Part 12
„Daar zal ik wel voor oppassen,” antwoordde Rudolf. „Bij dien kerel zet ik nooit een voet weer in huis, zoodra ik van hem af ben.”
En zoo was die zaak tusschen broeder en zuster geregeld en de vrede tusschen hen hersteld.
’t Liep intusschen naar Nieuwjaar. Met het sluiten zijner boeken was meneer Nederhorst op de gedachte gekomen, dat er nog enkele kostbaarheden zijner vrouw moesten wezen, welke hem als echtgenoot en voogd zijner kinderen moesten zijn uitgeleverd en onder zijn beheer gesteld. Zoo herinnerde hij zich een paar juweelen bellen, een diamanten speld en ook haar horloge. Flauw stond het hem nog vóor, dat Helène hem daarvan iets had medegedeeld, als zou zijn vrouw die dingen aan haar kinderen vermaakt hebben; doch dat getuigenis deed weinig bij hem af. Van rechtswege behoorden ze hem toe, en waartoe zou hij die renteloos laten liggen wanneer hij ’t geld dat ze waard waren, best kon gebruiken? Alleen ’t horloge wou hij niet verkoopen; daaraan hechtte hij een bijzondere waarde, omdat het een geschenk was, dat hij zijn vrouw gegeven had, toen Helène, hun oudste dochter, geboren was.
„Niemand kan mij omtrent een en ander beter inlichting geven dan Helène zelf,” zei hij, en begaf zich naar haar kamer, waar ze toevallig aan ’t opredderen van den boel was.
„Helène,” zei hij. „Heb je me indertijd niet verteld, dat ma de haar toebehoorende kleinoodiën aan jou ter hand gesteld had, om die voor je broers en zusters te bewaren als ze oud genoeg waren?”
„Ja, pa,” antwoordde zij. „Ma heeft dat den avond toen u vertrokken was, uitdrukkelijk bepaald.”
„Zoo, laat ze mij eens zien,” ging hij voort.
Helène haalde de juweeldoos met de door haar moeder verdeelde kleinoodiën voor den dag en zette die op de tafel.
Meneer Nederhorst bekeek eerst de pakjes.
„Dat is er door jou opgeschreven,” zei hij. „Waarom heeft ma er dat zelf niet opgezet?”
„Omdat ze te zenuwachtig was; daarom verzocht ze mij, dat te doen,” antwoordde Helène, haar vader verwonderd aanziende.
„Maar dat alles heeft voor mij niet de minste waarde,” zei hij.
„Hoe meent u dat, pa?”
„Hoe ik dat meen? Wel, dat ik niet behoef te gelooven, dat ma dat juist zoo bepaald heeft.”
Helène bemerkte nu wel, waar haar vader heen wilde. Hij scheen haar te wantrouwen en dat denkbeeld joeg haar een blos op de wangen en de tranen in de oogen.
„Dus zoudt u denken, dat ik dit maar zoo willekeurig bepaald had?” zei ze.
„Dat denk ik niet en zeg het nog veel minder. Maar weet je wat je plicht geweest was? Je had mij terstond met deze schikkingen moeten bekend maken en de voorwerpen niet onder je gehouden hebben.”
„Hoe kon ik dat, pa? Toen u zag, dat ma gestorven was, viel u in een bewusteloosheid, die dagen lang door ijlende koortsen gevolgd werd. En toen ik er u later over sprak, luisterde u in ’t geheel niet naar me.”
„In alle gevallen is ’t nu tijd, om de fout te herstellen. Indien ik op dien noodlottigen avond thuis geweest was, zou je moeder mij die zaken hebben toevertrouwd en bij mijn afwezigheid stelde ze die jou ter hand, natuurlijk om ze mij over te geven. Ik ben de eenige, die daar recht op heeft, en ’t staat geheel aan mij, of ik de beschikkingen der overledene ten uitvoer wil brengen of niet.”
