Chapter 3 of 17 · 3986 words · ~20 min read

Part 3

„Wat bekostigen?” zei Trui op dien toon, welken oude dienstboden zoo gemakkelijk aannemen, als hun meesters of meesteressen iets doen, wat in hun oog onrechtvaardig is. „Dat moet dan maar bekostigd worden. Wat drommel! U kan toch met uw teere handjes geen vaten wasschen, kamers stoffen en trappen schuren. Wat weet u van pot koken? Daar zou wat van terecht komen! Aangebrand en niet gaar zou schering en inslag zijn! En dan met uw zwakke gestel bij de hitte van zoo’n kookkachel! Als u dat doet, dan moest u maar tegelijk uw doodkist ook bestellen.”

Mevrouw Nederhorst moest ondanks haar droefheid om de ruwe maar overtuigende manier lachen, waarop Trui sprak.

„Je hebt gelijk, Trui,” antwoordde ze. „Ik weet echter niet of onze middelen ons zullen toelaten een volle meid te houden, dan of we ons met een dagmeisje zullen moeten behelpen.”

„Met zoo’n tulle muts!” riep Trui verontwaardigd uit. „Dat ’s ook al geen voordeel, mevrouw. Die eten voor twee volle en doen ’t werk nog voor geen halve. Dan is uw verdriet niet te overzien; want zulke tulle mutsen hebben altijd nog een stuk vrijer en blijven twee uren weg voor een boodschap van een kwartier. Dan is uw verdriet niet te overzien! En werken kunnen ze niet; alles wordt schroeibroei gedaan, en u moest eens in de hoeken kijken. Daarom, mevrouw, ik blijf er bij: houd mij. Ik ken u sedert meer dan zestien jaren en weet beter dan iemand wat u noodig heeft. Ik zal u zooveel niet kosten, beste mevrouw! Niets dan kost en inwoning, en die moet u een andere dienstmeid toch ook geven. Daarbij moet die nog huur hebben.”

„Dat laatste zul je toch ook moeten hebben, Trui, en zeker....”

„Maar hoe heb ik het nu? Dacht mevrouw, dat ik zooveel woorden vuil maakte, om mijn loon te behouden! Dan kent mevrouw Trui al heel slecht. Zestien jaren heb ik u gediend en verscheidene malen is mijn loon door u verhoogd. Daarbij was u of meneer niet sikkeneurig en hebt u me nog al eens een buitenkansje bezorgd. In ’t eerst heb ik me nog al van ondergoed voorzien, en toen ik goed onderlegd was, heb ik mijn duitjes in de spaarbank gezet, en dat bedraagt al een heel sommetje. Wanneer u me dus maar kost en inwoning geeft, dan kan ik met de renten best toekomen.”

„Maar, beste Trui! op die conditie kan ik immers geen meid aannemen. Meneer zou daar niet in toestemmen.”

„Niet in toestemmen!” riep Trui uit. „Dat zal hij wel doen, als hij van zijn vrouw houdt. Want, mevrouw, of u ’t weten wilt of niet, u steekt in geen best vel, en dit geval heeft u geen goed gedaan. Ik hoop, dat u nog lang zal leven; maar ’t kon toch gebeuren, dat onze lieve Heer u opriep, en wie zou er dan voor uw arme kinderen zorgen? Wie houdt zooveel van hen, als Trui, die ze heeft zien geboren worden, ze op haar schoot gewiegd, op haar arm gedragen heeft? Zeker niet zoo’n nieuwbakken madam, die te veel voor haar eigen toilet te zorgen heeft.”

„Genoeg, Trui,” hernam mevrouw Nederhorst, die door ’t laatste argument geheel en al overwonnen was. „Op welke voorwaarden dan ook—je blijft, en geloof, dat ik in jou voortaan meer een vriendin dan een ondergeschikte zal zien.”

„Dat doet de deur toe!” zei Trui gevat. „Een vriendin betaalt men geen loon, wel een dienstbode!”

