XIX.
„De Harmonischen breidden zich langzaam maar gestadig uit. Voor 1950 hadden volken, die behoefte aan expansie kregen, òf gewelddadig bezit genomen van de landen der omringende volken en die aan zich onderdanig gemaakt, wat slavernij bij de onderworpenen en luiheid en ontaarding bij de overwinnaars veroorzaakte, òf de overwonnen volken hadden zich in de massa der overwinnende volken opgelost, wat bastaardij, ongelijksoortigheid en disharmonie ten gevolge had. Weer andere volken waren gewapend op schepen naar verre landen getrokken en hadden daar minder goed gewapende volken, die echter deswege geenszins moreel lager stonden, tot slavernij en onderworpenheid gebracht. Ook dat had luiheid, pronkzucht en verlaging van het moreel bij de koloniseerende volken veroorzaakt en de gekoloniseerde volken in hun natuurlijke, eigen ontwikkeling gestoord, zoodat men er kreeg rebellen, slaven of na-apers van den overwinnaar.
„De Harmonischen breidden zich in dienende liefde uit. Daar waar, door het vertrek van de oorspronkelijke bevolking naar warmere zônen, groote landstreken braak lagen en vervallen steden verlaten en door ratten bewoond—want overal waar de mensch verdween, teelde het rattengeslacht zich snel voort, alle andere dieren door hun massa’s en massaal optreden verjagend en vernietigend,—begonnen de Harmonischen hun eigen cultuur te verspreiden. De landen werden van de ratten gezuiverd door sluipgas. Want de Harmonischen kenden al de vorderingen der techniek van de 20ste eeuw, maar zij kenden ook het gevaarlijke van de aanwending ervan voor degenen, die dienaars en slaven van de „automatica” werden, instede van haar meester te blijven. Dan werden de huizen en de molens gebouwd, de boomgaarden geplant en de jonggehuwde paren vestigden er zich. Alle arbeid geschiedde met de hand en door de menschen zelf. Men had eerst nog gebruik gemaakt van kruiwagens, maar ook die had men ter zijde gesteld, omdat ook hier het wiel zijn verlagenden invloed uitoefende. Want de kruiwagen leidde er toe, dat de mensch voor zich alléén ging arbeiden. Daarom had alle vervoer van vrachten, die niet in de hand of op den schouder konden worden gedragen, plaats doordat twee of vier personen de vracht gezamenlijk in manden of op draagbaren droegen en nooit werden vrouwen tot zwaarderen lichaamsarbeid toegelaten. Dit gezamenlijk dragen der lasten, zoowel bij den aanleg van wegen, als bij het geschikt maken van landerijen, het aanbrengen van bouwmateriaal, hield het gemeenschapsgevoel van den arbeidenden mensch levendig. Het was een gestadige en doelbewuste oefening in het samenwerken, de basis van het samen-leven of de samenleving. Er waren geen opzichters, want men had ervaren dat alle toezicht en bevel bij den arbeid, in den toezichthoudende en bevelvoerende gevoelens van wellust opwekten. Evenmin werden dieren gebruikt, paarden noch ezels, ossen noch honden. Want men had ervaren, dat wie het dier in zijn dienst gebruikt, slechte instincten krijgt en dat de menschelijke ziel bezoedeld wordt door het nauwe, gestadige contact met de dierlijke ziel. Er werden nooit rechte kanalen gegraven noch rechte wegen aangelegd. Want men wist dat zij, gesproten uit het haasten, de ziel gejaagd maakten en aldus den mensch ontaardden. Zooveel mogelijk werden de natuurlijke rivieren gevolgd, de wegen in rhythmische krommingen aangelegd. Ook daar, waar dijken noodig waren, werden die dijken zoo aangelegd, dat zij in harmonie waren met de neiging van het water. Want men voelde, dat het water, van zee of stroom niet zonder psychische oorzaken, hier land wenschte te verzwelgen en daar land wenschte aan te zetten. Men eerbiedigde „De Wil” ook waar Hij zich in het watergeweld uitte. Na eenige geslachten bleek, dat deze eerbied beloond werd, omdat vloeden en overstroomingen uitbleven, nu het water naar „De Wil” zich kon uitbreiden. De zee wierp ongekend hooge duinen op om zichzelf te betoomen.
