XVI.
Ontwakend uit een nieuwe bewusteloosheid, ontwaarde prof. Leyden, Eumenia dadelijk naast zich en hij voelde zich in een kleursfeer, welke hij vaag als helder groen met diepe, Berlijnsch blauwe, schaduwen aanvoelde.
En voor hem spande zich het verschiet van een ver, vlak land, met veel boomgaarden, vriendelijke huizen en windmolens.
„Is dat niet Zuid-Holland?” vroeg twijfelend de professor aan Eumenia, want hij trachtte te vergeefs de torens van steden te ontdekken en zijn beminde sleutelstad, burcht en veste van wetenschap en wijsheid te begroeten, zooals zij zich in de toekomst zou ontwikkelen.
„Dat is Zuid-Holland, mijn vriend.”
„En waar is mijn Lugdunum?”
„Verlangt gij daar nog altijd zoo naar?”
„Mijn collega’s zullen....”
„Altijd die collega’s. Ben ik u dan niet méér dan een hunner. Hebben zij u ooit getoond, wat ik u toonde?”
„Zoo gij, Eumenia mij waarlijk nog meer wilt zijn dan levensvriendin, geleidster en geliefde, zoo gij mij als een collega wilt zijn, dan o zeg mij collegialiter, ben ik hier zeer nabij de stad, waar alléén mijn hart wil kloppen?”
„Geliefde, het bedroeft mij het u te zeggen. Maar deze uitgestrektheid voor u is de stad Leiden....”
„Wat meent gij?”
„Het is te Leiden, daar waar de Zuivere Rede eens hoogtij vierde, zich te buiten ging in de orgiën en bacchanalen der Dionysische syllogismen, sophistiek en soloecismen, dat men het eerst de regeneratie van het menschdom begon ter hand te nemen.”
„Ik wist het, dat mijn stad haar traditie getrouw zou blijven en er geen wijsheid of wetenschap ter wereld kon gedijen, welke niet te voren binnen hare wallen had groen geloopen! Maar waarom zie ik geen steden, geen kerktorens, geen menschencentra.... Waarom niets dan liefelijke landhuizen en ontelbare bloeiende boomgaarden, moestuinen en molens?”
„Ziet gij niet meer.... ginds....”
„Wel.... dat is het Westland.... maar zonder de kassen. En hoeveel menschen zijn daar werkzaam. Eumenia.... welk een schoon geslacht. De vrouwen liefelijk in hare landsdracht met de kanten mutsen.... de mannen stoer en breed in hun blauwe boezeroenen.... Zijn zij dan allen boom- en groentekweekers geworden?”
„Allen.... mannen en vrouwen. En zij zijn nog iets hoogers dan dat—zij zijn ook allen vruchten- en groenteneters....”
„Inderdaad.... ik zie geen vee.... Zijn de lakenvelders uitgestorven?”
„Luister toe, mijn geliefde. Toen dan de menschheid wegtrok van de streken der aarde waar gearbeid moest worden en soms wel gezwoegd om aan de toenemende, dagelijksche begeerten en behoeften te voldoen, bleven in Zuid-Holland eenige weinige mannen en vrouwen achter. Het waren zij, die in de stad Leiden sedert eeuwen geboren en getogen, van geslacht tot geslacht zittende aan de schoot der Alma Mater....”
Eumenia kon niet dadelijk voortgaan. Twee etherische armen omhelsden haar hals en twee etherische lippen drukten haar etherische lippen met al het eerste odd eener vurige, fluïdische liefde. Eumenia glimlachte van geluk bij deze eerste overwinning op hem, wiens partij flauto secundo zij eens tevergeefs bewonderd had.
„Bemint gij mij zoo, Horatio?”
„Beminnen? Dat is een veel te zwakke term. Ik heb u lief.... intersferidaal, pyramidaal, daar, zelfs collegiaal....”
„Is het mogelijk!....”
„Ik heb in u mijn Lugdunum lief....”
„Crassa Minerva?”
„Hoe meent gij, Eumenia?” antwoordde professor Leyden opeens bekoeld.
„Wel, gij ziet hier uw Lugdunum nu het weer inderdaad Lugdunum Batavorum is geworden....”
„Dus zijn die menschen ginds teruggezonken tot barbaren?”
„Neen mijn vriend, zij zijn van barbaarschheid tot geleerdheid, tot barbaarsche geleerdheid gestegen en daarna van barbaarsche geleerdheid tot ware wijsheid.”
„Ga voort, geliefde.”
