Chapter 22 of 23 · 899 words · ~4 min read

XXIII.

„Zooals gij ze nu hier ziet, Horatio, zijn zij op het toppunt van hun bloei.”

„Dus zij ook zullen ondergaan, ondanks hun hoogen trap van psychische ontwikkeling en gemoedsbeschaving?”

„Ook zij zullen over het toppunt heen komen en ondergaan. Ik zal u naar een verder tijdperk van de toekomstige ontwikkeling der menschheid op aarde voeren. Kom mede, mijn vriend en volg mij.”

Het was prof. Leyden of hij thans de wereld in een verschiet van geelgroen licht zag. Maar overigens vond hij niet veel verschil in de landstreek.

„Dit zijn nog altijd de Harmonischen, niet waar Eumenia? Ten minste, ik zie nog dezelfde groote huizen, dezelfde boomgaarden, hoewel nu in den herfst en zwaar met vruchten beladen. Dezelfde moestuinen, siertuinen, windmolens, gecultiveerde landen, schaapskudden en bosschen. Is het de herfst, welke de sfeer zoo geel maakt?”

„Het is herfst nu mijn vriend. Maar deze herfst is honderden jaren na de lente, welke gij te voren zaagt. De seconden-tikslag van uw aardsch horloge klopt anders dan die van de jaren en de eeuwen. Toch is het u maar een verschil van tijdsgevoel.

„Gij vraagt of het nog de Harmonischen zijn. Inderdaad, in naam zijn ze het nog en zij meenen zelve ook nog, dat zij het zijn. Maar in waarheid vormen zij slechts de versteende traditie van instellingen, die eens levende en bloeiende waren. Uiterlijk is alles nog zoo als in den tijd van den grooten bloei van het Harmonische Rijk. Innerlijk is de ziel verdord.”

„Is in hen dan de Christus Idée niet levend gebleven en heeft zij zich ook in hen niet verder ontwikkeld?”

„Mijn lieve vriend, ik kan u daarop niet veel antwoorden. Want ook ik ben nog wordende en niet gaarne zou ik mijn eigen ontwikkeling vertragen, door van meer te willen getuigen dan ik kan en mag. Maar wat ik weet, zal ik u mededeelen. De eerste teekenen van den ondergang der Harmonischen vertoonden zich als een ongewone voorspoedigheid. De zorgvuldige opvoeding en opleiding door het voorgeslacht van het nageslacht had ten gevolge, dat dit nageslacht een zeldzame graad van volkomenheid bereikte. De kinderen behoefden bijna niets meer te leeren. Alles scheen hun ingeboren. Zooals eens vroeger de menschen zich tot ware monsters van intelligentie hadden ontwikkeld, omdat geslacht na geslacht, intelligentie als het hoogst bereikbare voor den mensch had beschouwd, ontwikkelden de menschen zich nu tot ware monsters, als ik het zoo zeggen mag, van intuïtie. De vaardigheid reeds van kleine meisjes in het weven, breien en de sierkunsten, van de jongens in het timmeren, bouwen en allen landarbeid was buitengemeen. Vroeger waren er nog wel eens jaren van misoogst geweest, waardoor dan ’s winters geteerd werd op geconfijte, ingemaakte of gejamde voorraden. Maar thans was het opkomende geslacht zoover in de oogstbouw, dat er ondanks ongunstige klimaatgesteldheden, toch elk jaar rijke oogsten werden binnengehaald. Zoo werden bijvoorbeeld, wanneer het voorjaar te vroeg warm werd, de bloesems zich vertoonden voor den tijd, dat de nachtvorsten niet meer gevreesd behoefden te worden, alle boomgaarden overdekt met in, uit suiker en aardappelmeel bereide, gelatine gedoopte tulle. Aldus werd de koude geweerd en toch het licht niet afgesloten en voorkomen, dat dagregens of nachtdauw op de bloesems bevroren en ze zoo voortijdig zouden doen afvallen of dooden. De vele vogels zorgden, dat de schadelijke insecten beperkt bleven. Ten aanzien van de verzorging van de vruchtboomen, maar ook de boomen van de bosschen, kregen de menschen een soort intuïtief begrijpen, dat het beste vergeleken kon worden met het begrip voor de nooden van het dier, dat voor 1950 sommige vee- en paardenfokkers bezaten. Het was alsof tusschen de psyche van den mensch en van den boom een zekere intuïtieve verstandhouding was gekomen. Men voelde, wat de boom vroeg, wilde, verlangde, wat hem deerde, wat hem bedreigde, wat hem lastig of wat hem aangenaam was.

„En deze eigenschappen waren niet individueel maar communeel. Elkeen had ze. Ook was het merkwaardig, hoe alle kinderen op elkaar gingen gelijken. Ze hadden allen denzelfden bouw, dezelfde kleuren van haren en oogen, hetzelfde soort geluid, dezelfde zangstemmen, zoodat zelfs de vaders en moeders moeite begonnen te ondervinden, hun kinderen van andermanskinderen te onderscheiden. Toen deze elkaar gelijkende geslachten voort bleven gaan, op dezelfde wijze te voelen, te denken, te eten, te drinken, te spelen, te leeren, te arbeiden, te zingen, zich te vermaken, kwam er een doodende eenvormigheid in het Harmonische Rijk. Maar daar in ieder persoon de persoonlijkheid het eigene had verloren, merkte men dit niet. De menschenwereld begon te gelijken op de mierenwereld. Een groote zorg voor het nageslacht bleef den menschen kenmerken. Arbeiden was ieders lust en leven. Maar alles geschiedde mechanisch en zooals vroeger het intellect, de „automatica” en de automatische menschen had geschapen, zoo schiep nu de intuïtie, een innerlijke automatische mechaniek, welke in haar gevolgen even noodlottig werd.

„Want de geslachten kwamen niet meer tot verdere ontwikkeling. Het waren eindelooze herhalingen van dezelfde soort op elkaar gelijkende menschelijke wezens, die hun levens in een droomtoestand doorleefden.

„Het geheele „Rijk der Harmonischen” was zooals eens de Oud Egyptische rijken als de dood in de pot. En inderdaad werden mannen en vrouwen, meisjes en jongens, zoo passief, dat het vermogen ging ontbreken zich aan veranderde uiterlijke omstandigheden aan te passen. Men deed alles precies zoo als de voorvaderen het gedaan hadden. De gezangen waren als formules geworden. De gebeden werden opgezegd, mechanisch zooals de opgezette bromtol, bromt en afloopt.”