XXI.
„Inderdaad Horatio, de Harmonischen hebben heel veel moeite gehad om tot een godsdienstleer te komen. En hoe meer geslachten elkaar in het Harmonische Rijk opvolgden, des te moeilijker werd het voor hen. Want daar zij naar de daad godvruchtig leefden, was het voor hen zeer bezwaarlijk een theorie voor dat godvruchtig leven op te stellen. Het was voor hen, alsof men een moeder, nadat zij haar kind liefdevol heeft grootgebracht, vraagt een boek te schrijven, waarin zij de wetten en geboden door haar gevolgd om die liefde te betuigen en uit te oefenen, opteekent.
„Men keerde tot het Oude Testament terug en beproefde allereerst daarin, een levensleiding te vinden. Maar reeds Genesis moest verworpen worden. God gaf den mensch heerschappij over alle dieren. God gaf den mensch het kruid en de boomvrucht tot voedsel. En aan de dieren het groene kruid. Ook aan het wild gedierte uit Gen. 1:24. Dat ging samen met het Harmonische.
„Maar dat het eten van een vrucht aanleiding had gegeven tot den zondenval en de erfzonde, vond al bij hen eenig verzet. Indien het nu nog de slang zelf was geweest, welke door Eva was gedood, gebraden en opgegeten. En dat aan de vrouw gezegd werd, dat zij de slang voortaan den kop zou vermorzelen en aan de slang, dat zij haar voortaan de verzenen zou vermorzelen, wekte afgrijzen en ongeloof. En al evenmin geloofde men aan Gods gezegde, dat de vrouw met smart kinderen zou baren. Men had thans sedert geslachten ervaren, dat het baren van een kind voor de gezonde, harmonisch ontwikkelde, geoefende en gevoede vrouw, een zaligheid was, waarnaar zij altijd weer verlangden en waaraan zij altijd weer met een gevoel van geluk terugdacht.
„Evenmin konden de Harmonischen erkennen, dat sedert Adam, de mensch alle dagen zijns levens met smart van de aarde zou eten. Bij de Harmonischen was het uur van het middagmaal elken dag een plechtige, gewijde feestelijkheid en het zien groeien van het gewas gaf geluk. Hoe waren de huizen en de wegen in de lente vervuld van de geuren der blanke en rozeroode boomgaarden. Hoe schoon, als de jonge vrucht zich gezet had. Welk een genot te zien naar het rijpen. En wat was er schooner, dan zoo’n zware appel- of pereboom met gestutte takken, in den herfst prijkende met zijn blozende vruchten. En het gebod tot den arbeid, het in het zweet des aanschijns brood eten, kon geen vervloeking zijn. Ja, misschien in de opvatting van een luien Oosterling, die geen grooter genot dan loomheid en nietsdoen kende en zich door anderen te laten bedienen. Maar de Harmonischen eerden den arbeid als de bron van alle deugd, liefde en schoonheid, zonder welke immers het denken aan en bidden tot God zelve niet mogelijk is, daar ook daartoe arbeid noodig is.
„En het zweet des aanschijns mocht wellicht den oosterling in ’t warme oosten een vloek zijn, in het Harmonische Rijk wist men, dat zweeten een gezonde en verfrisschende functie van de huid is, dat de huid altijd vocht afscheidt, meer of minder en zonder deze afscheiding, de dood in moet treden en dat men, ook in den zomer, waardig en bedachtzaam op het veld arbeidend, niet tot overmatig zweeten komt. De oosterling, die de Paradijsmythe voor ’t eerst op schreef, had zeker slaven onder den stok van den opzichter op het veld zien arbeiden en uitbuiten en dat als een straf beschouwd, was wellicht zelf een weggeloopen of vrijgelaten slaaf geweest. Wie slechts eenmaal een gezin in het Harmonische Rijk aan den arbeid had gezien, zou nooit meer gelooven, dat arbeid een straf Gods is. En wat men wist van degenen, die door het „automatisme” lieten arbeiden en zelve aan de „straf” zich hadden onttrokken, leidde niet tot erkenning van het zegenrijke van het niet arbeiden.
„Zou God een arm schaap door een mensch gedood een liefelijk offer vinden?
„En toen men aan Genesis 9:3 kwam en las „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze”, ging er een rilling van ontzetting door die van het Harmonische Rijk. En hoe was dit overgeven van de dieren als voedsel aan de menschen te rijmen met Gen. 9:10, waarin God met alle dieren een verbond sluit en met Gen. 9:12 en 13, waarin ook aan de dieren, de regenboog wordt gegeven als teeken des verbonds. Had ooit een dier ter wereld besef getoond voor dat wezen van den regenboog? Alleen een herder, die veel met dieren omgaande, van die dieren veel heeft overgenomen en zich verdierlijkt heeft, kan gelooven in een Godheid, die eerst de dieren onschuldig vervloekt; daarna ze den mensch tot voedsel aanwijst; ze daarna weder voor hem heiligt, door hem te zeggen, dat dezelfde regenboog mensch en dier tot hetzelfde gewijde verbond zal zijn. Maar hoe kon een inwoner van het Harmonische Rijk het verhaal van zulk een nomade omtrent Die De Waarheid is, aannemen?... Doch daar Christus gezegd heeft, dat Hij niet was gekomen om de wet te verbreken maar te volmaken, richtte men zich tot het Nieuwe Testament, ten einde hieruit een meer volmaakte leer te verkijgen.”