XIII.
„Wat mij verwondert, Eumenia, is dat ik alles hier zie gebeuren, alsof ik er zelf bij ben en toch geen aandeel heb in al dit leven.”
„Was het u op aarde in den nachtdroom anders?”
„Neen, dat is zoo.”
„Welnu, en hebben uw dichters op aarde niet steeds vermoed, dat ook dat aardsche leven zelf een droom was?”
„Inderdaad.”
„Maar gij voelde, dien aardschen droom reëeler, omdat gij geen anderen, vroegeren droom bewust als norm ter vergelijking hadt. Dit hing eenigszins samen met het klimaat. In de warmere landen waren de menschen er zich meer van bewust, dat zij een droomleven leidden, dan in de gematigde zônen. Vandaar dan ook dat Bhoeddha en Mahomed in die warmere landen zooveel invloed kregen, daar hunne leeren nader tot den droom staan dan de mildere leer van Christus, die er eene is ontstaan aan het bekken van de Middellandsche Zee en een product is van die zee.”
„Mijn lieve Eumenia, veroorloof mij thans eene vraag. Welke godsdienst hebben deze menschen van 2000? Mij dunkt, indien zij zich aan den Bijbel houden, zouden zij toch nooit tot deze geslachtsverschuiving welke ik thans aanschouw, hebben kunnen komen.”
„Nu aarzel ik, Horatio u in te wijden in deze naaste toekomst van den godsdienst. Want zoogoed als de mensch van al de nieuwe materiëele macht, welke hem wordt gegeven, eerst lang misbruik maakt voor hij er het goede gebruik van weet te maken, zoo maakt ook de mensch van alle nieuwe geestelijke macht, welke hem door De Macht wordt geschonken, eerst langen tijd misbruik. Gij weet zeer goed, Horatio, dat sinds de oude tijden, elke nieuwe openbaring nopens De Openbaring, voor den mensch aanleiding is geweest tot vervolging, fanatisme en velerlei gruweldaad. Dat is niet alleen het geval geweest met nieuwe godsdiensten, maar ook met nieuwe philosofische stelsels. Gij weet heel goed, welk een overwegenden invloed Max Stirner en Friedrich Nietzsche hebben uitgeoefend op het uitbreken van den wereldoorlog van 1914, ja zij zijn er niet de aanleiding, wel een der hoofdoorzaken van geweest, zoogoed als van de woelingen daarna. Maar daar ik weet, dat gij mij niet ontrouw zult worden en mijne groote liefde voor u niet zult beantwoorden door een vlucht terug naar de aarde, zal ik u meer onthullen. Ik doe dat alleen omdat ik u, mijn geliefde, niets weigeren kan noch wil, en overtuigd er van ben, dat gij het toch nooit op aarde zult willen verbreiden voor de bewoners er rijp toe zijn.”
„Ik brand van weetgierigheid.”
„Dat begrijp ik—gij zijt immers te Leiden opgeleid. Welnu, het eerste, wat de vrouwen na 1970, toen de tweede wereldoorlog, die tusschen de beide sexen, volkomen in haar voordeel was beslist en de man afhankelijk was gemaakt van de vrouw, op soortgelijke wijze als zoovele eeuwen de vrouw, ondergeschikt en afhankelijk was gemaakt van den man, wrochtten, was een herziening van den bijbel. De bijbel, het is u bekend, is door mannen geschreven en voor zoover het het Oude Testament betreft, nog wel door mannen levende in een maatschappij, waar „l’homme”, de man en de mensch tegelijk beteekende. De veelwijverij, onafscheidelijk van de slavernij, dat is de ontkenning van het bezit van een individueele ziel door ieder individu, had den man het besef gegeven, dat hij was van hoogeren aard dan de vrouw. Zoo werd dan het Paradijsverhaal door den man geschreven naar zijn man-opvatting. De Schepper schiep volgens dat verhaal den man het eerst en Adam was inzichzelf en opzichzelf volmaakt. Eerst daarna werd de vrouw geschapen en niet gelijk de man, naar de wijze van den Schepper uit Zijn Wil, maar hij deed Adam in een slaap vallen en schiep toen een tweede droomleven en Adam in dat tweede leven, dien tweeden droom ontwakend, vond de vrouw. Gij, Horatio, die nu meer Droomen hebt doorleefd en weet dat bezinning niets anders is dan van droom tot droom verheven worden, beseft nu wel, wat de eigenlijke zin van de paradijs-mythe is.”
„Hoe zou ik niet, ik een professor van de Leidsche Universiteit. Niets is eenvoudiger dan het mijn collega’s aldus voor te stellen in een simpele formule.
„Leven = a. Bezinning = b. Droom het kwadraat dier beiden. Dus:
„(a + b)^2 = a + 2ab + b^2 maar omdat getallen geen zin hebben, daar waar De Zin is, zullen mijn collega’s het met mij eens zijn, wanneer ik eerbiedig zeg: (a + b)^∞.”
„Altijd weer die collega’s, Horatio. Ik wist wel, dat er een sterk esprit de corps te Leiden heerschte, maar dat dit bij u sterker schijnt te zijn dan zelfs de liefde, verwondert mij en zelfs bedroeft mij. Het doet mij aarzelen, te vervolgen....”
„Indien gij mij waarlijk liefhebt, Eumenia, lief met de liefde op zichzelf, dan behoort er plaats te zijn voor vreeze noch jaloerschheid.”
„Uw argument geeft mij den moed om verder te gaan. Welnu, daar een man, en een bekrompen man, de eerste primitieve lezing omtrent de ontwikkeling der aarde uit den droom van den chaos tot den droom van het Paradijs, neerschreef, begon hij met de vrouw een andere oer-geboorte dan den man toe te schrijven, hoewel toch, als sleutel voor latere geslachten, in Gen. 1:27 duidelijk staat: „En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hem: man en vrouw schiep hij ze”.
