Part 17
De kiesche manier, waarop de dokter zijn aanbod inrichtte kon meneer Nederhorst niet beleedigen, en met dankbaarheid nam hij ’t aan. Hoe gelukkig Helène was, toen haar dit plan werd medegedeeld, behoef ik u niet te zeggen. Ofschoon het tijd was, om uit den rouw te gaan, werd er besloten, dat ze nog dezen zomer in ’t zwarte kleed zouden blijven, en Leonie, die zoo royaal in haar kleeren zat, dwong haar zuster een paar élegante japonnen van haar aan te nemen. „Als de rouw over is, heb ik er toch niets meer aan,” zei ze. „En zooveel dankbaarheid mag je toch den goeden dokter wel toonen, dat hij te Scheveningen met je voor den dag kan komen!” Helène nam dit aanbod met dankbaarheid aan. „Later, wanneer ik voor de pers werk,” dacht zij, „zal ik ’t Leonie wel vergoeden.” Doch dat zei ze niet, en begon de japonnen voor zich van pas te maken, ’t geen niet moeilijk was, daar Leonie, ofschoon twee jaren jonger dan zij, in lengte weinig met haar verschilde; ook vereenvoudigde zij ze wat, waartegen haar zuster veel protesteerde. En zoo was alles tijdig gereed, was de groote reis aanvaard, en bevonden ze zich nu reeds een maand op Scheveningen.
We vinden hen daar onder de veranda op het terras zitten ontbijten.
„En dus bent u toch werkelijk die meneer Radinus!” zei ze, „en heb ik uw werk gecopiëerd, en hebt u met zooveel geduld mijn werk gecorrigeerd en geredigeerd. Dat dit nooit in mij is opgekomen! Wie toch zou zich voor een onbeteekenend meisje zooveel moeite geven, als die vreemde meneer Radinus deed!”
„Ho wat, Helène!” antwoordde hij. „Wat ik voor jou gedaan heb, zou ik voor ieder ontluikend talent doen.”
„Maar, lieve dokter! Hoe kon u talent in mij vermoeden (gesteld namelijk, dat ik ’t heb); daar u nooit iets van mijn hand gelezen hadt en ik ook nooit iets had vervaardigd.”
„Je fijngevoeligheid, de zuivere opvatting van de dingen om je, de mannelijke moed, waarmee je je lijden droeg, deden mij vermoeden, dat je opvatting meer dan een gewone zou zijn. ’t Was nu maar zaak, om je te oefenen. Daartoe gaf ik je copiëerwerk. Mijn slecht schrift zou je noodzaken, dat niet machinaal te doen; want je moest er op studeeren en er goede, verstaanbare zinnen van vormen. En door ’t overnemen der denkbeelden zou je zelf weldra tot het besef komen, dat er scheppingskracht in je lag. Zoo niet—dan was er in alle geval éen doel bereikt: je had de gelegenheid om afwisseling te hebben in je treurige omstandigheden.”
„En de gelegenheid om op een fatsoenlijke manier geld te verdienen. Op kiescher manier kon u me zeker geen ondersteuning hebben aangeboden.”
„Met je verlof, Helène, ’t was volstrekt geen ondersteuning. ’t Was niets anders dan selfhelp.”
„En op die wijs bleven we correspondentie houden, ik, zonder te weten, dat ik tegen pa’s uitdrukkelijken wil zondigde,” hervatte Helène lachend.
Op dit oogenblik werden zij in hun gesprek gestoord door den bediende, die hun op een presenteerblad twee brieven aanbood. De een was aan ’t adres van den dokter, de andere aan dat van Helène. Daar ze ieder een brief hadden, behoefden ze elkaar geen verlof te vragen om dien te lezen, deden er dus ’t couvert af en begonnen hun lektuur.
„O, dokter!” riep Helène eensklaps uit; terwijl haar oogen van blijdschap schitterden. „Goede tijding! Pa is benoemd tot Directeur der Overzeesche Stoombootmaatschappij, met een prachtige jaarwedde! Nu is alle zorg en verdriet over.”
„Hartelijk geluk!” zei de dokter. „Nu ga je natuurlijk weer in Amsterdam wonen en laat mij, arme kluizenaar, te Weesp!”