„Ma heeft de pakjes zelf gemaakt en mij gedicteerd, wat ik er moest opschrijven,” zei Helène.
Meneer Nederhorst nam nu eerst het pakje van Leonie, las het opschrift, deed het open en vond daarin de juweelen oorbellen. Hierop vouwde hij ’t weer net zoo toe als ’t gezeten had, en deed zoo met al de andere pakjes. Daarop keek hij Helène aan.
„Er is niets voor jou bij. Wat had ma je toegedacht?”
„Haar horloge met gouden ketting.”
„En waarom ligt dat hier niet bij?”
„Omdat ma mij zei, dat ik het mocht dragen, daar ik zestien jaar oud was.”
„En ik zie ’t je nu niet aanhebben? Laat het mij eens zien. ’t Horloge maakt geen uitzondering.”
„Ik kan ’t u niet laten zien, pa,” antwoordde Helène; terwijl ze tot achter haar ooren bloosde.
„Waarom niet? Ik zou wel eens willen weten, waarom niet,” hernam meneer Nederhorst, eenigszins ongeduldig.
„Omdat ik het op ’t oogenblik niet hier heb,” antwoordde Helène bedeesd.
„Waar is het dan?”
Een oogenblik wilde Helène zich door een der leugens redden als Rudolf had willen doen; ze verwierp dit denkbeeld terstond, en zei:
„In goede bewaring.”
„Waar dan?”
„Dat kan ik u niet zeggen, pa.”
„Wat, kun je me dat niet zeggen?” riep hij uit. „Je hebt het gebroken en ’t is bij den horlogemaker!”
„Ik heb ’t niet gebroken en ’t is dus niet bij den horlogemaker,” antwoordde ze vastberaden en kalm.
„Dan heb je ’t verloren.”
„Ook niet, pa.”
„Of aan Leonie gegeven!”
„Ook niet, pa,” antwoordde Helène, bitter schreiend, maar toch bedaard.
„Waar drommel is dan ’t erfstuk van je moeder?” zei meneer Nederhorst.
„Pa!” zei Helène, nu in snikken uitbarstende, „ik mag het u niet zeggen. ’t Is goed bewaard en ik zal het spoedig terugkrijgen.”
Meneer Nederhorst stond op en verliet het vertrek. Bij ’t heengaan wierp hij een doorborenden blik op haar. En toch vond ze, dat ze niet anders had kunnen handelen. Als ze haar vader verteld had, dat het horloge bij een woekeraar was, zou hij naar Amsterdam getrokken zijn; hij zou zijn broeder in de zaak gehaald hebben—en Rudolfs geheele toekomst was verwoest geworden—want oom Walburg zou geen jongeling als zoon aannemen, die reeds als knaap zich in de handen van woekeraars had overgegeven.
Toch aarzelde ze nog tusschen ’t leed, dat ze zichzelf op den hals haalde en dat wat haar vader zou treffen, als zoo op eenmaal al zijn goeden gedachten van Rudolf de bodem werd ingeslagen, toen ze ’t oog ophief naar ’t groote fotografisch portret harer moeder, waarvan elk der kinderen voor een paar jaren een exemplaar cadeau gekregen had, dat haar als ’t ware met haar vriendelijken glimlach toeriep:
„Helène! Spaar je vader en Rudolf! Lijd om mijnentwil liever verdenking en verachting, hoe onverdiend ze ook mogen zijn. God zal alles te zijner tijd wel aan ’t licht brengen!”
Rudolf was juist dien dag naar Amsterdam, om kennis te maken met de kantoorwerkzaamheden, welke hij te verrichten zou hebben en met behulp van den eersten klerk zijner afdeeling een fatsoenlijke, maar niet al te dure kamer te huren. Verder zou hij dien middag bij oom dineeren en eerst tegen den avond terugkomen. Meneer Nederhorst beval Trui, hem het eten op zijn kamer te brengen en dat zelf te doen. In den toestand, waarin hij zich bevond, kon hij Helène niet tegenover zich zien zitten. ’t Was een treurige maaltijd voor ’t meisje, toen ze daar met haar broertje en zusje alleen aanzat en deze haar vroegen, waarom pa niet kwam en waarom haar oogen zoo rood zagen van ’t schreien.