„Vervolgens, liet die veronderstelde primitieve eerste opschrijver van de mythe, de slang tot de vrouw gaan en niet tot den man. En de vrouw at het eerst van den boom, „die begeerlijk was om verstandig te maken”. En weder de vrouw, „gaf ook haren man met haar”. En niet als deugd werd deze goedgeefsheid der vrouw voorgesteld, maar als poging om hem eveneens ongehoorzaam te maken dus als verradelijke en valsche verleiding, als poging tot verderf. En als God de ongehoorzaamheid heeft ontdekt, zegt Hij tot de vrouw: „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht; met smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben.”
„En op grond van diezelfde bekrompen primitieve opvatting, welke aan de vrouw al het slechte toeschrijft, haar den oorsprong van de aardsche verdoemenis noemt, wordt de arbeid voorgesteld als een vloek. Alleen in het brein van een zinnelijken luiaard, het oertype van den oosterschen man en van den oer-man, den wilde, in het algemeen, kon die voorstelling opkomen en een gewijde beteekenis verkrijgen. Door den geheelen bijbel waart die geest van de luiheid en nooit wordt God meer aanbeden, dan wanneer Hij den luiaard tegemoet komt door manna te laten regenen, (voedsel ontvangen zonder arbeid), water uit de rots te doen ontspringen, (drank ontvangen zonder een put gegraven te hebben of het zorgzaam te hebben medegevoerd) en ook als Christus brood, wijn en visschen „toovert”, d.i. zonder arbeid of moeite te voorschijn brengt, wordt het meest in hem geloofd.
„Welnu, de vrouwen begonnen den bijbel te herschrijven. Zij meenden, dat het God ontwijden was, te veronderstellen, dat de „moeder aller levenden”, de erfzonde over het menschdom had gebracht. Zij waren er van overtuigd, dat het Paradijs-verzinsel, waarin aan de vrouw zulk een minderwaardige rol is opgedragen, door de eeuwen heen op de plaats der vrouw in de samenleving, een rampzaligen invloed had uitgeoefend. Niet de vrouw was van den aanvang slecht geweest, maar door den vloek, welke door het verzinsel van den Paradijs-mythe schrijver over de vrouw was gebracht, waren zoovelen harer door de eeuwen heen in de verachting neergedrukt, ten laatste ontaard. Gevolg werd met oorzaak verwisseld. En al de vele vrouwen, die juist het tegendeel waren geweest van de caricatuur der vrouw, in het Oostersche fabelboek geschetst, bewezen de dwaling ten aanzien der van den in barbaarsche tijden levenden auteur van Genesis.
„Zoodan kreeg in de eerste lezing van den Bijbel door de vrouw naar vrouwelijke intuïtie opgesteld, de Paradijs-mythe een andere tendenz. Men las daar, dat God, De Droom, nadat Hijzelf uit den chaos het uitspansel had gebaard, waarin ook de aarde, zich zelf beeldend in een spiegelbeeld van Zijn Droom, De Barende schiep, dat is De Moeder. Toen zeide De Moeder tot die Haar had geschapen: „Scheppende, hoe zal ik naar Uw Beeld Barende zijn, indien niet De Drang daartoe in mij wordt gebracht.” En de Scheppende deed over Eva een nieuwen Droom komen en in Dien Droom ontwakende vond zij tegenover zich haar eersteling, waarvan De Scheppende haar had doen bevallen, Adam, den man, die in haar geslacht voortaan den Drang tot baren zou brengen. En De Scheppende zeide: Gij nu, die in één droom tot twee zijt geworden, vereenigt u in verinniging weder tot een nieuwen droom en telkens als gij aldus doet, zult gij uit uwe tweevoudigheid, één wezen in een hoogere macht scheppen. En zoo groeiend in wezen tot wezen, van macht tot macht, zult gij van stof tot geest worden, van geest tot geest in kwadraat, van geest in kwadraat tot geest in kwadraat van kwadraat. Zoo gaat gij voort. Ik wijs u den weg, maar niet het eind. Dit eind zou hij beseffen, die van gindschen boom in het midden van den hof eet. Maar niet van dien boom zult gij eten. Toen kwam de knecht Gods, die afbreekt wat te zwak is om opgebouwd te blijven en in den vorm van een slang naderde hij Adam, ten einde te zien of hij hem afbreken moest. En hij bood Adam een vrucht van den boom midden in den hof aan. Adam nam de vrucht aan en at er van. En hij ging tot Eva en bood haar een bete. Eva weigerde met ontzetting zeggende: „Zoude ik, de moeder aller levenden, zondigen en zouden zoo door en in mij alle levenden van heden tot aan de einderen, gezondigd hebben?”
„Toen hief Adam zijn vuist op en gaf Eva een slag op den mond, dat zij bloedde en hij greep haar bij de keel en beval: „Eet of ik zal u dooden. Ik ben uw heer en zult gij mij dan niet gehoorzamen?”
„En hij dwong door zijn brute kracht haar te eten, met haar bloedenden mond.
„Daarna ging Eva ter zijde zitten en weende. De eerste tranen werden geschreid, de eerste wapenen der vrouw, de moeder aller levenden.
„Toen verscheen de Scheppende en zeide: „Waarom weent gij Eva?”
„En Eva antwoordde:
„„De man, dien gij mij gegeven hebt, is mij tot een macht geweest boven U. En het eerste leven, dat hij in mij gewekt heeft, zal zijn gelijk zijn beeld, Kaïn, de moordenaar zijns broeders.””