Chapter 8 of 23 · 1631 words · ~8 min read

IX.

Toen prof. Leyden, nadat het hem was geweest, alsof een hand zacht op zijn schouder was gelegd, een hand welker aanraking troost en opbeuring uitwademde, opkeek, ontwaarde hij een verschijning, welke hem van geluk doorstroomde. Het was een soort geluk, dat in welke tijddimensie ook voorkomend en voor te stellen door één rechte lijn, dan wel als een verzameling van graphische curven, gelijk geregistreerd door een automatische barometer op een dag in Maart, den eenzame in welken staat hij zich ook moge bevinden, elke passieve seconde tot een actieve eeuw schijnt te veranderen. De verschijning had den vorm van een jonge, bovenaardsch schoone vrouw.

Zelfs professor Leyden vergat een oogenblik bewust en bezonnen psycho-analytisch te werk te gaan. Doch spoedig met afkeer zich ontrukkend aan deze leek-achtige zwakheid, constateerde hij, met een genoegen, dat streng wetenschappelijk gerust boven het genoegen van het beschouwen eener schoone jonge vrouw kan gesteld worden, dat hij niet meer eenzaam was. Dat die eenzaamheid niet meer door een Egyptischen god of door een gestalte, die er zich voor uitgaf, was verbroken, maar door een jonge, schoone, bloeiende vrouw. Of zij zich daar óók wellicht voor uitgaf, meende professor voorloopig niet voor de wetenschappelijke zijde van zijn onderzoek, strikt noodig te hebben. Wat hem veel meer interesseerde was, dat het ontwaren dezer liefelijke gestalte hem herinnerde aan een soortgelijk gevoel, dat hij eens als eerste jaars-student had ondervonden tijdens een uitvoering van Semper Crescendo. Het was na die uitvoering, toen hij als geïnspireerd de tweede fluitpartij had gespeeld, dat zijn dierbare moeder meende, dat hij het recht had de eerste partij te spelen en bij hem, doch geheel onafhankelijk van moeders meening, de eerste huwelijksplannen opkwamen. En professor Leyden constateerde het feit, dat ook hier in deze sfeer, het herinneren van voorvallen uit vroegere levens door schijnbare of werkelijke coïncidenties, niet ongewoon scheen. Zooals het toen, tijdens de uitvoering van Semper Crescendo, geweest was, alsof de lieve blondine, die alleen oor had voor zijn tweede partij en oog voor hem, die deze, niet onverdienstelijk, uitvoerde, hem niet vreemd was, maar dat hij haar al had gekend en liefgehad van het eerste oogenblik, dat hij bewust was geweest, ja in vele reeksen van vorige levens in andere gedaantes, zichzelf voelend als een vlinder, een andere vlinder dartelend volgend van bloem op bloem, want zeker heeft de mensch eens een bestaan gevoerd, waarin zijn leven uit niets anders bestond dan dartelen, in bloemengeur zich vermeien en honig slurpen, klapwiekende postillon d’amour van Flora’s kleurig geslacht, zoo was het hem ook thans, of hij deze verheven schoone gestalte, zooeven ontwaard, gekend en liefgehad had, door alle tijden en eeuwen, in alle dimensies van ruimte en tijd, vóór en na den zondvloed, hiervoormaals, hierbovenmaals, hierbenedenmaals, en hiernamaals, kortom in alle malende toestanden, tijden en wijzen.

Hoewel hij nu wel juichen kon van geluk, bleef hij toch bedenken wat hij, juist thans, in dezen oogenblik, aan de eer van zijn faculteit zoowel als aan de eer der liefelijke verschijning, schuldig was. Reeds als student had hij altijd de bewondering en afgunst zijner mede-studenten gaande gemaakt, door de gepaste wijze waarop hij jegens jonge meisjes den der maagd toekomenden afstand, had weten te bewaren. Hij had zelfs nooit geaarzeld, het verwijt, hem deswege door minder voornaam aangelegden toegevoegd, dat hij wat schuchter en droog was, waardig te dragen.

Streng wetenschappelijk te werk gaande, bevond hij dat een eenzaamheid, verstoord door een tweezaamheid, voorgesteld dus als 1 : 2, deze eenzaamheid ophief en als formule voorgesteld kon worden als

(1/2 + 1/2) - (1/2 + 1/2)

of om eventueele overijlde formuleering te voorkomen beter gesteld werd als

X/2 - X/2

Want de wetenschappelijk en universitair gevormde zal ten aanzien van de verhouding eens eenzamen tot een schoone, lieftallige verschijning tot geenerlei, den leek kenmerkende, overijlde voorstellingen zich laten verleiden.

„Kent gij mij?” vroeg nu ook de liefelijke, jonge vrouw.

