IV.
Toen prof. Leyden voldoende gewend was aan zijn nieuwen toestand, begreep hij, dat hij zijn lichaam had verlaten. Ook ving hij aan, een begin van vermogen te gevoelen, zijn nieuw lichaam tot een bepaalden vorm te verdichten of liever, hij ervoer dat een zekere wensch opkomend in zijn ziel, aan die ziel zonder eenige moeite den vorm gaf, dien met dien wensch strookte. Het ging niet anders dan als met een vloeistof, welke men slechts in een vat heeft te gieten, opdat zij precies den inwendigen vorm van zulk een vat aanneme. Toen nu in hem de wensch opkwam, getuige te kunnen zijn van hetgeen met zijn lichaam op de operatie-tafel gebeurde, stond hij tezelfder tijd naast den operateur en het was voor hem niet anders, dan wanneer hij zelf in volkomen normale omstandigheden een operatie bij den een of anderen patiënt had verricht. Maar voor de aanwezigen in de operatie-zaal was het wel anders. Want geen hunner bemerkte den professor, zooals hij daar met een lichaam van damp, even doorzichtig als de omringende dampkringslucht, tusschen hen stond. Slechts enkelen der meest sensibelen onder hen, hadden een vaag, door het onderbewustzijn ontwaard vermoeden, dat de geest van professor Leyden aanwezig was en, zooals dat gewoonlijk gebeurt, wanneer ons onderbewustzijn iets vermoedt, maar de achterlijke, materiëele, onzuivere rede van het normaal bewustzijn zich verzet tegen de overneming der aanvoelingen uit de andere sferen, zoo deed nu ook de operateur, automatisch (hoewel hij meende zéér bewust iets te zeggen, zich bijzonder „voelend” nu hij professor Leyden als operateur verving) hooren, hetgeen in de onderbewustheid naar uiting zocht. „Mijne heeren,” aldus sprak de operateur, „ik gevoel de tolk van u allen te zijn, wanneer ik begin met te zeggen, dat ik als met den geest van mijn grooten voorganger en leermeester, prof. Leyden, deze gewichtige wetenschappelijke proefneming hoop aan te vangen en te voltooien.” En hij nam het gesteriliseerde scalpel aan uit de steriele handen van den assistent, hield het instrument even tegen het licht als om zijn fijnheid en zuiverheid te onderzoeken en maakte daarna met vaste hand de eerste snede in de opperhuid.
Voor de onderhuidsche weefsels werd daarna niet het scalpel, maar de schaar gebruikt.
Prof. Leyden, ten hoogste voldaan over de van eerbied voor een, nog niet overleden, slechts genarcotiseerden voorganger en leermeester, getuigende woorden, stak naar zijn gewoonte, zijn wijsvinger tusschen de geopende beenen van de operatieschaar. Zoo beproefde hij altijd de effenheid der snijvlakken. Tot zijn verwondering knipte de operateur veel sneller en krachtiger de schaar dicht, dan hijzelf gewoon was. En nu hoorde hij, dat de operateur tot den assistent zeide: „Een andere schaar, die met het slot van Collin”. En zich tot de aspirant-medici richtend, wachtend op de schaar met het slot van Collin, die tusschen de twee steriele handdoeken gereed lag, zeide hij: „Het slot van Jetter en Schaerer is bij droog gebruik niet altijd volkomen betrouwbaar.” Hij zei dit eigenlijk meer uit plichtsgevoel, dan dat hij verwachtte, dat later de aspiranten, nadat zij hun bul zouden hebben verworven, nu ook voortaan bij droog gebruik der chirurgische schaar, het slot van Collin zouden de voorkeur geven. Zij gebruikten het wonderschoone vermogen van het geheugen dat den mensch is gegeven, alleen voor het onthouden van de namen dergenen die groot onder hen als voetballers of als roeiers waren en voorts voor het behouden van de namen der nieuwste dansen als Fox-Trott, Jazz, Two step. Sommigen waren zoo ver, dat zij de namen van de meest bekende American Drinks er bij vermochten te onthouden als Manhattan Cocktail, Texas Flip, Coney Island Flap, en wenschten deswege pochend op hun geheugen voor „geheel onthouders” door te gaan, hoewel zij van „onthouden” gesproken, ten hoogste zichzelf het noodzakelijke weten onthoudende waren.
