Chapter 21 of 23 · 1949 words · ~10 min read

XXII.

Nooit hadden de Harmonischen aan de verhevenheid van Christus en Zijn leer getwijfeld. Hoewel vele geslachten vermeden hadden over de leerstellingen zelve met elkaar te spreken, men elkaar verstaan had door den stillen blik alleen en in en achter dien blik wist den levenden Jezus Christus, zonder Wien geen goeds, schoons of redelijks ter wereld mogelijk is en in Wien de menschheid gered is en eens verlost zal worden, kwam men nu met het oog op het heil der volgende geslachten, er toe, te trachten uit het Nieuwe Testament den nieuwen Christus te doen verrijzen.

Want men besefte, dat dit Nieuwe Testament, opgeschreven door menschen, die zelf in barbaarsche tijden leefden en kinderen van hun tijd en hun voorvaderen waren, niet voor de eeuwen onveranderd dienen kon. Zoo goed als er heel veel omtrent Christus niet in was gezegd of uitgezegd, volgens Joh. 21:25 luidende: „En daar zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achtte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten,” zoo goed was er veel omtrent Christus in gezegd, dat de Harmonische menschheid niet meer dienen kon. In Christus konden de Harmonischen wel het Lam Gods zien, naar zijn onschuld en liefelijkheid, zoo hij ook van zich zelf getuigde, dat hij alles van den mensch in zich had, maar niet het Lam Gods, dat geofferd wordt. Zij konden niet meer gelooven in een God, den Vader, die zijn zoon offert voor de menschheid. Abraham had het offeren van zijn kind niet behoeven te volbrengen. Wat dan aan Abraham zou kwijtgescholden zijn, ter wille van de menschelijkheid, zou dat God aan zichzelf niet hebben onthouden ter wille van de Goddelijkheid? Was Izak meer dan Christus? En zoomin als men vrede had met het offeren van een ram door Abraham, zoo min had men vrede met het offeren van het lam Christus. Zij konden geen vrede hebben met uitdrukkingen als in Joh: 6:53–57, luidende: „Tenzij dan dat gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelve. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die mij eet, dezelve zal leven door mij.”

Deze kannibalen-beeldspraak kon niet meer dienen in het Rijk der Harmonischen, waar sedert vele geslachten geen andere dranken bekend waren dan water, oliën en vruchtensappen. Ook was het vleesch niet meer zoo zwak, verdoemd en de stinkende oorzaak van velerlei zonden bij de Harmonischen. Want het onderscheid tusschen het vleesch en de ziel was veel verminderd nu het vleesch des menschen, reiner en zuiverder was geworden, niet meer opgebouwd uit dierlijk vleesch en dierlijke zuivel, maar uit geurende planten en vruchten, zoodat als de kinderen buiten speelden, de vlinders zich op hun handen zetten, aangetrokken door de bloemengeur van hun rein vleesch. Zelfs de faecaliën hadden niet meer dien verpestenden stank, uit het vleesch-etende tijdperk, waarin zij meer op die van den leeuw of den tijger geleken hadden, dan op die van het schaap. Ja, zelfs de gestorven lichamen van de Harmonischen hadden niet den afschuwelijken reuk van de ontbindende lijken van de menschen uit het vleescheters-tijdperk. Zij geleken op appels, die tot rotting overgingen. Men ervoer, dat de wormsoort die vroeger elk lijk hadden verteerd, uitstierf, daar hij niet tot ontwikkeling kon komen in niet met dierlijke stoffen gevoede lichamen.

Men begon de woorden van de discipelen uit Joh. 6:60 te begrijpen, zeggende: „Deze rede is hard, wie kan hetzelve hooren!” En het antwoord, dat Christus zou gegeven hebben volgens Joh. 6:63: „De geest is het, die levend maakt, het vleesch is niets nut: de woorden die ik tot u spreek zijn geest en leven” bevredigden niet geheel meer. Want wel kon verachting van het vleesch des menschen begrijpelijk zijn in deze barbaarsche, oud-Joodsche maatschappij, waar de ontucht zoo groot was, dat niet één uit het volk de overspelige vrouw waagde te veroordeelen, maar in het Harmonische Rijk had men het gereinigde vleesch van den mensch weer leeren liefhebben en eeren. Het vleesch deed niet alleen geen zonden meer, maar ook de begeerte er naar was uitgeroeid. Er was langzamerhand een heilig menschengeslacht gekweekt, dat het middel niet tot doel had gemaakt, maar waarbij de gedachten altijd waren gericht op het te komen kind en het daaruit weer te komen kindskind—zoodat men in waarheid tot een menschengeslacht was gekomen.

