X.
„Noem mij Eumenia,” zeide nu, na de eerste kus, de lieftallige verschijning tot prof. Leyden. „Want wij kiezen hier onze namen in tegenstelling met het gebruik der aarde, waar men ze u geeft. En hoe zal ik u voortaan noemen?”
„Verliest men hier zijn titels?” vroeg professor een weinig onzeker.
„Integendeel. Maar men behoudt een titel alleen, wanneer hij niet dag aan dag tientallen malen herhaald wordt. Dan verslijt hij door ’t gebruik.”
„Dan,” zei professor Leyden even nadenkend, „noem mij Horatio. Want ik besef wel, dat ik nu mijn schoolwijsheid vaarwel heb te zeggen.”
„Inderdaad, mijn dierbare Horatio. Gij zult hier vreemde dingen ontwaren.”
„Lieve Eumenia, zij kunnen niet zoo vreemd zijn of ik zal er nuchter tegenover trachten te blijven staan. Trouwens, ik geloof niet, dat ik na een vlindervleugel onder het microscoop te hebben bezien, verwachten mag nog grootere wonderen in het heelal te mogen beschouwen.”
„Ja, Horatio, schooner kleuren zag ook ik ter aarde nooit.”
„Het was niet de kleur, die mijn bewondering zoozeer wekte. Maar ik beschouwde de indeeling der dakpansgewijs liggende schubjes en ik vond de formule van het schema dier ligging. En deze formule kwam overeen met zekere interplanetaire berekeningen en vond ik ook vastgelegd in de wiskundige verhoudingen van de pyramide van Cheops. Waarschijnlijk is het den Hermetici reeds bekend geweest, dat er in het heelal eenheid heerscht en er ook ten aanzien van de wiskundige formules, zuinigheid is betracht.”
„Mijn teerbeminde Horatio, als gij zoo spreekt, troost mij alleen mijn besef van het tijdelijke aller aardsche dingen erover, dat ik niet altijd naast u heb mogen leven. Want zij, die vrouw van een dichter zijn, leeren slechts de dichterlijke schoonheid van de dichterlijke dingen zien, maar gij leerdet uwe vrouw de poëzie van de wiskundige formule kennen.”
„Zoo weinig. Zoo weinig. Mijne Neeltje is der kinderen eene zorgzame moeder geweest—maar zij heeft mij misschien wat te veel aan Scientia afgestaan. En—ik hoop Eumenia, dat ik niet te onbescheiden ben—zou ik Neeltje hier nu kunnen weerzien?”
„Uw dierbare gade leeft—leeft voort.”
„En mijn voor mij verscheiden collega’s, de lichten der wereldsche wetenschap....?”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„En mijn leermeesters, de edele inwijders in....”
„Zij leven, zij leven allen voort....”
„En mijn vader, mijn moeder, mijn voorvaderen....”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„Waar? Hoe? Hoedanig.... o antwoord mij Eumenia dierbaarste leidster.”
„Meent gij, Horatio, dat ik u genaderd zoude zijn met al het onaardsche vuur eener op aarde versmade liefde, indien ik niet van plan was geweest u te helpen en te leiden. Luister. Voor zoover ik in het stadium, waarin ik thans verkeer kan nagaan—hoeveel stadia er nog zullen volgen en of er stadia zullen volgen is mij nog niet onthuld—is ons aardsche leven slechts een schakel in een reeks.”
„Welke reeks? Kent gij de formule?”
„De formule blijft, zooals alle formules, voor ons nog altoos in allerlaatste instantie X.”
„Geef mij dan slechts de betrekkelijke formule. Wellicht kan ik haar synthetiseeren.”
„Ook dan blijft uw synthèse, een synthèse in X. Tracht nu eens goed door te denken, Horatio. De infinitesimaal berekening hebt gij toe te passen op de infinitesimaal dimensies. Gij hebt in verschillende getalstelsels kunnen rekenen. Maar gij hebt nooit bedacht, dat het aantal dimensies van tijd en ruimte ook in vele getalstelsels is ingedeeld, benedenwaarts en opwaarts. Stel dat b.v. het getalstelsel waarnaar het haft, de ééndagsvlinder, rekent, een honderdduizendste deel tot maximum heeft van het getalstelsel, volgens hetwelk de olifant rekent, waarmede ik meen, volgens hetwelk hem de tijd bewust wordt, dan kunt gij ook er van afleiden, dat naar beneden en naar boven het aantal dimensies van tijd en ruimte infinitesimaal berekend moet worden.”
„En nu te moeten bedenken, dat ik u, Eumenia, niet reeds op aarde aan mijne zijde heb gehad! Vloek over mijn eerste jaar en alle eerste jaarlingen bij elkaar.”
„Kalmeer u, geliefde.”
„Gevloekt, semper crescendo, gevloekt, de slempers van....”
„Zoo gij zoo voort gaat, zal ik u moeten verlaten.
In diesen heiligen Hallen, Kennt man die Rache nicht.”
„Vergeef mij.... dat ik zwak was en tegenover de dronkenschap mijn nuchterheid verloor.”
„Zoo heb ik u lief en herken ik u weder, Horatio. Welnu, de stadia van het al-leven zijn door de Al-Macht verdeeld naar de dimensies. Daar elke dimensie van tijd en ruimte zijn eigen wetten heeft, begrijpt gij wel, dat er geen bewust onderling verband tusschen die dimensies kan zijn—hoewel zij organisch en formulistisch in elkaar en aan elkaar sluiten. Slechts u, in uwe dimensies verbrekenden of liever ontspannenden toestand, is het gegeven, interdimensiaal te verkeeren....”