Liever dan zich toe te leggen op de termen eener levende wetenschap, scherpten dezulken hun geheugen om de namen eener, sedert de drooglegging van Amerika volkomen verouderde, drankmengingsterminologie, te behouden. Prof. Leyden zag onderwijl tot zijn verbazing, dat de schaar met het slot van Jetter, toehappend om zijn wijsvinger, daardoorheen was gesneden en dat het afgesneden bovenste lid van zijn wijsvinger los en alleen in de lucht zweefde of liever rhythmisch trillend op dezelfde plaats waar het afgesneden was, bleef in de lucht hangen. Het was nu niet meer blauw of phosphoresceerend, maar zag er precies uit als een gewoon menschelijk vingerlid, hoewel het aan de afgesneden zijde niet bloedde. Ook bloedde de van een lid beroofde wijsvinger van prof. Leyden niet en het afsnijden had hem niet de minste pijn gedaan. Meer uit gewoonte, zooals elkeen doet, die iets gebroken heeft, dan wel met een bewuste bedoeling, paste Prof. Leyden het afgesneden lid weder aan zijn daarvan beroofden wijsvinger en tot zijn verwondering bleef nu het lid er weder tegen aan zitten en was weer bruikbaar, alsof het er nooit van verwijderd was geweest.
Ten einde omtrent dit merkwaardig herstellingsvermogen van zijn psychisch lichaam meer zekerheid te verkrijgen, legde hij nu eerst zijn vingers, daarna zijn middenhand, vervolgens zijn polsgewricht tusschen de beenen van de chirurgische schaar, welke op dit oogenblik door den operateur juist gebruikt werd, om de diepere weefsels open te leggen, waarin de dierlijke klieren zouden worden vastgehecht. Telkens bleven zijn afgeknipte ledematen in de lucht trillend hangen, als bijen zwevend boven een bloemkelk, en vereenigden zich onmiddellijk opnieuw met het zielslichaam, zoodra hij de beide gescheiden lichaamsdeelen weer tot elkaar bracht. Hij behoefde ze er niet eens tegen te drukken. Het ging op dezelfde wijze als de magneet een stukje ijzer aantrekt. En prof. Leyden hield eerst op met zijn proeven, toen de operateur ook de schaar met het slot van Collin aan den assistent teruggaf, zeggende dat ook deze schaar zeker bij het ontsmetten te veel uitgezet was en telkens stroef ging. Toen hij nu de schaar met het dubbelslot van Collin gebruikte, was alle stroefheid verdwenen en hij zeide tot de aspiranten: „Het dubbelslot van Collin heeft het voordeel, zelfs na uitzetting tijdens de sterilisatie, altijd gelijkmatig te werken.”
Prof. Leyden glimlachte, dit hoorend en dacht: „Nu doceert gij toch waarlijk niet, zooals gij voornemens waart, in mijn geest. Want gij vervalt in de gewone fout van den niet-wetenschappelijken mensch, die uit één feit een gevolgtrekking maakt en van die gevolgtrekking een oordeel afleidt. Immers alle scharen waren heden evengoed—maar wat gij toeschreeft aan uitzetting door sterilisatie en ondeugdelijkheid van het slot van de schaar, was in werkelijkheid niet anders dan dat ik mijn psychisch lichaam tusschen de gaping der schaarbeenen stak, waarop het zoo subtiele slot reageerde. Dus wat gij, waarde collega-operateur, den jongeren voorhoudt als een gebrek der instrumenten, is juist hun deugd.
„Inderdaad volgt hieruit, dat ook hetgeen de operateur aan de aspirant-medici verweet, namelijk hun groote belangstelling in de edele roeisport en de veredelende dans- en voetbalsport, zoowel als sommiger pogingen een helaas verdwijnende subtiele kunst van drankmenging, zoo lang mogelijk te subsidiëeren, op geen waarachtig wetenschappelijken grondslag berustte. Immers, het is beter de namen van sport en spel te onthouden, dan onwetenschappelijk gegronde beweringen nopens chirurgische scharen en haar respectieve sloten.”