De tien geboden waren als zoodanig vergeten daar niemand de geboden noodig had—men deed de verboden daden niet alleen niet, maar het besef, dat men ze zou kunnen doen, ontbrak zelfs. Wie zou stelen, daar hij arbeidde, altijd overvloed had en verzorgd bleef tot zijn dood, daarbij het besef hebbende, dat alleen wie matig blijft, van overvloed geniet. Wie zou doodslaan, waar men zelfs geen schaap doodde. Wie zou echtbreken, daar men uit liefde huwen kon als men volwassen was en de eigen vrouw een even harmonisch beeld van dienende liefde en duurzame aanvalligheid vormde als de vrouw van den ander en geen vrouw gezien werd, niet omgeven door hare kinderen, gelijk een moedereend in de sloot gevolgd door haar kiekens.

De geboden waren in den Harmonischen mensch tot werkelijkheden geworden, in zijn gezuiverde onderbewustheid geworteld en men was geen slachtoffer meer van de zonden van de voorgeslachten, maar vrucht van de deugden der voorvaderen en voormoederen.

De zonde was overwonnen door den arbeid, zooals het begrip zonde ontstaan was door de luiheid van den oosterling en de daaruit voortspruitende stelsels van despotisme en slavernij. Van het oogenblik, dat de arbeid erkend was geworden als de grootste zegen Gods (in stede van den vloek Gods, zooals de luie slaaf had gemeend, die dat eens had opgeschreven) was ook de oerbron van alle ondeugd en zonde, de luiheid, gaan verdwijnen.

Zoo dan werd de Christusfiguur met liefdevolle zorg door de Harmonischen ontdaan en bevrijd van de barbaarschheden, waarmede zijn eerste nog zoo onvolmaakte beschrijvers, haar hadden belast. Men ontdeed het Nieuwe Testament van alle verhalen omtrent de wonderen. Men voelde het als een beleediging van den Christus, dat Hij nog andere wonderen zou hebben gedaan dan het groote wonder der verkondiging van de dienende liefde als levenswet. Het genezen van een blindgeborene, die naar het zeggen van Johannes, levenslang blind zou geweest zijn, opdat eens Christus hem tot een wonderdaad zou kunnen gebruiken, werd als beleedigend voor de Christus-Gedachte beschouwd. Want indien Christus één blinde zou genezen hebben, zou hij alle blinden hebben genezen. En men had bij de Harmonischen ervaren, dat degenen, die vroegen of de zoogenaamd door Christus genezen blindgeborene door eigen schuld of de schuld der ouders, door zijn gruwelijke kwaal was bezocht, iets van de oorzaak der blindheid hadden voorgevoeld.

Want bij de Harmonischen was de blindheid onbekend. De kinderen kwamen niet uit besmette moeders ter wereld en behoefden geen zilvernitraat-desinfectie na de geboorte. De kinderen werden niet gedwongen van het zesde tot het zes-en-twintigste jaar daags uren achtereen te schrijven en te lezen. Men toefde niet tot diep in den nacht in oververlichte ruimten. Men leefde niet in nauwe straten. Men verbleef niet in door rook en roet bezwangerde kamer- of zaalatmosfeer. Men had niet de zonden van onderbewustheid en bewustheid gestadig in den blik te verbergen. Men gebruikte geen felle kleuren voor huisraad, kleeding of plakaat.

