Chapter 23 of 23 · 1343 words · ~7 min read

XXIV.

Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan nieuwe gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners te gelijk op dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen wat men intuïtief kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen andere richting loopen, dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon geen andere bewegingen meer maken, dan vader en moeder hadden verricht. Men verloor het gevoel der persoonlijkheid en men moest het woord „ik” gaan vervangen door „wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet meer had. Alle enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog alleen in meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets te doen of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t land werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en gingen gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en werkten weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder genegenheid, zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar, innerlijk en uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld worden, zonder dat de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer met woorden, daar ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou zeggen of opmerken, zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer oude huwelijksparen het geval was geweest, die in harmonie leefden en niet door kijfpartijen elkaars vitaliteit opwekten!

Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den man geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener overwinning schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.

Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest, aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de vele geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch, die de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs zoo die zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De held, de kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de Verlosser en daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek noodzakelijk voor het voortbestaan en zich verheffen van den individueelen mensch.

De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.

Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten laatste geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos leefden en doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het aanvoelen en den blik der groote, open, klare, eenvoudige, argelooze, maar verwezen oogen. Het besef van den dood ging verdwijnen. Men stierf zooals men ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet anders dan zooals een mier sterft in een mierenhoop.

Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die precies op de vorige geleken.

En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de uiterste grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen door de ratten, de ratten, die de voorraden opvraten, zich vermeerderden, ongedierte en ziekten medebrachten.

De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun voorvaderen was onthouden.

En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het westen aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die grooter werden van stuk, gevaarlijker, driester....

Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen de teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze, genagelde pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, de bekken met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen vastbeten en dan bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een vreemde geur had van vruchten, specerijen, en narcotica....

BESLUIT.

Het eerste wat professor Leyden, toen hij de oogen opende bemerkte, waren de zusters Maria en Martha, dezelfde brave, trouwe verpleegsters, die samen al de vele dagen van zijn bewusteloosheid aan zijn ziekbed bij hem hadden gewaakt en voor hem gezorgd.

Hij sloot de oogen vermoeid, opende ze na een poosje en een zachte glimlach gleed streelend langs zijn mond, een zachte glimlach van geluk en herkenning.

Want voor zijn bed stonden drie zijner collega’s.... zijn collega’s, zijn echte, echte collega’s, professoren van de faculteit der medische wetenschappen van de universiteit der stad Leiden.

„Hij heeft ons herkend en geglimlacht!” riep de oudste collega verheugd. Het was de collega, die de apenklieren in zijn lichaam had geplaatst.

„Hij is behouden!” zeide de tweede collega, die hem gedurende den langen narcose toestand had geobserveerd en behandeld.

„Hij zal een „otium cum dignitate” kunnen genieten, mijn dappere, humane en geleerde voorganger,” zeide de derde collega, die op het denkbeeld was gekomen, de apenklieren weer uit het lichaam van zijn collega te verwijderen, waarna de ziel van professor Leyden, het lichaam bevrijd vindend van de levende, dierlijke psyche, weder in het lichaam tot bewustheid was kunnen geraken, wat het terugkeeren tot het bewustzijn, het ontwaken uit de narcose, ten gevolge had gehad. Deze derde collega was te Amsterdam tot professor benoemd, met één stem meerderheid, die van den edelachtbaren heer P. Utjesschepper, tot lid van den gemeenteraad gekozen met het hoogste aantal stemmen. Thans hoopte hij op een welverdiende promotie naar Leiden, ter vervulling van de vacature ontstaan wegens het bereiken van den 70 jarigen leeftijd door prof. Leyden.

Want de juridische faculteit als gewoonlijk, won haar pleit. Prof. Leyden herstelde langzaam, maar hij herstelde. Toen men hem mededeelde, dat hij slechts eenige dagen en nachten achtereen onder narcose was gebleven, verwonderde hij zich eerst, maar hij had te veel in zijn narcose-toestand vernomen omtrent de zonderlinge mogelijkheden van veranderd tijdsbesef en tijdsbewustzijn, dan dat die verwondering lang duurde.

Zijn eervol ontslag was vergezeld van zijn benoeming tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en een pensioen, waarmee zelfs een opperman als loon zou tevreden zijn geweest en welks bedrag hij zich eerst liet aanleunen, nadat door den Minister aan professor persoonlijk was medegedeeld, dat ook de Rekenkamer er vrede mede had, daar men hem als een opper-man der medische wetenschap had wenschen te beschouwen. Nu gevoelde prof. Leyden zich gelukkig gestemd. En als alle gelukkige menschen, het goede betrachtend naar beste weten, besloot hij mèt het afstand doen van zijn professoraat, als medicus zijn animositeit tegen de juridische faculteit te laten varen.

En zijn verdere levensjaren te wijden aan het eenige, dat hij meende met een goed geweten te kunnen doen, ten einde hier op aarde als mensch zijn menschelijke plicht te vervullen....

Te trachten, in zijn particuliere praktijk te komen tot het jubileum-getal, de formule der formules:

200000 behandelde patiënten

Want dit was de overtuiging, die prof. Leyden uit zijn ervaringen in het rijk van de narcose had verkregen, dat elke menschenmaatschappij op zichzelve volmaakt is, waarin ieder mensch persoonlijk naar beste krachten tot zijn einde, in dienende liefde arbeidend, zijn plicht vervult als een roeping!