„Terwijl dan de geheele menschheid wegtrok in luchtschip en vliegmachine, bestuurd door de u zoo bekende electrische golvingen van Hertz, naar de mildere streken, naar al de Bahama sferen der aarde, waren er te Leiden eenige jongere en oudere mannen en vrouwen, welke hadden leeren inzien, dat de wetenschap al niet anders dan vele dingen der wereld, een slechte meesteres is maar een goede dienares kan zijn. Zij hadden inderdaad geleerd en gestudeerd te Leiden.... van hoevelen kan men dat naar waarheid getuigen, o Horatio?.... en kwamen nu tot het besef, dat slechts aan diegenen wetenschap niet gespild is, die haar, vrucht van het brein, weten te breidelen en in liefde dienende te maken aan de ziel, de ziel ’s menschen verbinding met Wie De Ziel Is. Nu dan, anders dan bij de andere menschen, waar de vrouwen zich op de wetenschap hadden geworpen, de mannen de wetenschap toen hadden verwijfd; anders dan de menschen die na de groote godsdienstoorlogen en de groote economische oorlogen, de groote sexenoorlogen aanvingen, bleven zij achter. Zij waren de Harmonischen waarover ik u reeds sprak en vormden dien zwijgenden bond van mannen en vrouwen, die elkaar verstonden door den blik alléén. Zij hadden ingezien, dat wetenschap nog geen wijsheid is en weten, geen geluk. En de berichten, die tot hen kwamen van degenen, die uitgetrokken waren naar de mildere streken, versterkten hen in hun overtuigingen, brachten hen tot het bewuste besef, dat het aan hen zou staan, den mensch op aarde te regenereeren....”
„Mijn dierbaar, dierbaar Lugdunum. Ik heb het altijd vóórgevoeld.”
„De vrouwen der Harmonischen keerden zich af van de studie. Zij leerden de wijsheid van Bolland....”
„Collega Bolland! Collega Bolland! Hoor ik dan eindelijk in deze dimensie den naam van één licht der Sleutelstad! Citeer, citeer geliefde.... in hoe langen tijd hoorde ik geen citaat.”
„Zij leerden de wijsheid van Bolland, die geleerd had, dat de studeerende vrouw, hare vrouwelijke schoonheid, de hoogere en de lichamelijke schoonheid, verliest, erkennen en zij begonnen de gymnasia en de college-banken te verlaten. Want zij kwamen tot het besef, dat zij alle mannelijke wetenschap en betoog moesten omzetten in vrouwelijken vorm om ze te beheerschen en aldus de wetenschap onaardden en vervalschten. Bij deze vrouwelijk voelende vrouwen ontwikkelde zich nu de vrouwelijke functies, de geestelijke en de lichamelijke weder zuiver. Zij kregen sterke intuïtieve gevoelens, ontwikkelden het zoo vrouwelijke aanvoelingsvermogen en werden lichamelijk van een groote, lieftallige schoonheid. De harmonische mannen, deze vrouwen huwend, begonnen in het huwelijk te ervaren, dat er dingen tusschen hemel en aarde zijn, o Horatio, waarvan in hun schoolwijsheid, niet gedroomd was. En zoo ontworstelden zij zich aan de pedanterie en de eigengerechtigheid, die kenmerken van den barbaarschen geleerde. Ook zij, zoo vaak ervarend, dat de vrouw in hare argeloosheid, door het zuivere voelen in liefde wijzer is en dieper inzicht toont, dan de man met al zijn brein-kracht, leerden inzien, dat veel wetenschap overbodig zou kunnen worden, indien wat meer naar de liefdevolle, hoogstaande vrouw werd geluisterd. Het was na den kleinen wereldoorlog van 1914, dat die overtuiging het eerst werd uitgesproken, nadat men aan het graf van keizerin Augusta Victoria moest erkennen, dat zoo hare levensleer ware gevolgd in stede van die van haar gemaal en zijn universiteits-geleerden, die wereldoorlog en de daaruit volgende wereldoorlogen voorkomen zouden zijn geworden.
„De kinderen in de gezinnen der Harmonischen grootgebracht, kregen weder een zuivere opvoeding in overeenstemming met het geslacht. De meisjes werden tot vrouwen en moeders, de jongens, tot mannen en vaders opgeleid en de nivelleerende en tot geslachtsverwarring aanleiding gevende coëducatie, werd vervangen door de gescheiden opvoeding, waardoor op den rijperen leeftijd, het ideaal voor de beide geslachten behouden bleef, zoodat de jongeling in de maagd, de maagd in den jongeling een liefelijk mysterie zag, dat in het harmonische huwelijk zij aan elkaar geleidelijk aan zouden onthullen, maar nooit zoover, dat voor de vrouw in den man en voor den man in de vrouw niets meer te raden en te vermoeden, dat is te overwinnen bleef. Want zoo alleen is het mogelijk, dat de beide sexen elkaar blijven boeien en er geen verlangen naar verandering of verwisseling ontstaat.