Door tranen heen, die van haar aandoening uit de oogen gesprongen waren, moest mevrouw Nederhorst toch om deze bijdehandte aanmerking van de goede vrouw lachen. Ze reikte Trui de hand, welke deze hartelijk kuste.

Nauwelijks had de goede oude meid het gedaan, of Helène, die op haar moeders verzoek binnen gebleven was, opdat deze niet zoo geheel alleen tegenover haar bedienden zou staan, en natuurlijk geen enkel woord gesproken had, ging naar Trui toe, greep haar beide ruwe, vereelte handen en zei:

„Hoor eens, Trui. Ik zal je helpen, zooveel ik kan.”

„Maar, jonge juffrouw, u!” riep Trui uit.

„Waarom niet. Daar zijn zooveel dingen, die ik je uit de hand kan nemen: kamers stoffen, bedden maken, ’t aan- en uitkleeden der kinderen. Als ik dat van je afneem, dan overwerk je je niet. Want wat zou ’t zijn, als je eens te veel op je horens nam en ziek werdt. Je bent ook geen vijf-en-twintig jaar meer. En denk niet, dat het mij een opoffering zal zijn; ik zal het met plezier doen, hoor!”

„Wie zou ’t nu nog een opoffering noemen, om te blijven!” riep Trui uit, „als zoo’n lieve jonge juffrouw presenteert om te helpen. Och, mevrouw, ’t is wel ongelukkig als men zijn geld en goed moet verliezen. Maar als men zoo’n dochter heeft, dan wordt er veel vergoed.”

Trui verliet opgeruimd de kamer.

„Kom eens hier, lieve Helène,” zei mevrouw Nederhorst.

Helène knielde bij de sofa neer. Haar moeder sloeg den arm om haar hals en zag haar vriendelijk aan.

„Meen je, wat je daar zei, lieve?” vroeg zij.

„Zeker, ma,” antwoordde Helène. „Al ben ik nog jong—ik begrijp zeer goed, hoe onze toestand voortaan zijn zal. En u bent te zwak, om iets te doen. Aan wie is dus de taak, om voor u te arbeiden, indien niet aan mij?”

„Maar ’t zal je zwaarder vallen, dan je meent, lieve Helène,” zei mevrouw Nederhorst. „Jij, die aan weelde en gemak gewoon bent, je bezig houden met zulk een arbeid. Jouw handen, die nooit anders dan borduur- of tapisseriewerk gemaakt, niet anders dan potlood of teekenpen gevoerd hebben, zullen nu zich bezig houden met....”

„Met dingen, die noodzakelijk zijn, ma!” antwoordde Helène moedig, „en ik zal de voldoening hebben, u ’t verdriet te verlichten.”

„Ja, dat doe je al, mijn engel!” zei mevrouw Nederhorst; terwijl haar de tranen in de oogen sprongen en ze haar aan heur hart drukte. „Helène! Je bent me een troost en een verlichting in ’t verdriet.”

Eenigen tijd zaten moeder en dochter zoo en spraken geen woord. Eindelijk zei Helène:

„Heeft pa al bepaald, dat we Amsterdam zullen verlaten?”

„Ja, Helène! Pa is te hooghartig, om zich zoo te verminderen en hier te blijven, waar iedereen ons in onze grootheid gekend heeft. We zullen echter niet ver van hier gaan wonen; omdat pa hier nog zaken zal blijven doen. Wij hopen nog zooveel uit de ruïne van ons fortuin te redden, dat we ten minste kunnen leven. Alles zal afhangen van den verkoop van huis en meubelen.”

„Ik ben blij, dat we ergens anders gaan wonen, ma,” zei Helène. „Waar niemand ons kent, zal ’t ons gemakkelijker vallen, onze armoede te verbergen, dan hier, waar onze kennissen ons misschien met den vinger zullen nawijzen.”