Een wolk betrok het gelaat van Helène. In haar vreugd had zij die zaak vergeten.
„Nu, laat dat maar geen schaduw op je vreugde werpen, lieve,” hernam de dokter. „Mijn brief bevatte ook een goede tijding; maar even slecht voor mij als de jouwe. Mijn goede vriend, dokter van Esch, heeft van een tante zijner vrouw een groot kapitaal geërfd en ’t voornemen opgevat, om tegen ’t najaar zijn praktijk te Weesp neer te leggen en naar Amsterdam te verhuizen, waar hij meent beter in de opvoeding van zijn kinderen te kunnen voorzien. Je ziet nu wel, dat ik ook naar de hoofdstad zal moeten verhuizen, of ik wil of niet.”
„O, die lieve tante van dokter van Esch!” riep Helène uit. „’t Is jammer dat ze dood is; anders schreef ik haar stellig een brief om haar te bedanken.”
„Maar als ze nog leefde, kon van Esch zijn ton niet geërfd hebben, en dan was hij stil in Weesp gebleven,” hernam de dokter lachende.
„U hebt gelijk, dokter,” antwoordde Helène. „Wat ben ik toch een dom gansje! Ben ik niet?”
„Waren alle gansjes maar zoo dom als jij!” riep de dokter uit. „Er zou vrij wat meer liefde en vrede op de wereld bestaan.”
Ik zou hier kunnen eindigen; maar mijn lezeressen en lezers willen zeker gaarne nog iets van onze lieve vrienden hooren. En om daaraan te voldoen, gaan we naar een huis op de Keizersgracht te Amsterdam, op welks deur „Nederhorst” geschilderd staat.
We treden binnen en vinden daar in de tuinkamer met openslaande deuren, een knappe jonge dame van twintig jaren zitten, met een aflevering van het „Tijdschrift voor de jeugd” in de hand, waarin zij tegenwoordig een der voornaamste medewerksters is en haar geestesprodukten ’t liefst van alle gelezen worden. Een andere jonge dame, een paar jaren jonger dan zij, speelt een simfonie van Beethoven op den prachtigen vleugel, die in een der hoeken van ’t vertrek staat. Ge herkent de oudste, wier toilet, hoe keurig ook, van een beminnelijken eenvoud getuigt, onze Helène, die van de Scheveningsche badkuur genezen teruggekomen, daar in den bloei der gezondheid voor u zit. Op uitdrukkelijke begeerte van haar vader heeft ze ’t huisbestuur weder op zich genomen, om er nu ’t zoet van te smaken, daar ze er vroeger ’t zure van had. Een gedeelte van den dag kunt ge haar op haar net ingericht kamertje aan haar schrijftafel zien zitten, waar ze zich met letterkundigen arbeid bezig houdt. Want ook andere uitgevers hebben de reeds gevierde schrijfster aangezocht, en, ofschoon ze veel afwijst, kan ze het toch alles niet doen. Maar van nachtwerk is er geen sprake meer. Al wat ze schrijft, wordt eerst aan de strenge kritiek van dokter Faminga onderworpen, die niet ver van daar een prachtig bovenhuis bewoont, zijn vrijen tijd tusschen de familiën van Esch en Nederhorst verdeelt en slechts over één ding te klagen heeft: de moeite, die ’t hem kost om geen kwade vrienden te raken met een der beide bevriende familiën, door de eene boven de andere met zijn bezoeken te bevoorrechten. Ja, er waren zelfs in den beginne door beiden pogingen in ’t werk gesteld, om hem geheel als huisgenoot bij zich te krijgen; doch onze goede dokter is te veel gesteld op zijn onafhankelijkheid. ’t Eenige echter, wat niemand hem ooit ten kwade duidde, is zijn voorliefde voor Helène, met wie hij van tijd tot tijd eens een uitstapje van eenige uren naar Weesp doet, om te zien of de rozen op de twee graven wel goed in orde gehouden worden.