„En met de vervrouwelijking van de vrouw, kwamen ook de eigenaardige, speciale deugden en talenten van de vrouw weder tot ontwikkeling. Men ging ervaren, dat er een groote waarheid school in den Paradijs-mythe, welke de vrouw schepster van de kleeding des menschen noemt. Inderdaad gingen de meisjes en de vrouwen zich weder in stede van op de mathesis, op de nuttige en fraaie handwerken toeleggen, een intuïtieve mathesis, welke men te lang had veronachtzaamd. Want wie kent er schoonere oplossing van een wiskundig probleem, dan een hemd, van zelf geweven linnen met de hand vervaardigd? De meisjes en vrouwen vingen aan linnen en wol te weven, begonnen eerst weder zelve haar uitzet te vervaardigen, daarna de luiermand zelve te voorzien en na eenige geslachten reeds maakten de vrouwen der Harmonischen zelve door edelen, kunstrijken, verheffenden handarbeid tapijten, gordijnen, dekens, ondergoederen, bovenkleederen voor vrouwen en mannen. De fabrieken konden voor hunne producten bij de Harmonischen geen afzet meer vinden. Want geen enkel fabrieksproduct, machinaal en zielloos als het immers moet zijn, kon op tegen de door de meisjes en vrouwen zelve geweven, ontworpen en vervaardigde linnen- en wollen goederen. De arbeid met de hand leidde er toe, dat men alleen de allerbeste grondstoffen verwerkte. Zij leidde er toe, dat men zelve de patronen ontwierp voor het eigen gezin en zich dus naar eigen smaak en individueel ging kleedden, het lichaam en het huis. De gestadige arbeid, het gevoel van zaligheid, dat iedereen ondervindt, die aan iets werkt met liefde, daar het te vervaardigen voorwerp er een is is tot verwarming, bescherming en versiering van een geliefd persoon, voor kind of echtgenoot, zuster of vriendin, vervulde het gezinsleven van een veredelenden, verheven geest. De vrouw, aldus op hare wijze zorgende voor de behoeften des levens, was niet meer de geminachte bedelares, die door haar man met de ziellooze producten der fabrieken werd aangekleed of er zich met het door hem verdiende geld, mee oppronkte, in haar kleedij de slaafschheid van de courtisane, symboliseerend. De home made kleedij leidde tot degelijkheid van stof, eenvoud en schoonheid van snit en men was zuiniger en zindelijker op de door moeder of zuster gemaakte kleederen, daar men in die kleederen, de maakster eerde en ontzag. Daarbij zagen de moeders en zusters, haar echtgenooten, broers en kinderen met welgevallen aan, omdat zij gekleed waren in het werk harer liefdevolle handen. De echtgenooten en broers zagen hun zusters, vrouwen, meisjes met eerbied aan, omdat zij gekleed waren in naar eigen smaak zelve ontworpen en vervaardigde kleedij. En als men bij elkaar kwam, pronkte men niet tegen elkaar op met gekochte kleeren, maar men bewonderde elkaars drachten oprecht, daar ieder wel wist, dat elk kleedingstuk een resultante was van smaak, vlijt en liefdevollen arbeid.
„De ophitsende, sensueele kleuren die de fabrieken uit de koolteer hadden weten te bereiden, begonnen afkeer te verwekken. Men voelde zich beschaamd, vrouw, zuster, ja zelfs het onrijpe meisje, gekleed te zien in kleuren, die de zinnen opwekten. Men besefte, dat men zooiets aan de bloemen en de insecten moest overlaten, die in het stadia der zinnelijkheid leefden.
„En zoo kwam men weer terug tot de meer gedekte kleuren. Men begon weer oog te krijgen voor de schoonheid en kuischheid van de oorspronkelijke verven van het vlas en de wol. Men leerde weer kleuren met eenvoudige aftreksels van vruchten en planten, zooals van walnotendoppen, galnoten, eikenschors, meekrap en indigo. Men leerde hoe met slechts twee kleuren, groen en roodbruin of zwart en lichtgeel, bruin en diepgeel, een harmonische sfeer in huis en kleeding was te verkrijgen. De bonte zinnelijkheid van huis en kleedij verdween en werd vervangen door statige, kuische ingetogenheid. De kleedij maakte ook de houding en het gebaar weder statiger en dat werd gevolgd door een rustiger zich bewegen, een waardiger zich uiten en een spreken van meer verheven gedachten.”