Chapter 13 of 23 · 1661 words · ~8 min read

XIV.

„En hoe staan zij ten opzichte van het Nieuwe Testament?”

„Mijn dierbare vriend, zij hebben zich ten aanzien van het Nieuwe Testament geen vaste houding kunnen geven. Want zij deinsden terug, toen zij de methoden op het Oude Testament toegepast, ook met betrekking tot het Nieuwe Testament wilden gaan gebruiken. Zij ontwaarden, dat de Maria cultus, dat de eerbied voor het kindeke en dat de onbevlekte ontvangenis, niet uit het barbaarsche brein van een Oosterling konden zijn gesproten, die alles naar de brute idée des mans voorstelde, doch uit een andere sfeer moesten zijn gekomen. Zij beseften, dat de vervulling van de wet, die het Nieuwe Testament beloofde, juist het sterkst zich uitte in de bevrijding en verheffing van de vrouw, zelfs van de gevallene, die met overgroote liefde en innige vergevensgezindheid werd tegemoet gekomen. Het Concilie der Vrouwelijke Theologen dat in 1975 bijeen kwam om de definitieve houding ten aanzien van het Nieuwe Testament te bepalen, slaagde er niet in tot eenheid te komen. Er was een richting onder de vrouwelijke theologen, welke het Christendom verweet, dat het de vrouw verweekelijkte. Zij wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven worden. Er ontstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15, luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt”. Hier meenden zij, was het begin gemaakt van de afschaffing van het knechtschap, de slavernij in ’t algemeen en dus ook van de slavernij der vrouw. Weer een andere richting, meende, dat de Christus, zooals hij in het Nieuwe Testament geteekend is, niet kon zijn de Christus, zooals hij geweest is. Het waren de vegetarisch levende vrouwen, die Johannes 21:11 aanhaalden en het voor onmogelijk verklaarden, dat de Christus, Simon Petrus honderd drie en vijftig visschen aan hun element had doen onttrekken, dooden en tot een middagmaal bereiden en dat Johannes 21:13 den Christus voorstellende als zich openbarende en den discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd, voor elkeen, die in de visch een bezield wezen erkende, een hoon inhield van den Christus, die immers van den dood opwekte, niet tot den dood veroordeelde, die het leven bracht, niet het leven nam. De psycho-analytici onder de vrouwelijke professoren, verklaarden dat de voorliefde voor vischgerechten, ja, het bijna ziekelijk verlekkerd zijn op visch, zoo kenmerkend bij de Joden, hier den schrijver van het evangelie van Johannes, parten had gespeeld. Vischetende volken zijn sensueele volkeren, de visch is in beweging, verschijning en wezen een corpus sensuale bij uitnemendheid. Zoo dan lukte het aan het Concilie niet, het geslacht te bepalen van het Nieuwe Testament, zoodat het niet, gelijk het zoo barbaarsche mannelijke Oude Testament, naar de psyche van de vrouw kon worden her-schreven.

„Tot een nieuw Concilie bepaalde, dat het Nieuwe Testament, het Nieuwe Geslacht van den mensch had voorbereid en het nu, aan dit verrezen Nieuwe Geslacht stond, een levensleer uit te denken, welke als een volmaking van het Nieuwe Testament beschouwd kon worden. Doch Concilie na Concilie werd te zamen geroepen, maar men slaagde er niet in. Slechts slaagde men er in, langzaamaan den Christus naar Zijn waren Kern te doen voortkomen uit de vele windselen, waardoor hij door zijn naïeve en zoo ver beneden hem staande biographen, was beschreven.”

„En hoe, lieve Eumenia, stonden de mannen tegenover deze Concilia?”