„Pa is niet heel goed in orde, en daarom blijft hij boven.”
„Zou hij dan weer ziek worden, zooals verleden jaar?” vroeg Dora.
„Toen we naar Amsterdam zijn gegaan en bij oom en tante gelogeerd hebben,” zei Alfred.
„Dat zou prettig zijn!” zei Dora opgewekt.
„Dat pa ziek werd?” vroeg Helène zacht en vriendelijk.
„Neen, dat we weer eens bij oom en tante in Amsterdam gingen logeeren,” verbeterde Dora. „O, daar hebben ze zoo’n grooten tuin en Anne en Emmy hebben zulk mooi speelgoed.”
„Een olifant, die in een kring rond rijdt en zijn snuit beweegt net als een levende olifant,” zei Alfred.
„En een pop, die haar oogen verdraait en papa en mama zegt,” voegde Dora er bij.
Helène liet de kinderen praten en voegde er slechts nu en dan een enkel woordje bij: ’t was haar een weldadige afleiding, dit ongekunstelde gesprek aan te hooren.
ELFDE HOOFDSTUK.
ONWEERSWOLKEN.
Rudolf kwam vroolijk en opgewekt thuis. Terstond ging hij naar zijn vader en deed hem van ’t een en ander verslag. Meneer Nederhorst werd er door uit zijn kwaden luim opgewekt.
„Best, mijn jongen!” zei hij. „En dus ging dat alles goed? Ik twijfel er niet aan of je zult spoedig op de hoogte zijn. Doch vooral twee zaken, waarop men in Amsterdam op de groote kantoren zeer gesteld is: precies op tijd komen en accuratesse in zaken. Ik zal nog pleizier van je beleven en je zult mij troosten voor ’t verdriet, dat mijn andere kinderen me aandoen.”
„Hoezoo, pa?” vroeg hij.
„Dat doet er niet toe. Laat me nu alleen; ik heb nog dringende zaken, die van avond af moeten.”
Rudolf vertrok.
„’t Is goed, dat hij in andere handen geweest is,” dacht meneer Nederhorst. „Hoe gelukkig dat mijn vrouw er op aandrong, hem uit huis te doen. Wie weet, wat er van hem terecht zou zijn gekomen, zonder moederoog! O! Marie! waarom moest je me zoo vroeg ontnomen worden, of liever waarom zoo vroeg aan je kinderen ontrukt! Leonie—de onverschilligheid zelf: zij taalt niet naar ’t ouderlijk huis; maar dat is haar ook te klein en te gering.... en Helène, op wie ik al mijn vertrouwen stelde.... heeft mij bedrogen—schandelijk bedrogen!”
Hij bleef eenigen tijd met de hand onder ’t hoofd zitten en gaf zich geheel en al aan zijn verdrietige gedachten over. En misschien was het goed, dat hij op die wijs nog eens op de zaak terug kwam; daar hij nu bedaarder kon denken.
„Waar ’t horloge is!” zei hij in zich zelf. „Verloren kan ze ’t niet hebben; dat is onmogelijk: want ze droeg het nooit. Of ze moest het Leonie hebben meegegeven en die moest het verloren hebben—dat is mogelijk. Maar ze heeft me verzekerd, dat ze ’t haar niet heeft gegeven, dat het niet bij den horlogemaker is. Zou ze ’t dan soms in de Bank van leening gebracht hebben! O, God! Waartoe kan iemand komen! ’t Horloge van mijn vrouw—in de Bank van leening! In alle gevallen, dan is ’t hier in de stad! Misschien heeft ze een vreemden naam opgegeven! Dat zou nog ’t verstandigst zijn. Zou ze ’t Trui hebben laten wegbrengen? Zeker wel! En dan op Trui’s naam. Daar is geen twijfel aan. Morgen ga ik naar de Bank van leening, en vraag, of er ook op dien naam een gouden dameshorloge met ketting is ingebracht.... Maar.... ik heb op ’t oogenblik geen geld genoeg om het te lossen; want wie weet, hoeveel er op gegeven is....”