Toen nu prof. Leyden met groote voldoening het verdere verloop der operatie op zijn animaal lichaam had bijgewoond en het vervolgens begeleidde, toen het naar het ziekbed werd gereden, trachtte hij na eenige uren wachtens, weder zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk lichaam te brengen. Maar dit lukte niet. In ’t eerst vermoedde prof. Leyden, dat ook voor deze kunstbewerking, een zekere ervaring noodig was en hij begon zich dus te oefenen. Maar hoewel hij gedurende den geheelen nacht onverpoosd bezig was, weder met zijn psychische gestalte in zijn stoffelijk vormsel te dringen, bleek hem dit onmogelijk. Daar echter zijn pogingen hem niet in ’t minst vermoeiden, bleef hij zijn oefeningen doorzetten. Maar aan ’t eind van de eerste dagen, was hij nog even ver als op den avond na de operatie. Hij zag zijn aardsch lichaam rustig te bed liggen en ademen, maar het gelukte hem niet, de bedwelming te doen verdwijnen, hoewel de tijd waarop de chloroformdampen door het stoffelijk lichaam uitgewasemd moesten zijn, reeds lang verloopen was.
Thans trachtte hij bij stukjes en beetjes met zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk lichaam te dringen. Maar ook dit gelukte niet. Een afgebroken psychisch vingerlid op het stoffelijk vingerlid gebracht, weigerde daarin door te dringen maar ontweek ongeveer zooals wanneer men olie in water zou willen dringen. Prof. Leyden beproefde daarna uit psychisch en stoffelijk lichaam een soort emulsie samen te stellen, maar in het stoffelijk lichaam huisde een zekere niet-stoffelijke kracht, welke hem verhinderde zijn psyche weder in zijn lichaam te brengen. Het was alsof een andere psychische kracht zijn psyche terugdrong en zijn verdubbelde pogingen met den moed der wanhoop toegepast, bewerkten alleen een soort convulsieve schokken van het stoffelijk lichaam. De zuster van de wacht riep onmiddellijk den operateur en den geneesheer-directeur. Want zij was van meening (half-wetenschappelijk als de gediplomeerde verpleegster immers ontwikkeld is), dat het begin van de ontwaking uit de verdooving, het bekende symptoom der brakingen, zich voordeed.
Maar het waren geenszins braakneigingen, pogingen van het lichaam om zoo spoedig mogelijk zich van de ingeademde chloroformdampen te bevrijden. Het waren slechts de werkingen van de animale ziel in het lichaam aangebracht door de klieren van een levenden aap. En toen prof. Leyden, eindelijk zich hiervan bewust was geworden en zoo tevens ervoer, dat de verjongingskuur door klieren van een dier onmogelijk is, daar het dierlijke lichaam, resultante van de dierlijke ziel, nooit harmonisch kan opgaan in het menschelijke lichaam, resultante van de menschelijke ziel, gevoelde hij, dat hij, als zoo velen van zijn voorgangers, op wetenschappelijk gebied slachtoffers had gemaakt, ja erger, zelf slachtoffer was geworden van de te materialistische richting in de geneeskunde.
En voor ’t eerst sedert het voornemen tot de proef in hem opgekomen was, wantrouwde hij de eigen rede en zonk deemoedig en gebroken in gebed neer aan de sponde, waarin zijn eigen, opzettelijk verdierlijkt, bewusteloos lichaam nederlag.
De pleegzuster, die bij het lichaam waakte, voelde op dit oogenblik een koude rilling langs haar rug loopen. En naar de gewoonte van half-wetenschappelijk ontwikkelden, de naastbijliggende aanleiding voor de eigenlijke oorzaak houdend, sloot zij de deur, waardoor volgens haar de „tocht” gekomen was en schonk zich een kopje warme thee in.
En zij keek op de klok om te zien of haar nachtwaak spoedig ten einde zou zijn. Het was juist vier uur in den morgen. Dus zou zij nog twee uren hebben te waken. Om den tijd te dooden, nam zij de courant en begon deze te lezen. Haar oog viel op het volgende bericht onder „Rechtzaken”:
„De Nederlandsche Juristenvereeniging heeft tegen Maandag a. s. een buitengewone vergadering uitgeschreven, waarin Mr. Hendrik Paragraaf, voorzitter van de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam, het debat zal openen over de stelling: Bewusteloosheid van een gedaagde, beschuldigd van zich tegen den vorm van een wetsartikel te hebben verzet, behoeft jure niet te leiden tot de verdaging van de zaak van eenen door een onaanvechtbare dagvaarding gedaagden gedaagde.”
En haar zachte blik rustte met groot medelijden op den bedwelmden patiënt in het bed uitgestrekt, die rustig ademhaalde, onbewust van de door animositeit der juridische tegen de medische faculteit veroorzaakte tegen hem ingestelde vervolging.