Wie als kostschooljongen reeds zoo bedorven is—wat zal die als volwassen mensch zijn. ’t Spijt mij om zijnentwil zoowel als om den uwen, en ik hoop, dat de stap waartoe ik overga, geen de minste verandering zal brengen in de vriendschappelijke en broederlijke gezindheid, die er bestaat tusschen u en uw steeds toegenegen zwager
„Walburg.”
„PS. Rudolf komt heden reeds terug.”
„Ik kan hem geen ongelijk geven en in zijn geval zou ik eveneens gehandeld hebben,” zei meneer Nederhorst. „O, God! had ik ooit in de verste verte vermoed, dat mijn zoon zoo slecht was! Marie! Je bent voor veel verdriet gespaard! Als je nog leefde, zou dit je den dood hebben aangedaan! En daar ligt zij neder, die onschuldig, al de schuld van haar broer op zich nam. Zeer waarschijnlijk zijn de angst en de schrik over dat horloge de voorname oorzaken van haar ziekte!”
Trui kwam boven, om hem hier voor eenigen tijd af te lossen.
„Speld de gordijnen goed toe en laat dan de deur en het raam tegen elkander openstaan,” zei meneer Nederhorst. „De dokter heeft vooral op frissche lucht aangedrongen.”
„Dan zal ik meteen den boel wat opredderen,” zei Trui.
„Dat is goed, Trui. Leg mijn boeken dan maar op een hoop op die tafel. En wat ik zeggen wil, zorg dat er slaapplaatsen gereed zijn voor den jongeheer Rudolf en de jongejuffrouw Leonie. Die komen beiden hier.”
„Maar dat zal de drukte nog vermeerderen, meneer,” zeide Trui.
„Mijn dochter komt in alle gevallen om je te helpen, en mijn zoon kan ons voor een gedeelte in de oppassing bij de zieke vervangen.”
„’t Zal wat helpen, die opgeprikte medam,” bromde Trui in zichzelf; toen haar heer de kamer verlaten had. „Maar ze kan lang wachten, eer ik haar bedien en als ze niet uitvoert wat ze moet, dan loopt voor mijn part de boel maar in de war. En wat nu Rudolf hier komt doen, begrijp ik waarlijk niet. Ik had hem maar stilletjes in Amsterdam gelaten. Kwaad is hij anders niet—dat moet ik zeggen. Maar wat doet hij hier?”
Na eenigen tijd kwam meneer Nederhorst terug.
„Ga nu maar aan je werk, Trui. Ik blijf hier. Als mijn zoon of mijn dochter komen, laat ze volstrekt niet boven; maar in de huiskamer. Ze mogen zoo direct van straat niet bij de zieke komen; daarenboven moet ik hen eerst spreken. Richt alles dus zoo in, dat je mij kunt vervangen.”
Rudolf en Leonie kwamen toevallig met denzelfden trein, ofschoon ze elkander niet ontmoetten, dan op het perron te Weesp, daar ze in verschillende klassen hadden gezeten. Ze waren nu verwonderd, elkander te zien en deelden elkaar de reden hunner komst mede. Die van Rudolf interesseerde Leonie al heel weinig; die van haar hem des te meer.
„Is Helène erg?” vroeg hij.
„Vast wel; anders zou pa niet om mij geschreven hebben.”
„Hij zal jou haar taak willen opdragen, zoolang zij ziek is.”