Meneer Nederhorst bleef voor eenigen tijd in diep gepeins verzonken zitten.
„Veel geld!” hernam hij weer halfluid, den draad zijner gedachten hervattende. „Waartoe kan Helène veel geld noodig gehad hebben? Aan haar toilet besteedt ze ’t niet—Leonie zei me nog, toe ze er was, dat het schande was, zooals Helène er uitzag. Maar ze heeft kleeren voor Dora en Alfred gekocht en ze me niet in rekening gebracht. Toen Walburg hier met Leonie en Louise gelogeerd was, heb ik haar gezegd, dat ze geen kosten zou ontzien.... en heb ik haar geen cent meer huishoudgeld gegeven. O, zeker is ’t mijn schuld, eigenlijk de schuld mijner armoede, dat ze ’t gedaan heeft. ’t Zal haar vrij wat gekost hebben van het dierbaar kleinood harer moeder te scheiden, die ze als een heilige vereert! Arme Helène! Hoe heb ik je kunnen verdenken!... Nu zal ze zeker trachten, dat geld langzamerhand op te sparen en het dan te lossen! Dat zal lang duren en dan komt er de interest bij!... Maar waarom ’t mij niet royaal gezegd!... O, ik begrijp het: ze wilde niet, dat ik de schande zou gevoelen, dat mijn goed naar de lombard gebracht is! De slag, indien ik die zoo op eens uit haar mond gehoord had, zou mij doodelijk hebben kunnen zijn. Laat ons dus vooreerst de zaak op haar beloop laten en er over zwijgen. In alle gevallen—als Helène er niet eerst over spreekt, zwijg ik er van.”
Terwijl meneer Nederhorst zoo in zich zelf zat te redeneeren en Helène’s schuld in zijn ziel vergoelijkte, zat de arme schuldelooze en zoo zwaar verdachte op haar kamer te schreien. Ze had het verhaaltje voor haar genomen, dat ze voor het Tijdschrift van meneer Radinus bestemd had; maar de denkbeelden wilden niet komen; ze was daartoe ook in geen gemoedsstemming. Toen had ze ’t weggeborgen en het copieerwerk ter hand genomen; maar haar tranen beletten haar te werken en de letters dansten haar voor de oogen. Daar werd gescheld. ’t Was Rudolf, dat hoorde ze aan zijn stem, en hij ging terstond naar pa.—O, als hij zich maar niet versprak; want pa zou hem zeker wel naar ’t horloge vragen. Als hij zich versprak, was ’t in alle gevallen beter voor haar. Haar vader zou misschien op ’t oogenblik driftiger worden, maar veel meer tot vergiffenis gezind zijn, als hij de zaak uit Rudolfs mond hoorde, dan wanneer de knaap door haar beticht was. Hij kon dan ook beter de redenen tot zijn verdediging aanbrengen, dan zij het doen kon.
Het duurde niet lang, of Rudolf verliet zijn vader’s kamer en trad de hare binnen. Vroolijk en opgeruimd als hij was over zijn welbesteden dag en de ontvangst bij zijn vader, was hij verwonderd, Helène zoo in tranen te vinden.
„Wat is er?” vroeg hij welwillend en hartelijk.
„Heeft pa je niet naar ’t horloge gevraagd?” vroeg zij.
„Naar ’t horloge? Hoe dat?”
Helène verhaalde hem, wat er gebeurd was.
„Dan ga ik ’t hem zelf vertellen,” zei Rudolf met edele verontwaardiging. „Ik wil niet, dat er door mijn schuld op jou eenige verdenking rust.”