Het oog van den mensch was zuiver, open, klaar en straalde welwillendheid, vriendschap en liefde uit. Brillen waren overbodig en men sleep geen lenzen. Want het oog zag scherp en ver en goed en men gevoelde, dat het gebruik van verrekijkers en hemelkijkers even onzedelijk was als het gebruik van tooneelkijkers vroeger was geweest. Het verkeer had uitsluitend over het land plaats. Verafgelegen eilanden bleven onbezocht. Want het bevaren van zeeën en oceanen zou er toe gedwongen hebben, menschenlevens in gevaar te brengen. Men bracht den menschenbroeder niet gaarne noodeloos in gevaar. God zou, zooals hij eens de landen door oceanen gescheiden had, ze weer tot elkaar brengen als Hij den tijd daartoe gekomen achtte. Zouden zij, de Harmonischen, die de Harmonie in zich voelden, ontkennen, dat in de geheele schepping Gods, harmonie was, al konden zij die bij hun beperkt menschelijk tijdsbegrip niet omvamen? Naar Zijn Rhythme vormde Hij Die Het Rhythme was, de landen en zeeën en die zeeën te willen overvaren, overbruggen of ondertunnelen was dat Rhythme aantasten en zondig. Wie arbeidde op het land, had de zee niet noodig.

Eilanden behoorden onbewoond te blijven en naar het vaste land trok men te voet.

Het werd ook beleedigend voor de Christus-Idée geacht, dat Christus dooden weder tot het leven zou hebben opgewekt. Niet twijfelde men er aan dat Hij de macht daartoe had gehad en nog had en zou blijven hebben tot er geen dood meer zou zijn, maar een eeuwig leven in God, doch wel, dat Hij die Macht zou gebruikt hebben. Want de bekeering van dengeen, die door het aanschouwen van een wonder de Waarheid Christi leerde erkennen, was waardeloos. En wien God had weggenomen van de aarde, zou daar niet wederkeeren.

Ook het verhaal van de geheele lijdensgeschiedenis van Christus, achtte men bij de Harmonischen in disharmonie met de Idée Christus. Indien zij al plaats had gevonden, achtte men haar van weinig beteekenis. Alleen de barbaarsche menschen uit het dierenetende tijdperk konden zooveel waarde hechten aan de marteling en kruisiging van een persoon, die zijn tijdsperiode zoovele eeuwen vooruit, het rhythmisch evenwicht verstoord had en daaraan noodzakelijker wijze ten gronde was gegaan. Christus zelf kon aan marteling en kruisiging weinig beteekenis gehecht hebben. Hij wist waar Hij vandaan kwam en waar Hij heen ging. Hij wist, dat het vervullen van elke plicht en taak, ook de zwaarste zooals de Zijne, een voldoening geeft welke sterker is dan de smart, zooals ook de voldoening door het vervullen van de arbeidsplicht en taak verkregen, het gevoel van onlust doet verdringen door het gevoel van lust. De Roeping overwint en vernietigt het lijden, door het tot een hoogere vreugd te sublimeeren. Offeren is het beginsel van alle leven, maar daardoor ook tevens de hoogere vreugde, die de ontwikkeling des levens in zich omvat.

Zoo dan werd het verhaal van het lijden van Christus niet geschikt geacht voor de opleiding in het Harmonische Rijk. Het altijd weer opnieuw herhalen van de martel- en kruisigingsgeschiedenis, was telkens een stimulans geweest voor de martel- en moordzucht in den mensch. Het werd als disharmonisch gevoeld, het lijden van Christus te verhalen, af te beelden of te bezingen, daar dit een naar den geest herhalen en herscheppen van dat lijden was en dus een anti-Christelijke, van moordzucht getuigende en moordzucht wekkende daad, welke Christus zelf zeker tegengegaan zou hebben.

De bestudeering van het Christendom, zijn ontstaan en zijn kenbronnen, in verband met voor-Christelijke documenten, attributen, opgravingen, papyri, spijkerschrifttafels werd eveneens gevoeld als een disharmonisch bedrijf en van even weinig eerbied voor God en Zijn Boodschapper getuigend als het onderzoeken van het firmament met behulp van kijkers.

En ten slotte kwam men tot de overtuiging, dat men den Christus niet beter kon dienen, dan door inzichzelf zooveel mogelijk de Idée Christus te ontwikkelen en Haar in zich op te nemen, zooals de tien geboden in de psyche van de Harmonischen tot zuivere levensmanifestatie was geworden.

Toen dan werd aangenomen, dat Christus dient, wie Christus liefheeft en dat degeen, die Hem het meeste liefheeft, Hem het meeste kan begrijpen.

De weg tot Het Begrip werd gevonden in de dienende liefde.