Het duurde niet lang, of groote gedrukte biljetten, op houten borden geplakt en aan ’t huis aangeslagen, kondigden „den willigen verkoop van een kapitaal koopmanshuis en erve,” aan. Op de bepaalde dagen kwamen er kijkers in overvloed. ’t Huis werd in de „Brakke Grond” voor een aanzienlijke som verkocht. Intusschen had meneer Nederhorst eens rondgekeken, en te Weesp, even buiten de stad, een ferm huis voor weinig geld gehuurd. ’t Was wel een treffen, dat door sterfgeval dit huis leegstond en dus dadelijk te betrekken was. Nu moest nog ’t meubilair verkocht worden, en meneer Nederhorst drong er op aan, dat zijn vrouw met Helène, Dora en Alfred intusschen naar Weesp zouden trekken. Wel bood haar broer Walburg aan, de geheele familie zoo lang te logeeren, tot het huis in Weesp schoongemaakt en gemeubeld zou zijn, maar zijn zwager oordeelde het beter, dat de familie zoo lang te Weesp kamers in een logement zou betrekken. Dan kon Trui terwijl ’t huis schoonmaken en zijn vrouw de meubels, welke hij door zijn makelaar zou laten inkoopen, ontvangen en schikken, en dan was de overgang meer geleidelijk.

Hij bracht dus zijn familie naar haar nieuwe woonplaats, maakte conditiën met den logementhouder, en keerde naar Amsterdam terug, waar hij zoolang zijn intrek bij zwager Walburg nam. Al de dienstboden waren intusschen vertrokken, behalve Trui, die haar meesteres naar Weesp vergezelde en reeds den volgenden dag van top tot teen met het noodige schoonmaakgerei gewapend naar ’t nieuwe huis ging, waarheen mevrouw met haar kinderen des middags wandelden, om het te bezien. Want den vorigen dag was ze te vermoeid van de reis geweest, en had haar man het aan Helène en Trui gewezen.

Trui deed hun de deur open en verwelkomde hen in de nieuwe woning. Ofschoon die natuurlijk vreeselijk afviel bij de oude, moest mevrouw Nederhorst toch bekennen, dat ze haar werkelijk meeviel. Helène vond de kamers, bij de meerdere beknoptheid, zeer logeabel; de beide kinderen waren in enthousiasme over ’t nieuwe van de zaak: want al wat nieuw is, blijft de illusie van het kind. Terwijl de kinderen wat in het kleine tuintje rondliepen, gaven mevrouw en Helène de bestemming aan de verschillende vertrekken, werd er voor mama een lieve, tamelijk ruime slaapkamer en voor papa een allerliefst bovenvertrek gekozen, uit wier ramen hij een riant uitzicht had. Hierop keerde men naar ’t logement terug, waar Trui ’s middags kwam eten en ’s nachts slapen. Intusschen verrichtte Helène de functiën van kamenier bij mama en van bonne bij de kinderen, en dat ging haar vrij goed af, vooral wanneer men rekent, hoe vreemd het haar was. Dagelijks bezocht zij met Dora en Alfred de omstreken der stad, en bracht ze met hen een visite bij Trui, die ferm vorderde met het schoonmaken van ’t huis, dat voor één vrouw alleen een heele karrewei was.

Een paar malen kwam meneer Nederhorst over, om te zien, hoe de familie ’t maakte.

„Je moet hier een school voor Alfred en Dora zoeken, manlief,” zei mevrouw eens tot hem: „’t zou Helène en mij zooveel rust geven, als ze weer school gingen.”

„Dat is goed,” antwoordde haar man. „Maar hoe een keus te doen? Ik ben hier ten volle onbekend.”

„Indien we den logementhouder eens vroegen,” zei mevrouw. „Zulke menschen weten toch natuurlijk, wat er al zoo merkwaardigs in de stad is.”