Helène hield hem tegen.
„Laat dat,” zei ze. „Zooals de zaken nu staan, is ’t misschien beter, dat pa maar in zijn waan blijft. Ik geloof niet, dat hij op ’t oogenblik dertig gulden kan missen, om ’t horloge te lossen. En dat zou hij toch willen doen, als hij ’t wist. Dan had je kans, dat hij ’t bij oom Walburg leende, en,—je kent hem genoeg—in de eerste drift zou hij de geheele historie meedeelen. En welk een begin zou dat voor jou zijn aan de Bank? De zaak ligt er nu eenmaal toe, en in de helft, uiterlijk ’t laatst van de maand hoop ik wel zooveel bij elkander te hebben, dat ik met wat jij overgespaard hebt, de dertig gulden heb om het in te lossen.”
„Maar waarvan wil je dat bij elkander halen?” vroeg Rudolf.
„Ik werk immers voor de pers,” antwoordde Helène. „Van hetgeen ik daarmede verdien, kleed ik Dora en Alfred, maak ik de bijzondere uitgaven goed, en hoop ik ook ma’s horloge terug te krijgen.”
„Maar dan ben je een opofferende engel, Helène!” riep Rudolf uit. „O, God! en dan zoo verdacht te worden! Neen, ik vlieg naar pa en werp mij voor zijn voeten! Hij moet het weten, wie de schuldige is.”
Helène stond op, vatte hem bij den arm en bracht hem naar ’t portret van hun moeder.
„Kort voor haar sterven,” zei ze plechtig, „verzocht ze mij pa ’t lot zooveel mogelijk te verzachten. De arme man heeft al genoeg verdriet. Welnu, Rudolf, op dit oogenblik sta ik hier in de plaats van onze lieve moeder, en als door haar mond smeek ik je: maak pa niet ongelukkiger dan hij reeds is. Als hij me vraagt, waarom ik ’t horloge verpand heb, kan ik hem zeggen, dat Dora en Alfred kleeren moesten hebben, dat het logeeren van oom, Louise en Leonie bijzondere onkosten eischte; ik kan hem bewijzen, dat ik geen cent aan mijn toilet heb besteed, dat ik zelfs de twee gouden tientjes, die oom mij bij zijn vertrek in de hand stopte, geheel en al aan de huishouding en een paar warme en stevige winterlaarzen voor Dora en Alfred besteed heb—en hij zal beschaamd moeten zwijgen, al moge hij ’t middel niet goed keuren. Hij weet zelf maar al te goed, hoe ik om meer bij hem heb aangehouden, en zal dan tevens vernemen, hoe ik, al wat ik met copiëeren van slecht leesbaar schrift verdiend heb, in dien bodemloozen put—het huishouden heb geworpen. En dat alles heb ik gedaan ter liefde van ma, wier nagedachtenis mij is als die eener heilige. In den naam van die heilige nu vraag ik je, kan jij hem zulke gronden voor ’t verpanden van ’t horloge voorleggen?”
„Neen,” antwoordde Rudolf met een gebroken hart.
„Ik zei ’t niet, om je eenig verwijt te doen,” vervolgde ze. „Ik zei ’t alleen, om je te overtuigen, hoe pa, ’t ware van de zaak wetende, diep ongelukkig zou zijn, en hoe ’t slechts van mij afhangt, om, door de schuld op mij te nemen, hem zelf tot onwilligen medeplichtige van de daad te maken. Wanneer je daarentegen je zelf gaat aangeven, maak je hem diep ongelukkig. Dat kan die lieve moeder niet gewild hebben.”
Rudolf viel haar om den hals.
„Helène!” riep hij uit. „Voortaan beschouw ik je als mijn moeder. Leid mij ten goede, zooals zij zou gedaan hebben.”
„O, als ik maar sterker was!” zuchtte Helène. „Je zult er dus niets van aan pa zeggen?” voegde zij er kalmer bij.