„Zoolang de nieuwe nederzettingen nog niet op eigen krachten konden teren, werden hun door de andere nederzettingen voorraden gezonden. Dit geschiedde zonder eenige overeenkomst, zooals een goede moeder een geliefde dochter zou steunen van haar overvloed.
„De steden werden met den grond gelijk gemaakt. Er waren geen steden en geen groote dorpen in het Harmonische Rijk. Men wist te goed, hoe alle samenscholing gevolg was van angst en een poging om angst te weerstaan door angst in te boezemen. Er waren geen bestuurshoofden, van welken aard ook. De vader was mannelijk, de moeder vrouwelijk hoofd van het gezin. De gezinnen waren elkander onderling niet vijandig en niets werd meer tegengegaan dan met elkaar wedijveren. Alleen voor de grootere zielskracht had men eerbied, maar grootere zielskracht manifesteert zich nooit anders dan door anderen te bezielen. Alle andere uitmuntendheid, die van den geest, het vernuft, het lichaam, rangschikte zich in dienende liefde in stede van wedijverend te overtreffen en zoo de zwakkere te verdringen, verbluffen of tot bewondering te dwingen. Men had ervaren, dat alle wedijver het rhythme van de ziel stoort, persoonlijk en gemeenschappelijk en een vorm van dierlijke moordzucht is. Niet als in de maatschappij der hongerende wolven, waar de sterksten, de zwaksten verslinden, wenschte men te leven, maar in een maatschappij waar het zwakke met liefde en zorgzaamheid tot hoogere kracht wordt opgekweekt, opdat het ten laatste gelijk kon worden aan de gemiddelden. Men hield niet bij de Harmonischen van uitstekendheid en buitengewone kracht of genie, wel wetende, dat dit een verstoring der harmonie is, welke er toe leidt, dat of de sterke individueel de zwakkeren gaat beheerschen en onderdrukken of dat de zwakkeren communeel de weinige sterken verdrukken. Daar dus de prikkel tot buitengewoonheid in ’t een of ander opzicht ontbrak, niet iedere vader en iedere moeder den wensch koesterde, dat juist hun kind of kinderen boven de anderen zouden uitsteken, stierf de bovenmatige begaafdheid uit, zooals de ongewone zwakheid en de achterlijkheid, uitstierven. Men kende geen misdadigers-verachting, maar ook geen helden-vereering. Wie den held kweekt en eert moet zich niet beklagen, dat zijn tegenstelling, de misdadiger, hem op den voet volgt. Want daar het laf is, den held te kweeken en te eeren, zal noodzakelijkerwijze het werk van den held, altijd door het werk van den lafaard worden geëxploiteerd en vernietigd. En een der axioma’s luidde, dat de ware held, die held is, die heldhaftig genoeg is om onbekend te sterven. Zoo dan werden heldendaden niet geroemd, zoodra de bedrijver van die heldendaden zich bekend had gemaakt of bekend was geworden. Uit dezelfde oorzaken waren alle kunstwerken ongeteekend en zorgden de makers er voor, zooveel mogelijk onbekend te blijven.
„Het vermijden van wedijver voorkwam alle sport, doellooze verspilling van lichaamskracht en energie maar verhief het spel, oefenschool voor het leven, tot een hoogeren trap van ontwikkeling. De knapen leerden vroeg wandelen, zwemmen, gezamenlijk boodschappen naar afgelegen plaatsen overbrengen, houthakken, houtzagen, houtdragen, boomen verzorgen. De meisjes wandelen, zwemmen en verrichten velerlei lichte, aangename bezigheden op het land. Zoo had men genoeg lichaamsoefening in de openlucht, zoodat deze niet door doellooze, kunstmatige sport behoefde aangevuld te worden. Het zingen in de koren en het optreden in de openluchtspelen, gaven buitendien gelegenheid tot harmonische oefening van lichaam en geest.