Dit werd goedgevonden en, op aanwijzing van den eigenaar van ’t hôtel, begaf meneer Nederhorst zich naar den onderwijzer, wiens school hem als de beste genoemd werd. Hij stond er op, dat zijn vrouw hem zou vergezellen, daar zij beter over de kinderen wist te spreken dan hij. ’t Schoolgeld was oneindig minder dan te Amsterdam, hetgeen zeer meeviel. Toen haalde hij zijn vrouw over, om met hem naar ’t nieuwe huis te wandelen, opdat hij de gemaakte schikking mocht zien. Ze wilde ’t hem niet weigeren, ofschoon ’t wel wat vermoeiend voor haar was. In ’t huis vonden ze Helène met de kinderen, aan welke laatste mama vertelde, dat ze morgen reeds naar school zouden gaan.

„O, dat is heerlijk!” fluisterde Helène haar moeder in’t oor. „Dat zal u rust geven.”

Na langzaam en bedaard terug gewandeld, en gedineerd te hebben, vertrok meneer Nederhorst weder naar Amsterdam, terwijl Helène hem met de kinderen naar ’t station bracht. Toen ze thuiskwam, stuurde ze Dora en Alfred wat in den tuin van ’t hôtel, omdat ze wel begreep, dat haar moeder rust zou noodig hebben. Toen ging ze naar boven, waar ze deze op de sofa vond liggen, met den zakdoek voor de oogen en zenuwachtig snikkende.

Ze knielde bij haar neder, nam haar hand en vroeg op meewarigen toon:

„Wat scheelt er aan lieve ma?”

„Ik ben wat oververmoeid van de wandeling en heb zware hoofdpijn,” antwoordde mevrouw Nederhorst nog steeds snikkende.

„Geen wonder,” zei Helène; „u hebt u ook wel wat overspannen. Schrei nu maar ferm uit; dat zal u goed doen.”

Daarop ging ze naar de kleine huisapotheek, haalde er een fleschje met glazen stop uit, waarop een etiquette met „tinctuur van barnsteen” geplakt was, goot wat water in een glas, deed wat barnsteen daarbij, en bracht het haar moeder.

„Hier ma! Neem wat tinctuur van barnsteen,” zeide zij. „Dat zal uw zenuwgestel tot bedaren brengen.”

Mevrouw Nederhorst nam het drankje.

„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze.

„Wel, ma! Ik wist heel goed, dat u niet zonder deze en andere medicijnen kunt, en daarom heb ik al de potjes en fleschjes ingepakt, die u van dienst kunnen zijn.”

„O, hoe attent!” zeide haar moeder. „Waar niemand om denkt, zorg jij voor.”

„En nu zal ik u slapen met wat vlugzout wrijven,” ging zij voort, terwijl ze van een ander fleschje den glazen stop deed, haar duim met het vocht nat maakte en zoo ’t geneesmiddel op haar moeders slapen wreef.

„Bedaart het nu wat?” vroeg ze.

„Ja, Helène,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik denk, dat ik nu wel wat zou kunnen slapen.”

„Ik zal ’t avondeten voor Dora en Alfred op de slaapkamer klaarzetten; als ze dat gebruikt hebben en ik ze uitgekleed heb, zal ik ze bij u brengen, om u goeden nacht te zeggen.”

„Laat Trui ze maar uitkleeden,” zei mevrouw Nederhorst. „Ze komt toch straks terug en heeft niets meer te doen.”

„Heel goed,” antwoordde Helène, „ik zal ’t haar vragen. En nu maar rustig liggen en tracht wat te slapen; dat zal u goed doen.”

Maar mevrouw Nederhorst kon niet slapen. Toen Helène terugkwam, vond ze haar nog wakker.

„U moest naar bed gaan, ma,” zeide zij. „Daar zult u beter rusten en misschien wel in slaap vallen.”

