XI.
„Vrees niet geliefde Horatio. Gij zult opnieuw moeten, wat gij op aarde noemt sterven, maar wat niets anders is dan het overgaan in een andere dimensie. Gij zult mij straks weder naast u vinden, want ik heb besloten u niet, u nooit weer te verlaten en ik verwacht van u hetzelfde.”
„Inderdaad Eumenia, ik hoop mijzelf ook nooit te verlaten.”
„Ik meende, dat gij ook mij nooit zoudt verlaten, Horatio!”
En in den toon lag voor ’t eerst iets, dat men op aarde wellicht gekrenkte eigenliefde zou genoemd hebben.
„Precies mijn idée, geliefde.”
„Zend nu voor een oogenblik uwe bezinning weg. Dan vindt gij gelegenheid om opnieuw van de dimensie, waarin gij u thans bevindt, tot een hoogere over te gaan, wat ook hier met tijdelijke bewusteloosheid gepaard gaat, net als het „sterven” op aarde. Want gij kunt geen vat opnieuw geheel vullen, indien het niet te voren volkomen geledigd is.”
„Heb ik dan tot heden in een andere dimensie geleefd dan vóór de narcose?”
„Ik begrijp Horatio, dat gij mij die vraag stelt. Inderdaad, het kon u niet bewust worden, omdat gij product eener dimensie, niet boven die dimensie uit kunt komen om haar te toetsen.”
„Gij herinnert mij Eumenia aan Archimedes, die zoo hij een vast punt buiten de aarde had, beloofde de aarde uit haar voegen te kunnen tillen.”
„Of wij ooit een vast punt zullen kennen, behalve Het Vaste Punt kan ik u niet zeggen, Horatio.”
„En voor wie dat Vaste Punt wankelt?”
„Wie in zich de wankeling heeft, hoe kan hij hopen buiten zich een vast punt te vinden? Doch nu, geliefde, slaap.... Gij zult mij ontwakend nevens u vinden.”
Het was professor Leyden of hij opnieuw genarcotiseerd werd. De hand, welke Eumenia boven zijn etherisch hoofd hield, loste het op als damp, als damp van damp en het laatste wat professor Leyden zich bezonnen herinnerde, was een formule welke in het ruim scheen te zweven en de gedachte, als ik terugkom, zal ik het aan de collega’s zóó moeten duidelijk maken:
(Fluïde)^3 = Ether × Fluïde × Odd) ---------------------------------------- (Dimensie)^4 = D^ie × D^ie × D^ie × D^ie
Daarna toefde professor Leyden in het volkomen niet, indien het toeven mag heeten, waar alles negatie is en indien het volkomen mag heeten, waar ook de onvolkomenheid, volkomen is en indien het niet mag heeten, waar geen iet als tegenstelling is.
Toen professor Leyden weder tot bezinning kwam was zijn eerste gedachte dan ook aan het wezen der negatie gewijd. Tegenover het iet is het niet te stellen, dacht hij, maar tegenover de gedachte waar-tegenover geen andere is te stellen, het (niet)x, het absolute niet in abstractie, geloof ik, met welmeenen van mijn collega’s, die het als zij het beter weten, gerust mogen zeggen, te moeten beweren, te mogen herhalen, wat eens een deurwaarder in het eerste jaar op mijn kast gekomen als hoogste wijsheid der jurisprudentie uitsprak: Waar niet is, heeft de keizer zijn recht verloren. Ik wist tot heden niet, dat zelfs een jurist, philosofisch kan zijn en voor een enkele keer aan het sofisme, de liefde kan toevoegen. Maar hoe dan ook, ik ben ledig geweest en ik voel mij op dit oogenblik als in een aggregatie-toestand. Mocht ik nu maar weder mijn angelus tutelaris naast mij weten, mijn agnomen uit haar zoeten mond vernemen. Van haar zoeten mond gesproken, wat mij thans het meest bekommert, is het vinden van de formule, waardoor ik mijn collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe de sensatie van een kus is in deze dimensie. Helaas, zal zij niet wederkeeren? Zal zij mij verachten, zooals ik eens, lang geleden, het haar deed, daar ik nu, naar heur beeldspraak, toch slechts nieuwe wijn, maar in een ouden zak ben?