„Eén spel werd echter bijzonder gaarne bedreven—de vaardigheid van het balwerpen in velerlei vormen. Men had ervaren, dat jongleeren met mate beoefend, op lichaam en geest een goeden invloed uitoefende. De jeugd leerde er vaardigheid, handigheid en rhythmisch zich bewegen door. Ook speelde men met elastische, kleine, leeren ballen. Maar altijd werden de balspelen met de hand gespeeld. Het gebruik van den voet, oefenend in het schoppen, werd grof en zedeloos aangevoeld, daar de bal door den voet geschopt, te groot en te zwaar moet zijn, en daarom gevaarlijk is voor dengeen, die den bal in ontvangst moet nemen. Men had dus het balspel met behulp van den voet, evenals alle balspel met behulp van harde werktuigen en werptuigen, uitgeroeid daar het een vorm van moordzucht symboliseerde.
„Kwam het nu bij de uitbreiding voor, dat men op andere volken stuitte, dan begon men aan die volken den eigen arbeid en de arbeidsproducten zonder tegenprestatie aan te bieden. Door dienende liefde won men langzamerhand de achting en de liefde van de beste elementen dier volken. Zij werden er met zeer groote tact toe gebracht aandeel te nemen in de Harmonie. Daarbij werd een onuitputtelijk geduld getoond. Gewelddadigheden werden met daden van liefde beantwoord. Men toonde, dat men in ’t bezit van sluipgas was en dat men de menschen evengoed als de ratten zou kunnen uitroeien. Maar men gebruikte dit wapen niet tegen menschen. Liever dan dat te doen, omging men de weerbarstigen en vestigde zich veel verder, al kwam men ook aan de meest onvruchtbare landstreken.
„Want daar men tijd genoeg had, altijd arbeidde voor het volgende geslacht, altijd kon rekenen op den bijstand van alle Harmonischen ter wereld, werd ook de schraalste zandgrond na verloop van jaren in een vruchtbaar landouw veranderd. En daar ieder arbeidde, ieder het handwerk uitoefende en er geen hoogere, ja geen andere eer was, dan te arbeiden als arbeider onder de arbeidenden, was er bij de Harmonischen geen armoede en zelfs overvloed. Voor 1950 kwamen op iederen mensch die handarbeid verrichtte er tien, welke daarvan direct of indirect moesten leven. In de maatschappij der Harmonischen kende men geen ambtenaren of beambten, geen administrateurs, geen banken, geen handel, geen geld, geen spoorwegen, stoombooten, kortom men kende er niets dan landhuizen, boomgaarden, moestuinen, bouwlanden, bosschen en molens. Zonder de molens had men het wel kunnen stellen, maar hun nut was te groot gebleken. De kracht van den wind werd gebruikt voor het malen van graan, erwten en boonen, het tot moes pletten van de vruchten voor de jam’s en de wintervoorraden, het bereiden van suiker uit de suikerbieten, het malen van de grondstoffen voor de verven, het pletten van oliën uit zaden en noten en dan ook, voor de voorziening in de behoeften van licht en warmte. Wel had men bij de Harmonischen veel minder kunstmatige warmte noodig dan voor 1950. Want men was gekleed in de beste wol en het zwaarste linnen, door kundige, liefdevolle hand naar ieder lichaam in ’t bijzonder, passend vervaardigd. Men had de huizen van zeer dikke muren gebouwd wat de stevigheid en duurzaamheid bevorderde, maar ook ’s zomers ze koel en ’s winters ze warm hield. Het verblijf en de arbeid in de buitenlucht van de vroegste jeugd maakte gehard. Het gebruik van plantaardige oliën en van veel vruchten met haar aetherische oliën gaf aan het lichaam een geurige uitwademing en een zich naar de temperatuur richtenden weerstand. Zooals de citroen en de sinaasappel sappig blijven door de geurige aetherische oliën van de schil, maar een van zijn geel laagje beroofde citroen, dadelijk uitdroogt; zooals een appel door zijn waslaag zich tegen de guurheid en de koude van herfst en winter beschermt, zoo was de opperhuid der Harmonischen doordrenkt van de aetherische oliën der planten- en vruchtenvoeding. Kou-vatten, verkoudheden, longziekten waren na eenige geslachten onbekend geworden. Vrouwen en mannen van in de zestig jaar hadden nog gevulde, blozende gelaten.”