„Ik geloof, dat je gelijk hebt, Helène,” antwoordde zij, en liet zich door haar dochter naar de andere kamer brengen. Deze hielp haar uitkleeden, deed heur haar los en vervulde al de bezigheden van Rika met zulk een vlugheid, dat haar moeder haar kamenier niet miste. Juist toen mevrouw Nederhorst te bed lag, hoorde men de kleintjes naar boven komen; ze kwamen met een tamelijk geweld aan, en Helène ging op ’t portaal en waarschuwde hun, dat zij stil moesten zijn, want dat ma met zware hoofdpijn te bed lag. Daarop haalde ze hun avondeten, hetwelk ze gauw ophadden, en kleedde ze met behulp van Trui uit, waarna ze hen te bed bracht. Bij ondervinding wist ze, dat ze nu niets beters kon doen dan haar moeder alleen te laten; daarom legde ze de zieke wat goed, en begaf ze zich naar beneden, om in den grooten tuin van ’t logement een luchtje te scheppen en zich aan haar treurige gedachten over te geven. Daar ’t niet koud was, had ze zich op de bank van ’t prieëel neergezet, en zat ze met de hand voor de oogen en haar elleboog op de tafel leunende, toen ze eensklaps opschrikte door een vriendelijke stem, die tot haar zeide:

„Hoe zoo bedroefd, kindlief?”

Helène nam haar hand van de oogen en keek met haar betraande oogen den spreker aan. ’t Was een eerwaardig, oud heer, van in de zestig jaren, en Helène vond terstond, dat zijn gelaat iets bijzonder innemends had, iets dat haar onwillekeurig tot hem trok. Ze antwoordde echter niet.

„Uw jurk gescheurd, ’t een of ander gebroken, of ongenoegen met uw vriendinnetjes gehad?” vroeg de oude heer.

„Neen, neen!” riep Helène uit. „Dat zou de moeite niet waard zijn om hier te zitten schreien. ’t Is vrij wat erger.”

„Erger dan dat?” hernam de oude heer vriendelijk.

„Ja, veel erger,” bevestigde Helène snikkend.

De oude heer ging naast haar zitten, nam haar beide handen in de zijne en keek haar vriendelijk aan.

„Vertrouw mij je verdriet toe, kind,” zei hij op zachten, meewarigen toon. „Misschien kan ik je helpen.”

„Neen, dat kunt u niet, meneer,” antwoordde Helène.

„Kindlief,” hernam de vreemde heer, „’t spreekwoord zegt niet vergeefs: „il n’y a que les malheureux qui puissent se consoler.” Vertel mij dus gerust, wat u zoo bedroefd maakt. Ik had eens een lieve vrouw en een dochter van uw leeftijd. Beiden zijn mij door den dood ontnomen. En nu sta ik geheel alleen op de wereld, zonder vrouw, zonder kind, ja, zonder broeder of zuster, die in mijn smart kunnen deelen en mij over de verliezen, welke ik leed, kunnen troosten.”

„O, dan bent u wel te beklagen, meneer,” zei Helène medelijdend.

„Niet waar? Niemand weet, wat het zegt, zoo alleen door ’t leven te gaan.”

Helène keek hem treurig aan.

„Vertrouw mij je leed toe,” hernam hij. „Ik zal je geheim niet verraden, en misschien geeft het je troost, als je ’t mij meedeelt.”

De toon, waarop hij dit zei, was zoo goedhartig, zoo oprecht, dat Helène niet kon nalaten, vertrouwen in hem te stellen.

„Ach!” zeide zij. „Ik schrei niet om mijn eigen ongeluk, maar om dat van mijn ouders.”

„’t Is te koud om hier lang te zitten,” zeide de oude heer. „Laat ons samen wat opwandelen. Mijn woning is hier dicht bij. Daar kun je mij, als je wilt, je verdriet meedeelen. Ik wandelde eens om en zag je daar zitten.”

Helène ging werktuigelijk met den vriendelijken man mede. Weldra stonden ze voor een bevallige villa. Hij bracht haar in een keurig gemeubileerde kamer, waar een helder vuurtje in den haard brandde. De weldadige warmte deed Helène goed, want ze was koud geworden.