Een ding aarzel ik niet te constateeren. Daar ik ook hier, bij de gedachte aan een kus opleef en bij de gedachte het vrouwelijke schoon te moeten missen, verdriet gevoel is dus, als ik mij nuchter tegenover de feiten stel, streng wetenschappelijk gesproken, ook in deze dimensie lust en onlust. Maar het gevoel dier beide sensaties schijnt mij toe, hier in elkaar te verglijden en ik leef op de grens dier grensverflauwing. Evenwel, het is hier niet de extase der aarde, die extase begin aller nieuwe creatie, doch er is hier een boven-extase of positieve verrukking en daartusschen lijkt mijn huidige toestand van wetenschappelijke bezonnenheid een aequinoctium.
Het was in dezen toestand, dat Eumenia den professor vond, in labiel psychisch evenwicht. Zij legde haar hand weder op zijn hoofd, zooals zij in een vroegere dimensie had gedaan, toen de professor in den tuin van het ziekenhuis zijner kliniek bedroefd was neergezeten en zeide zacht:
„Horatio?”
„Roept mij iemand?” vroeg prof. Leyden.
„Ja.... ik?”
„Wat is dat.... ik?”
„Kunt gij mij niet hooren?”
„Ja.... hooren doe ik.... maar het gehoorde, klinkt niet tot mij door. Het is alsof geluiden uit de verte klinken, welke te vergeefs trachten een verstaanbaren vorm aan te nemen.”
„Voelt gij mijn hand boven uw hoofd uitstralen?”
„Ik voel uitstraling boven mijn hoofd, maar het is of de uitstraling niet in mij doorstraalt. Ik voel het als iets chaotisch,” dacht professor Leyden.
„Ik ben Eumenia, uw angelus tutelaris,” zeide Eumenia.
Het was professor Leyden alsof hij iets hoorde tuten en achter dat tuten, gelijk een waas van geluid, hoorde hij stemverwarringen.
„Waarschijnlijk,” dacht prof. Leyden, „geschiedt hier op ’t oogenblik iets soortgelijks als mij vroeger wel eens gebeurde bij het telefoneeren. Dan wist ik niet of ik het toestel de schuld moest geven of aan de smadelijke gewoonte, juist jonge meisjes, de klapachtigste menschensoort ter wereld, tot verlengstukken der spreektrompet te maken, zijzelve spreektrompetten zonder rem. Waarschijnlijk spreekt iemand tot mij en wil mij iets mededeelen. Maar daar er verschil in de dimensies is, waarin wij leven, kunnen wij helaas elkaar verstaan noch begrijpen, slechts vaag vermoeden, dat wij elkaar wat mede te deelen hebben. Was het op de aarde niet vaak evenzoo, als ik de vorderingen der wetenschap aan die van het eerste jaar trachtte duidelijk te maken? En waren de stemmen van al de groote mannen, die hun tijd, dat wil zeggen, hun dimensie, vooruit waren, voor hun z.g. „tijd”genooten niet als die der roependen in den woestijn?”
Opeens hoorde nu professor Leyden duidelijk en helder „Horatio!” zeggen. En een gevoel van welbehagen doorstroomde hem, als ontwaakte hij na een gezonden, vasten slaap op een stralenden Mei-morgen, gewekt door vogelgefluit.
„Eumenia!” antwoordde prof. Leyden verheugd.
„Mijn geliefde, hoe zeer heb ik geworsteld om tot u te geraken. Verbeeld u, het lukte mij niet tot gelijke dimensie met u te komen, omdat gij in labiel in stede van stabiel psychisch evenwicht verkeerend, telkens tusschen dimensie en dimensie heen en weer schommelde. Alleen gelijkgestemden kunnen elkaar verstaan.”
„Hoe klaar, hoe kristalhelder klinkt uw stem, Eumenia.”
„Straks zult gij ook alles zoo kristalhelder zien. Daar gij hier in een hoogere dimensie leeft, zijn uw zintuigen sterkere recipiënten geworden....”
„Ik zie.... ik zie.... ik zie u.... o stralende, liefelijke, emanatie....” kreet de professor in verrukking.
„Ik ben dezelfde die ik was, geliefde. Alleenlijk gij hebt de kracht verkregen meer van mij te omvatten. Op de aarde is het niet anders. Wat gij ontwaart, zijt gij zelf. En aldus zult gij nooit tot meer erkenning kunnen komen, dan er aan erkenning in u werd gebracht. En nu, kom mede. Thans zal ik u leiden naar den toestand, die op aarde later omstreeks het jaar 2000 zal zijn.”
En prof. Leyden, zelf zich als een lichtgevende substantie voelend, die alles bezonnen, stralend en helder ontwaarde, schoot voort als een zich vormend kristal achter Eumenia, die als een andere emanatie hem leidde.