„Ik beloof ’t je.”
„Ook aan niemand, dat ik voor de pers werk?”
„Waarom niet?”
„Omdat ik daar mijn bijzondere reden voor heb.”
Vrij wat bedaard, borg ze haar werk op.
„Kom, laat ons naar beneden gaan, voor het avondeten. Ik zal dat van pa door Trui boven laten brengen, ze heeft het van middag zijn diner ook moeten doen. ’t Is dan ook maar beter zoo. Ik kan zijn verachting beter verdragen, wanneer ik niet bij hem ben, dan wanneer hij mij met die doorborende blikken aanziet.”
Helène was hoogst verwonderd, toen pa den volgenden morgen aan ’t ontbijt verscheen en zijn gelaat minder stroef stond dan anders. Hij praatte vooral met Rudolf over onverschillige dingen en roerde geen enkele snaar aan, waardoor ’t gesprek op ’t horloge kon komen. De laatste dagen van ’t jaar werden betrekkelijk genoegelijk doorgebracht, terwijl de vacantiedagen der kinderen en ’t verblijf van Rudolf, aan Helène weinig gelegenheid schonken, iets aan haar letterkundigen arbeid te doen. Zoo kwam de eerste Januari aan, de dag waarop Rudolf naar Amsterdam zou gaan, om zijn kamer te betrekken; ten einde den volgenden morgen tijdig op het kantoor te kunnen zijn. Er was bepaald, dat hij den eenen Zondag bij zijn oom, den anderen bij zijn vader te huis zou doorbrengen. Helène had hem bepaald aanbevolen, naar den woekeraar te gaan en dezen te zeggen, dat hij aan ’t eind van dezen of ’t begin van de volgende maand de schuld zou afdoen, en Mozes Zadok had hem met een grijnslach geantwoord, dat dit hem veel genoegen zou doen—zoodat van deze kant de zaak geheel en al in orde was.
Omtrent veertien dagen, nadat Rudolf aan de Bank werkzaam was, moest meneer Nederhorst voor zaken in Amsterdam zijn. Natuurlijk zou hij bij zijn zwager dineeren en ook eens zelf naar de Bank gaan, om te hooren hoe Rudolf het maakte. Hij had echter vooraf nog eenige boodschappen te doen en zijn weg voerde hem voorbij den winkel van Mozes Zadok. Juist toen hij zich vlak voor dien winkel bevond, noodzaakte een opstopping van rijtuigen hem op den stoep des woekeraars zijn toevlucht te zoeken en wierp hij toevallig een blik in de van allerlei zaken voorziene glazen kast; toen opeens zijn oog geboeid werd door eenige horloges, welke te koop hingen, en waaronder een met juweelen bezet dameshorloge met gouden ketting. Eerst ontgaf hij ’t zich; want hoe zou ’t horloge dat op zulk een onverklaarbare wijs was weggeraakt, zich in Amsterdam en dan nog wel in zulk een winkel bevinden? Hij bleef echter staan, bekeek het horloge oplettender, en hoe langer hij ’t bekeek, hoe meer hij tot de overtuiging kwam, dat het inderdaad het verloren schaap was.
Hij trad den winkel binnen en vond er den knaap, dien we reeds ontmoet hebben en die op zijn oude plaats achter de toonbank half zat te dutten. Het toornige gelaat en de vlammende blik van den bezoeker verschrikten dezen zoodanig dat hij slechts stamelend kon uitbrengen:
„Wat is er van mijnheers dienst?”
„Laat mij dat dameshorloge met gouden ketting eens zien; dat daar in de kast hangt,” antwoordde meneer Nederhorst op bevelenden toon.
„Wacht even, meneer,” antwoordde de knaap, „dan zal ik den meester schellen. Die zal u terstond helpen.”
Hij drukte op den knop eener andere schel dan de vorige maal, en een oogenblik later kwam Mozes Zadok de trap af en stond hij diep buigende en listig knipoogende achter de toonbank.