„En te verkeeren met u, geestelijk beminde!”
„Toch is er een intrinsieke en inhaerente eenheid in alle stelsels. Als gij in het zeventallig stelsel en in het vijftallig stelsel een berekening uitvoert, is het u mogelijk beider quotiënten te herleiden tot één quotiënt in het tientallig stelsel.”
„Dat is inderdaad zéér eenvoudig.”
„Niet anders is het met de dimensies. Evenwel, om de quotiënten van twee lagere dimensies te herleiden tot een quotiënt van een hoogere dimensie, moet gij die hoogere dimensie beheerschen. Vandaar dat op aarde alle berekeningen boven de aardsche dimensies uitgaande, vervallen tot het gebied der speculatieve of fantastische philosofie en dus....”
„Van nul en geener waarde blijven zonder de correctie van het empirisme....”
„Dit empirisme nu zal ik u verschaffen....”
„Dus zal ik eens de menschheid van haar waan verlossen?”
„Wilt gij mij in de toekomst weer verlaten, Horatio?”
Zij vroeg het hem met diepe smart in haar stem en prof. Leyden kreeg dezelfde sensatie, welke hij eens gehad had, spelende de „flauto secundo.”
„Nooit, niemals, jamais, never!....”
„Gij zegt het in vier talen. Hopen wij, dat ik eens kan zeggen, dat er de tale der waarheid bij was. Welnu dan Horatio, daar naar beneden en naar boven het Gebeuren onderscheiden is volgens de infinitesimaal berekening, zoo mag het u niet verwonderen, wanneer ik u zeg, dat wat in het oneindige is ingedeeld ook in het oneindige, oneindig bestaat.”
„Volkomen logisch.”
„En dat dus wat de menschen verleden of toekomst noemen, slechts een poging is om van uit hun dimensie, van uit hun heden, bewust te worden. Inderdaad bestaat er geen heden, geen verleden en geen toekomst op zichzelf, doch zij bestaan slechts als voorstellingen, en dan nog wel als voorstellingen bij een bepaalde groep van wezens. Zoo voelen de dieren op aarde verleden, heden en toekomst reeds veel meer gelimiteerd dan de menschen en de menschen zelf voelen het drietal ook al weder beperkter of ruimer al naar hun geaardheid. Het dimensie begrip van Christus was een ander dan het dimensie begrip van Herodes. De wilde heeft een ander besef van verleden, heden en toekomst dan de mensch uit beschaafd Europa.
„Welnu Horatio, mij is het gegeven, en onder mijne leiding zal het nu ook u gegeven zijn, alles wat er ooit (zoogenaamd) in het verleden gebeurd is en alles wat ooit (zoogenaamd) in de toekomst zal gebeuren, te aanschouwen. Inderdaad is het noch gebeurd noch zal het gebeuren, maar is het Gebeurende. Niet echter „gelijktijdig”, zooals gij wellicht zoudt willen zeggen, want het gebeurt in verschillende dimensiale verhoudingen, dus a-temporeel. Eerst indien gij in staat zoudt zijn, Horatio, de verschillende quotiënten der infinitesimale dimensies te herleiden tot het quotiënt der Al-Dimensie, dan zoudt gij u een voorstelling kunnen maken van den werkelijken tijd. Maar die formule is slechts Hem gegeven, Die De Formule is.”
„Arme collega’s. Als ik terugkeer en zij zullen mij naar de formule vragen, zal ik hun niets hebben te geven dan deze:
(X)^X
„Dus gij wilt toch terug, Horatio?”
„Bij de fluitschool van Drouet.... nooit!”
„Welnu, kies dan uw keuze.”
„Ik kies u.... zooals ik u altijd had moeten gekozen hebben, beminde Eumenia.”
„Ik bedoel, gij moogt kiezen, wat gij nu van verleden, heden of toekomst der menschheid wenscht te zien.”
„Eenmaal heb ik mij vergist.... maar het was in het eerste jaar, toen ik verzuimde het beste te kiezen. Doch het was slechts wijl ik u niet kennend, niet kon weten, wat ik in u zou kiezen. Zou ik ditmaal in de fout van mijn zoo betreurenswaardig eerste jaar vervallen? Zou ik later, teruggekeerd op aarde, van mijn collega’s het verwijt moeten hooren, dat ik mij ten aanzien van de keuze der dimensies, gemésailleerd heb?”
„Altijd weder die pogingen om mij te verlaten voor uw collega’s, Horatio....”
„Vergeef mij, ik spreek onbedachtzaam.”
„Is er onbedachtzaamheid in de liefde, Horatio?”
„Zij is niet anders dan dat, Eumenia. Leidt mij geliefde naar die dimensiale oorden, waar gij meent, dat voor mij de meeste leering is te putten, voor mijzelf en voor....”
„Wat meent gij.... voor wie.... weder voor die daar-ginds....”
„Neen, voor u.... voor u.... voor u alleen, Eumenia, gij geest van mijn geest, gij geestelijke liefde van mijn liefde.”
„Dan zal ik u verhooren.... Kom, omhels mij, opdat wij ons zullen voelen in tweeën één....”
En Eumenia en Horatio ervoeren in dezen heiligen oogenblik hetzelfde als twee aardsche menschen, man en vrouw, die mond op monde en hand in hand, het tweetallig stelsel herleiden tot het eentallig volgens de streng wetenschappelijke formule:
1 × 1 = (I)^X = (1 × 1 × 1 × 1 × 1)^X
Want is liefde op aarde iets anders dan de oplossing van twee in één en van één in velen, o, zonen en dochters dezer wereld?