Ditmaal echter kon professor niet dadelijk antwoorden, zooals hij Anubis gedaan had. Want geen der Leidsche musea gaf hem hier een wetenschappelijken voorsprong, niet het Egyptisch museum met de gezamenlijke goden en mummies; niet het museum voor natuurlijke historie, ondanks al de opgezette of op sterk water bewaarde exemplaren uit alle hemelstreken; niet het ethnographisch museum met de gezamenlijke boeddhas, kwan-yins en neger-idolen. Was wellicht in de Lakenhal een portret op haar gelijkend? Of in het prentenkabinet? Te vergeefs snelde de professor in den geest al de musea van Leiden door om de gelijke van deze lieftallige verschijning te vinden. Helaas, hier kon zelfs de wetenschap, zij de anders altijd hulpvaardig uitkomst brengende, hem niet helpen.... alles boden de Leidsche musea den geduldigen vorscher aan, van amoebe tot het meesterlijk gepraepareerde skelet eens Angel-Saksers—alleenlijk nog altijd had de universiteit gedraald, een museum van liefelijke, schoone, jonge vrouwen voor anthropologische, anthropometrische en vooral de hem thans zoo te stade komende anthropomorphistische studiën, te stichten.

„Gij kent mij niet?” vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar stem, in den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel smachtend vragen, dat het professor opeens te binnen schoot, wie zij was.

„Ik ken u, ik herken u,” zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij waart het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper Crescendo, toen ik de tweede fluit speelde....”

„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje zitten!”

„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in ’t eerste jaar....”

„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u met uw muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er Crescendo” en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op mijne stille bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas te doen vullen en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de liefde, het „saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de kroegjool te vertalen door „Rustig te midden van de Bar.”

„Helaas, ik was zelf een baar!”

„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in den vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste als ’t ware het huwelijk in.”

„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”

„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte, wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet.... Dat is het lot veler Leidsche jonge meisjes!”

„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later fluit speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo’s. Gij hebt als een ideale liefde geleefd achter de reëele liefde van mijn huwelijksleven.... Dat is het lot veler Leidsche jonge mannen....”

„Dus hebt gij mij altijd bemind?”

„Zooals ik u thans nog bemin.”

„En ik u.”

„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk, heilig.”

„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk en heilig.... ook ik.”

Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke wijze in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke mede-geleerden heeft kunnen duidelijk maken:

HET ZOENEN IN DE RUIMTE.

Tot het doen neerkomen van de lippen des mans op de lippen der vrouw, zullen de volgende krachten op het lichaam des kussenden mans werken:

1. Het gewicht des lichaams G; 2. De wrijvingskracht f N. (f = wrijvingscoëfficiënt, N = kracht, waarmee de kusser op den grond drukt); 3 en 4. De horizontale en verticale ontbondenen van den luchtweerstand, resp. XV^2 en YV^2 (X en Y zijn weerstandscoëfficiënten, V = snelheid in M:sec); 5. De trek in het kussen T:

Wij hebben nu de volgende betrekkingen:

lust = L = YV^2 drift = D = XV^2 f N = f(G - YV^2) T = T_m (1,5 - 0,8(V/V_m))^2)

T_m is de trek in het kussen bij de snelheid V_m, waarvoor zij berucht is. (De formule geldt alleen, zoo V < 0,5 V_m is.)

De resulteerende horizontale kracht, die aan den kusser een versnelde beweging mededeelt, bedraagt dus:

K = T - f(G - YV) - XV^2

We zullen aannemen, dat tijdens het overbuigen van den kusser tot de gekuste, de hoek tusschen de langas des mans en den bodem niet verandert, verder dat de bodem horizontaal is en eveneens, dat de wrijvingscoëfficiënt constant is. Dus: Y, X en f zijn constant.

De bewegingsvergelijking wordt:

m (dV/dt) = T - f(G - YV^2) - XV^2.

Nu is:

m (dV/dt) = (G/g) . V (dV/dX).

Hiervan en van de formule, die T als functie van V geeft, gebruik makend, kan de bewegingsvergelijking ook geschreven worden:

(V/g) (dV/dx) = (1,5 T_m/G - f) - (0,8 T_m/G + (X -fY) V_m^2/G) (V/V_m)^2

Stellen we:

(1,5 T_m/G) - f = A

(0,8 T_m/G) + ((X - fY) V_m^2/G) = B

Verder is:

V dV = - V_m^2/2 B d { A - B (V/V_m)^2

De vergelijking kan nu opgelost worden en we krijgen als l de lust in ’t zoenen en V_n de aan het eind daarvan bereikte vaardigheid in hetzelve is:

l = - (V_m^2/2 g B) int_0^V_n d { A - B (V/V_m)^2

= (V_m^2/2 g B) log_e (A/A - B (V_n/V_m)^2)

= (V_m^2/B) 0,11733 log_10 (A/A - B (V_n/V_m)^2)

Aldus, zoo stelde professor Leyden tijdens die eerste kus in zijn nieuw dimensionalen staat vast, heb ik een formule, waarmee ik mijn waarde collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe lust en drift hier tot hoogere aanlooplengte werden verheven.

Helaas, vele der uitnemende lichten onder de collega’s, de formule proefondervindelijk bij hunne genooten des echts narekenend, bleven hoewel dankbaar, onvoldaan. Want ook de wetenschap, zij de hooge, immateriëele is niet onfeilbaar, zoomin als soms de wetenschappelijk en universitair gevormde, zelfs zoo hij twee titels voor zijn naam mag voegen en deel uitmaakt van die synthèse van ’s werelds geleerdheid, de universiteit der stad Leiden.