„Wat is er van meneers dienst?” vroeg hij kruipend vriendelijk.
„Laat mij dat gouden met diamanten bezet dameshorloge eens zien, dat daar in de kast hangt.”
Aan het driftige van den toon bemerkte de slimme Zadok wel, dat er wat met dat horloge gebeurd moest zijn, dat niet in den haak was. Hij keek in de kast en zei daarop:
„Dat horloge hoort daar niet te hangen. ’t Is niet te koop. Mijn stomme knecht heeft weer een onhandigheid begaan.”
„Dus is ’t hier verpand?” zei meneer Nederhorst.
„We houden hier geen pandjeshuis, meneer,” antwoordde Mozes.
„Nu, dan hebt je er geld op geleend.”
„Meneer, verschoon me van alle bijzonderheden; ik heb u gezegd, dat het niet te koop was, en dat moet u, dunkt mij genoeg zijn.”
„Dat zou nog te bezien staan,” hernam meneer Nederhorst; terwijl hij Mozes scherp aankeek. „Stel eens, dat dit horloge mijn eigendom is, waarvoor ik het houd, ofschoon ik niet kan begrijpen, hoe ’t hier komt. Doch stel nu eens, dat het zoo is; dan ben ik bereid u de som terug te betalen, welke u er op voorgeschoten hebt.”
De slimme woekeraar begreep, dat hij hier zijn slag kon slaan en bemerkte wel, dat die heer voor zijn toonbank veel waarde aan dat horloge hechtte. Aan den anderen kant begreep hij ook, dat hij voorzichtig met hem moest zijn: want dat er aan de geschiedenis van dat horloge meer vast was, dan hij wel in den beginne gemeend had; en dus haalde hij, schijnbaar tegen zijn wil, ’t horloge uit de kast en liet het meneer Nederhorst zien, zonder ’t uit de handen te geven.
„Doe de kast open,” gebood meneer Nederhorst. Mozes deed het, en nu zag de andere daar duidelijk de dooreen gevlochten letters M. L. N.
„Dit horloge is van mij en niemand heeft er het minste recht op,” zei hij, terwijl zijn lippen van inwendige gramschap beefden.
„’t Spijt mij meneer, dat ik met u in gevoelen verschillen moet,” antwoordde Zadok. „Ten aanzien van mij, hebt u er geen het minste recht op. ’t Werd mij toevertrouwd als zekerheid voor een aardige som gelds.”
„Hoeveel?” vroeg meneer Nederhorst.
„Zestig gulden,” antwoordde Zadok zonder een oogenblik te aarzelen. „’t Was in alle gevallen een goede borg. De diamanten alleen...”
„Genoeg,” zei meneer Nederhorst ongeduldig. „Ik heb er vrij wat meer voor gegeven; dat kan ik u verzekeren. Bewaar het en beloof mij, ’t aan niemand te laten zien. Binnen een uur of korter breng ik u de zestig gulden.”
„Domoor, die ik ben!” mompelde Mozes in zich zelf, „dat ik niet het dubbele der som gevraagd heb! Maar ’t is mijn oude gebrek. Ik ben te onbaatzuchtig! Misschien is ’t ook beter zoo: want de zaak met dat horloge is niet zuiver. Als ik honderd-twintig gulden gevraagd had, zou hij er misschien andere handen in gehaald hebben, en op de politie ben ik nu juist niet gesteld.”
Meneer Nederhorst begaf zich terstond naar de Bank, waar hij zijn broer alleen in de directeurskamer vond.
„Beste Walburg,” zei hij. „Ik heb daar een raar geval. ’t Horloge van mijn vrouw, dat ze een paar dagen vóor haar sterven aan Helène heeft geschonken, bevindt zich in handen van een man, die mij verdacht voorkomt.”
En hij vertelde hem ’t een en ander, wat er met Helène was voorgevallen.