„Welnu,” zei de oude heer. „Deel mij nu de oorzaak van je tranen mee. Misschien kan ik je helpen, in alle gevallen je troosten en goeden raad geven. Denk niet dat het onbescheiden nieuwsgierigheid is. Je lijkt sprekend op mijn lieve Helène; die was even oud als jij toen ze stierf.”

Helène aarzelde nog een oogenblik. ’t Stiet haar tegen de borst, een vreemde deelgenoot te maken van haar omstandigheden. Maar ’t geheele uiterlijk van den ouden heer boezemde haar zooveel vertrouwen in, dat het haar was, als sprak ze tot haar eigen vader, en van lieverlede maakte zij hem deelgenoot van haar leed.

„Arm kind!” zei de vreemde heer. „Je leert al vroeg de keerzijde van het leven kennen. Moed gehouden, en als ik je soms met raad en daad kan bijstaan—je weet nu waar je mij vinden kunt. Ik woon dicht genoeg bij ’t logement zooals je ziet, en ik zal morgen de vrijheid nemen, om ook je mama eens een bezoek te brengen. Ik was vroeger practiseerend dokter; welnu, dan informeer ik te gelijk eens naar mama’s gezondheid. Groet haar van mij en zeg haar dat ik innig deelneem in haar treurige omstandigheden.”

Helène nam een hartelijk afscheid van den ouden heer, in wien ze zulk een onbepaald vertrouwen stelde en die haar zoo zeer voor zich had ingenomen. Toen ze in ’t logement en op de slaapkamer kwam, vond ze haar moeder juist ontwaakt. Deze vroeg aan haar waar ze geweest was. Het meisje vertelde haar, hoe ze schreiende in den tuin van ’t logement zittende, een nieuwen vriend gevonden had en hoeveel deel deze in hun ongeluk nam.

„Maar, Helène!” zei haar moeder. „Hoe kan je zoo onbescheiden wezen, om een vreemdeling bekend te maken met onze familie-omstandigheden?”

„Ach ma! als u hem zag, dien ouden heer, dan zou u hem ook uw geheele verdriet toevertrouwd hebben. U weet niet, wat een allerliefst man hij is. Morgen komt hij u eens een bezoek brengen, ten minste als u hem ontvangen wilt!”

„’t Is nu gebeurd, en ik hoop, dat hij er geen misbruik van zal maken. Maar wees voortaan geheimer met zaken, die anderen niet aangaan.”

Meer zei haar moeder niet; maar Helène gevoelde ’t verkeerde harer handelwijs, en toch kon ze de gedachte niet van zich werpen, dat ze in dit geval niet verkeerd gedaan had, den ouden heer te vertrouwen, wiens naam ze niet eens gevraagd had.

Ze had het den volgenden dag heel druk; want haar moeder voelde zich niet wel genoeg om op te staan. Ze bracht haar dus haar thee op ’t bed, kleedde de kinderen aan en bracht ze naar school.

„Braaf oppassen Alfred, goed leeren Dora!” zei ze, terwijl ze elk een kus gaf, „om twaalf uur kom ik jullie halen.”

Daarop spoedde ze zich naar’t logement, waar ze haar moeder in een gerusten slaap vond. Ze redderde den boel wat op en dat alles zoo stil, dat ze de slapende niet wakker maakte. Tegen elf uur werd mevrouw Nederhorst wakker en gaf haar verlangen te kennen, om op te staan. Helène deed heur haar, kleedde haar in een gemakkelijk négligé en dat met een vlugheid en een tact, die Rika haar niet zou verbeterd hebben.

„Nu, ga ik even de kinderen van school halen,” zeide zij. „Dan laat ik de koffie boven brengen en zullen we heel genoeglijk bij elkander zitten, niet waar, ma?”

„Zeker Helène,” antwoordde haar moeder, die ’t lieve meisje met een tevreden en dankbaren blik nakeek. Tegen twee uur bracht Helène Alfred en Dora weer naar school.