In de andere jonge dame, wier schoon gelaat straalt van vreugde en genot, herkent ge terstond aan haar éléganter toilet, Leonie, niet meer de trotsche, onverschillige van vroeger; maar een goede, hartelijke meid, die een gedeelte van de huiselijke zorgen met Helène deelt en inderdaad het zonnetje in huis mag genoemd worden door haar vroolijkheid en dartelheid, die zulk een contrast opleveren met den ernst en de bezadigdheid harer zuster, en juist geschikt zijn, om die te temperen en te verlevendigen. ’t Eenige wat men haar misschien ten laste zou kunnen leggen, is, dat ze even als de rest braaf meedoet, om Helène te bederven, die gelukkig een te vast karakter heeft om bedorven te worden: want ze is de afgod van allen in huis en niet het minst van papa, die ’t maar niet schijnt te kunnen vergeten, hoe hij eens de parel, omdat ze geen glans van zich gaf, versmaad heeft; en van Rudolf, die niet vergeten kan, haar eens van het dierbaarste, dat zij bezat, het erfstuk harer moeder, beroofd te hebben en wat ze door zijn schuld geleden heeft.
Zie, daar komt hij juist de kamer binnen, de klerk van den boekverkooper—neen, de beambte aan de Bank, waarvan oom Walburg directeur is. Door Helène op de hoogte gebracht ten aanzien van de zaken, heeft hij ingezien, dat Rudolf meer dwaas dan slecht gehandeld heeft, dat de omstandigheden veel tot hetgeen hij deed, hebben bijgedragen en—toen de jongeling een jaar lang bij meneer Jansen voorbeeldig had opgepast, heeft hij hem weer op de Bank genomen en hem dezelfde uitzichten als vroeger geopend.
„Is de dokter er nog niet?” vraagt hij.
„Welzeker, die is met Dora en Alfred in den tuin. Zeker zit hij met hen in ’t prieeltje waar hij hun wat vertelt. Want als de kinderen thuis zijn, vergeet hij mij,” antwoordde Helène, met voorgewende knorrigheid. „Maar waarom vraag je zoo naar den dokter? Je hebt hem zeker een goede tijding mee te deelen.”
„Juist, en hem komt het toe, die ’t eerst uit mijn mond te hooren.”
„Dan zullen we ’t alle vijf te gelijk hooren!” klinkt een stem uit den tuin, en daar staat hij met den twaalfjarigen Alfred en de elfjarige Dora aan de hand, vóor de geopende tuindeur.
„Dokter! Ik ben alweer verhoogd!” roept Rudolf hem toe. „Ik ben blij, dat ik u zie; want u moest de eerste zijn, aan wien ik ’t meedeelde.”
„Geluk, mijn jongen!” zegt de dokter; terwijl hij hem hartelijk de hand drukt. „Ga maar zoo voort; dan wordt je de vreugde van allen, die je liefhebben.”
Waarom de dokter die tijding ’t eerst vernemen moest? ’t Was later uitgekomen, dat hij den heer Jansen een groot deel vergoedde van ’t geen Rudolf bij hem verdiende; want een boekhandelaar zou een nieuweling zulk een inkomen niet geven. Ook dat hij door zijn invloed oom Walburg had overgehaald, den jongeling na den proeftijd weder op de Bank te nemen. Vond de man ’t ook niet plezierig, dat zijn geheime goede daden zoo aan ’t licht kwamen, en zou men hem beleedigd hebben als men er over gesproken had—hij vond het toch wel heel aardig, dat hij zoo bemind en geacht werd; ja, dat zelfs de oude Trui, die nu een echte keukenprinses was en een tweede meid onder zich had, het aan geen harer beide onderhoorigen toeliet, haar goeden dokter open te doen en dan altijd een praatje met hem hield.
Toen meneer Nederhorst, die niet meer dezelfde man was van vroeger, en wel tien jaar jonger scheen geworden te zijn, thuis kwam, deelde Rudolf hem de goede tijding mede. En ’t gelaat van den vader schitterde van vreugde. En toen men ’s avonds gezellig bijeen zat en over verledene dagen sprak, nam Helène haar horloge.
„Zonder dat horloge,” zei ze, „zou Rudolf nooit zijn geworden wat hij nu is, een jongeling die door een vroegeren misslag geleerd heeft op zich zelf te passen, en tegen alle afdwalingen te waken; inderdaad het was wel de zegen, die er rustte op:
„DE ERFENIS EENER MOEDER.”