„Er geschiedde bij de mannen, die tot onderworpenheid waren gebracht, hetzelfde als bij de vrouwen gebeurd was. Juist als bij haar, veroorzaakte bij het meerendeel, de onderworpenheid en afhankelijkheid, een verlaging van ziel, geest en karakter. Doch een kleine minderheid verpuurde juist door de onderworpenheid en afhankelijkheid en zij sublimeerden hun slavernij tot een verheven dienende liefde. Het waren deze mannen, die in tegenstelling met de meerderheid, welke een bevrijding van hun slavernij van de vrouw verwachtten door de een of andere gelukkige omstandigheid, waardoor zij in een nieuwen oorlog tusschen de beide sexen de overwinning zouden behalen, zeker vertrouwden, dat eens de groote vrede weder tusschen de beide geslachten zou hersteld worden door een herrijzenis van de Christus Idée, gezuiverd van de barbaarschheden van tijd en milieu Zijner verrijzenis in Phalas-Phalus-Pallus-Palestina, dat naar zijn naam Baäl-Es-Tyn, het land Baäls, nog te veel besmet was geweest van den geest van den Baäl om een zuiveren teelgrond voor de Christus Idée te kunnen worden. En zij trachtten door rein leven naar de ziel, den geest en het lichaam, dien zuiveren bodem voor te bereiden, waarop de Harmonie der twee geslachten opnieuw zou kunnen ontbloeien. Zekere instinctieve gevoelens, welke de vrouwen, ook de meest vermanlijkten, nog in zich droegen, dreven haar er toe, die kleine secte der Harmonischen, te eerbiedigen, vooral omdat zij geenerlei ruchtbare of sterke, actieve propaganda voerden. De Harmonischen herkenden elkaar aan den blik, den sprekenden maar geluidloozen blik en aan hun daden van liefde en zorgzaamheid voor de zwakken, de zieken en vooral de kinderen. Nooit spraken zij elkaar over hun wezen. Want zooals gij voor u ziet, de vrouwen hadden de economische quaestie spoedig opgelost. Wat onder de regeering van het mannelijke geslacht armoede aan stoffelijk bezit was genoemd, kende men niet meer na 1970 onder de heerschappij der vrouw. Het verkeer door de lucht had het zoo gemakkelijk gemaakt in een korte spanne tijds de producten van de vruchtbare deelen der aarde te brengen naar de minder- en onvruchtbare deelen der aarde en de algemeene, internationale wereldplicht van arbeid voor iederen mensch, had het vervaardigen en opslaan van producten zoo bevorderd, dat er op aarde geen stoffelijke armoede meer bekend was.”

„En ontstond er toen, mijn lieve Eumenia, niet een algemeene tevredenheid en universeel geluk?”

„De mensch zal en kan bij brood alleen niet leven, Horatio. Zoo min als het geluk der menschheid ontstond, toen elkeen reeds lang voor den eersten wereldoorlog, in de ontwikkelde centra der aarde, zooveel frisch, zuiver water te zijner beschikking had als hij wenschte, maar integendeel verbodsbepalingen moesten worden gemaakt om den mensch van het drinken van alcoholische en narcotische dranken af te houden, zoo bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn dood, overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen geluk. Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit de stof. En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar en zich bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een minimum beperkt en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.

„Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch, wat zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger, de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de vrouw, tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt” te geraken op straffe van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te komen, thans was het schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen hetzelfde. De vrouwen kozen zich de mannen en daar zij niet overheerscht wenschten te worden, kozen zij doorgaans de zwakste en de meest minderwaardige individuen. De weinige kinderen, uit dit verkeer gesproten, droegen zoo goed den stempel hunner verwekking als vroeger, toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij als lust-object, hetzij ter wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed harer familie, kortom ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe zoovele huwelijken werden gesloten.

„Zoo dan begon het menschdom uit te sterven. De wereld kwam voor een calamiteit te staan, zooals zij te voren nooit gekend had. En het ging snel, zeer snel. Want daar het verkeer door de lucht de geheele wereld als het ware tot één groote gemeente had gemaakt, alle strijd van volken en nationaliteiten zich had opgelost in den algemeenen, universeelen strijd tusschen de twee sexen, was over de geheele wereld het aantal kindergeboorten snel afnemend, de sterfte onder de kinderen buitengewoon groot en de kinderen die bleven leven, van de jeugd af gescheiden in twee elkaar vijandige sexen, gebaard door de vrouwen maar opgevoed door de mannen, zonder den versterkenden invloed van den weerbaar makenden strijd tegen en om de stof, groeiden op tot een vreemd geslacht van zwakzielige weekelingen, onderworpen lustelingen en luiaards. Zooals vroeger het als een soort ramp werd beschouwd, als in een gezin veel meisjes werden geboren, werden nu de jongens met weerzin begroet. En zooals vroeger de moeder, het meisje van haar jeugd af had te beschermen gehad tegen den jongen, en den vader, zoo moesten thans de mannen, aan wie de opvoeding van het kinderdom was toegewezen, de jongens beschermen tegen de vrouwen.

„De ontvolking begon het eerst in de koudere en meer gematigde luchtstreken groote afmetingen aan te nemen. De vrouwen toonden een algemeene neiging tot steriliteit. De mannen een algemeene neiging tot impotentie. En men verheugde zich deswege, want de opgroeiende geslachten, telkens weekelijker en met minder zielskracht en vitaliteit, trokken naar de streken, waar de mildere natuur nog minder arbeid van den mensch vroeg om zich staande te houden. Maar juist die mildere natuur verzwakte de volgende geslachten al weder meer en daar er overvloed was van alles, versmolt de vitaliteit van het menschengeslacht.

„Het aantal jongens, dat geboren werd, stond in geenerlei verhouding meer tot dat der meisjes. En de jongens werden steeds zwakker, kleiner, achterlijker, minder veerkrachtig. De meisjes werden schraler, dorrer, liefdeloozer.

„Kom nu mijn vriend, en volg mij. Ik zal u de maatschappij toonen, zooals zij omstreeks het jaar 2100 op aarde zal zijn.”

En professor Leyden volgde, als een door een halo omgeven Kern, het licht, dat voor hem uit ging.