„Ze zullen wel gauw den weg zelf leeren kennen, dan kunnen ze best alleen gaan,” zei mevrouw Nederhorst, toen Helène terug was.

„Welzeker, ma,” antwoordde Helène. „En daar ’t hier niet zoo druk is als in Amsterdam, kunnen we ze gerust vertrouwen.”

Op dit oogenblik werd er op de kamerdeur getikt.

„Binnen!” riep mevrouw Nederhorst, en het dienstmeisje van ’t logement verscheen in de deur. „Mevrouw,” zeide zij, „daar is een heer, die verlangt te weten, of hij u geen belet aandoet; hier is zijn kaartje.”

Mevrouw Nederhorst nam het kaartje aan en las:

Dr. Faminga.

„De titel van Doctor geeft hem volkomen recht op een beleefde behandeling van onzen kant,” zei mevrouw Nederhorst. „Zeg hem dus, dat ik hem met genoegen verwacht.”

Sientje vertrok.

„Hij is dokter,” zei Helène. „Misschien kunt u hem wel tot uw dokter nemen.”

„Vooreerst is het te bewijzen, dat hij doctor in de medicijnen is,” hernam mevrouw Nederhorst. „Hij kan even goed dokter in de godgeleerdheid, in de philosophie, in de rechten of in de letteren wezen. Daarenboven zal ’t van pa afhangen, of hij hem tot zijn dokter verlangt.”

Eenige oogenblikken later kwam Dr. Faminga binnen.

„Mevrouw,” zei hij met een beleefde buiging. „Ik ben zoo ingenomen met uw lieve dochter, dat ik verlangend was, de eer te hebben haar mama te leeren kennen, en ik hoop, dat dit door u volstrekt niet aan de begeerte zal worden toegeschreven, om mij bij u in te dringen.”

„Ik dank u hartelijk voor de belangstelling in mijn dochter, meneer,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik vrees echter, dat zij u met de mededeeling van onze aangelegenheden zeer zal verveeld hebben.”

„Ik moet tot verontschuldiging van mijn vriendinnetje in het midden brengen,” antwoordde dokter Faminga, „dat ik het was, die haar naar de oorzaak van haar verdriet vroeg. Vergeef mij die onbescheidenheid. ’t Was niet uit een ijdele nieuwsgierigheid, maar uit zuivere belangstelling. Ik heb zooveel rampspoeden en verdrietelijkheden in ’t leven ondervonden, dat ik anderen niet kan zien lijden, zonder er belang in te stellen. Toen ik uw dochter zag schreien, dacht ik: misschien heeft ze geen vrienden, en kan ik mij haar lot aantrekken. ’t Was wel een dwaas denkbeeld; maar ik sta zoo geheel alleen op de wijde wereld; daarbij, menschen die zoo alles, wat zij rondom zich lief hadden, verloren hebben, houden zich dikwerf aan een stroohalm vast.”

Deze laatste woorden sprak hij met zulk een bewogen stem, dat mevrouw Nederhorst er door getroffen was. Aan de oprechtheid zijner betuiging behoefde zij niet te twijfelen, en daarom antwoordde zij:

„Welnu, zoolang we hier in ’t logement vertoeven, zal ik Helène verlof geven, u van tijd tot tijd te komen bezoeken. Ik weet, dat zij dit gaarne doen zal. Ook als wij ons gevestigd hebben, kan ze die bezoeken wel eens hervatten; ten minste wanneer haar vader het goedvindt.”

„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde Dr. Faminga. „Zooals u wel van haar zult weten, woon ik hier dicht bij. Toen ik al wat ik bezat verloor, was ik troosteloos en somber, en waarschijnlijk zou dit in krankzinnigheid geëindigd zijn, wanneer niet mijn vriend en ambtgenoot, dokter Van Esch, mij had overgehaald, om hier te komen wonen. Hier ben ik tot rust gekomen. Intusschen hoop ik, dat het mij door uw man zal worden toegestaan, ook u van tijd tot tijd een bezoek te brengen.”